Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
C/09/612360 / KG ZA 21-489
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding IE. Afwijzing vordering handelsnaaminbreuk omdat de handelsnamen van partijen niet genoeg op elkaar lijken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/612360 / KG ZA 21-489

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2021

in de zaak van

[eiser] T.H.O.D.N. STIJL & TRADITIE, IN OMNIA PARATA uitvaartzorg,

te Den Haag,

eiser,

advocaten mrs. J.R. van Dorp en D.M. Linders te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] T.H.O.D.N. REPATRIËRING EN SOBER EN STIJL UITVAARTEN,

te Delft,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. Sanchez Montoto te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Inleiding

1.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben allebei een uitvaartonderneming. [eiser] gebruikt voor die ondernemingen handelsnamen met daarin de woordcombinatie ‘Stijl & Traditie’ en [gedaagde] gebruikt onder meer de woordcombinatie ‘Sober & Stijl’. [eiser] wil dat [gedaagde] een andere naam kiest voor zijn onderneming, omdat de handelsnamen teveel op elkaar lijken en dat verwarring wekt bij het publiek. [eiser] doet een beroep op twee wettelijke bepalingen: artikel 5 van de Handelsnaamwet en artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, de zo genoemde onrechtmatige daad. [eiser] heeft de kort geding rechter in deze zaak (ook wel genoemd: de voorzieningenrechter) gevraagd om [gedaagde] te verbieden de handelsnamen met de woorden ‘Sober & Stijl’ nog langer te gebruiken.

1.2.

De voorzieningenrechter geeft [eiser] geen gelijk, omdat de handelsnamen van [gedaagde] daarvoor niet genoeg op de handelsnamen van [eiser] lijken. Deze beslissing is voorlopig omdat het hier gaat om een kort geding procedure: een korte procedure voor een situatie die spoedeisend is. [eiser] kan een nieuwe procedure (een bodemprocedure) aanspannen tegen [gedaagde] om de zaak alsnog in een volledige procedure te laten beoordelen.

1.3.

De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen. Onder ‘de procedure’ wordt eerst op een rijtje gezet wat het verloop van de kort geding procedure is geweest. Vervolgens staat onder ‘de feiten’ waar partijen het over eens zijn dat er in de aanloop naar deze procedure is gebeurd. De voorzieningenrechter gaat in haar oordeel van die feiten uit. Daarna wordt onder ‘het geschil’ weergegeven wat de vordering van [eiser] precies is en waarom hij meent daar recht op te hebben. Onder ‘de beoordeling’ geeft de voorzieningenrechter aan wat het wettelijk kader is waaraan zij toetst en licht zij haar oordeel op alle vorderingen toe. De beslissingen die daaruit volgen worden uiteindelijk weergegeven onder ‘de beslissing’.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 mei 2021, met producties EP01 t/m EP14;

  • -

    de producties van [gedaagde] van 15 juli 2021 (GP01 t/m GP05);

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [eiser] toegezonden pleitnota;

  • -

    het e-mailbericht van [eiser] van 15 juli 2021, met productie EP15 (het proceskostenoverzicht).

2.2.

Op 16 juli 2021 heeft (vanwege de uitbraak van het COVID-19 virus: op digitale wijze) de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van tijdens de mondelinge behandeling toegezonden pleitaantekeningen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling verder nog is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Een schikking is niet bereikt en daarom heeft de voorzieningenrechter bepaald dat er vandaag vonnis wordt gewezen.

3 De feiten

3.1.

[eiser] heeft zijn eenmanszaak op 23 augustus 2006 opgericht en verricht daarmee diensten op het gebied van uitvaartzorg en rouwverwerking in het hele land, met de nadruk op de regio Haaglanden. [eiser] heeft onder meer klanten in Den Haag, Voorburg, Zoetermeer, Rijswijk en Delft.

3.2.

[eiser] gebruikt sinds 2008 in ieder geval de volgende handelsnamen (hierna te noemen: de [eiser] Handelsnamen):

 Stijl & Traditie

 Stijl en Traditie

 Stijl & Traditie Uitvaartzorg

 Stijl en Traditie Uitvaartzorg

 Stijl & Traditie [eiser] uitvaartzorg

 Stijl en Traditie [eiser] uitvaartzorg

 Stijl en Traditie Rouwvervoer

3.3.

[eiser] voert deze handelsnamen onder meer door vermelding van de handelsnamen in correspondentie en off- en online (reclame)uitingen, door het gebruik van de website www.stijlentraditie.nl en door het gebruik van een e-mailadres eindigend op @stijlentraditie.nl.

3.4.

[gedaagde] heeft zijn huidige eenmanszaak op 1 oktober 2018 opgericht en verleent diensten op het gebied van uitvaartzorg en rouwverwerking in Nederland, met name in Amsterdam, Delft, Rotterdam, Voorburg en omstreken. [gedaagde] verleent zijn repatriëringsdiensten wereldwijd.

3.5.

[gedaagde] voert in het economische verkeer onder meer de volgende handelsnamen (hierna te noemen: de [gedaagde] Handelsnamen):

 Sober & Stijl

 Sober en Stijl

 Sober & Stijl Uitvaarten

 Sober & Stijl Uitvaartzorg

 Sober en Stijl Uitvaartzorg & Rouwvervoer

3.6.

[gedaagde] voert deze handelsnamen onder meer door het gebruik van haar domeinnaam soberenstijl.nl, onder welke domeinnaam de website www.soberenstijl.nl actief is, door het gebruik van een e-mailadres eindigend op @soberenstijl.nl en door vermelding van de handelsnaam in correspondentie en facturen.

3.7.

[eiser] heeft in de loop der jaren meerdere keren gebruik gemaakt van de diensten van [gedaagde], die voorheen werkzaam was via andere ondernemingen. Op 18 augustus 2020 en op 4 december 2020 ontving [eiser] facturen afkomstig van [gedaagde] waarop de nieuwe handelsnaam ‘Sober & Stijl’ stond afgedrukt.

3.8.

Op 7 december 2020 heeft [eiser] [gedaagde] aangeschreven in verband met gestelde inbreuk op de handelsnaam van [eiser], waarin [eiser] onder meer staking van het gebruik van de handelsnaam heeft gevorderd.

3.9.

Op 23 december 2020 heeft de advocaat van [eiser] een sommatie gestuurd aan [gedaagde], waarin zij hem – kort gezegd – gesommeerd heeft de inbreuken op de handelsnaam te staken.

3.10.

[gedaagde] heeft niet inhoudelijk gereageerd op de door of namens [eiser] verzonden sommaties.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. [gedaagde] veroordeelt om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis ieder gebruik van de [gedaagde] Handelsnamen, waaronder de domeinnaam www.soberenstijl.nl, de e-mailadressen eindigend op @soberenstijl.nl, en iedere andere (handels)naam die identiek is aan of slechts in geringe mate afwijkt van de [eiser] Handelsnamen te staken en gestaakt te houden alsmede voor eigen rekening te wijzigen;

2. [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de [gedaagde] Handelsnamen dan wel de Sober & Stijl aanduidingen en alle overige (handels)namen die identiek zijn aan of slechts in geringe mate afwijken van de [eiser] Handelsnamen uit te (laten) schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en deze uitgeschreven te houden;

3. [gedaagde] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (‘SIDN’) schriftelijk te verzoeken om de registratie van de domeinnaam www.soberenstijl.nl over te dragen aan [eiser] en een afschrift van dit verzoek alsmede informatie over de verdere afhandeling daarvan aan [eiser] te verstrekken;

4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 2.000,-, voor iedere overtreding van het hiervoor onder 1 tot en met 3 gevorderde te vermeerderen met € 500,- voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] met de gehele of gedeeltelijke nakoming van het bevel of de bevelen in gebreke blijft;

5. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten een rectificatie te plaatsen in alle lokale kranten in de regio Haaglanden, Rotterdam en in alle gebieden waarin hij de afgelopen vijf jaar handelsactiviteiten heeft ontplooid, alsmede in alle vakbladen binnen de uitvaartbranche, alsmede op de zakelijke en persoonlijke sociale media account(s) van [gedaagde], met de tekst zoals in het petitum van de dagvaarding is opgenomen:

6. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding op de voet van artikel 1019h Rv1, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente;

7. de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv bepaalt op 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van het vonnis;

4.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen primair ten grondslag dat [gedaagde] met de [gedaagde] Handelsnamen inbreuk maakt op zijn handelsnaamrecht zoals bedoeld in artikel 5 Hnw2. Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] handelt door de naamvoering van de eenmanszaak na te bootsen, waardoor er nodeloos verwarring optreedt en [eiser] schade lijdt.

4.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het – voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste – spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Het spoedeisend belang is ook niet door [gedaagde] betwist.

5.2.

Op grond van artikel 5 Hnw is het verboden om een handelsnaam te voeren die, voordat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover als gevolg daarvan, in verband met de aard van beide ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen in ieder geval niet in geschil is dat [eiser] als onderneming eerder met de [eiser] Handelsnamen aan het economisch verkeer deelnam dan [gedaagde] met de [gedaagde] Handelsnamen.

5.3.

De voorzieningenrechter vergelijkt eerst de handelsnamen Stijl & Traditie en Stijl en Traditie (hierna: de S&T Handelsnamen) enerzijds met de handelsnamen Sober & Stijl en Sober en Stijl (hierna: de S&S Handelsnamen) anderzijds.

5.3.1.

Niet in geschil is dat de S&T Handelsnamen en de S&S Handelsnamen niet identiek zijn. Voor toewijzing van de vorderingen op grond van de handelsnaamwet dient derhalve beoordeeld te worden of de S&S Handelsnamen slechts in geringe mate afwijken van de S&T Handelsnamen. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat daarvan geen sprake is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.3.2.

Voorlopig oordelend kan niet worden vastgesteld dat, zoals [eiser] aanvoert, het element ‘stijl’ het meest kenmerkende of dominante bestanddeel van de S&T Handelsnamen is. Het woord ‘stijl’ heeft weliswaar een kenmerkende klank, zoals [eiser] betoogt, maar ook het woord ‘traditie’ heeft een eigen geluid. Ook als het woord ‘stijl’, zoals [eiser] in dit kader heeft gesteld, geen voor de hand liggende term in de uitvaartbranche is, brengt dat nog niet mee dat het ten opzichte van het woord ‘traditie’ het meest kenmerkende element is. Dat het woord ‘traditie’ een gebruikelijker gevoel zou zijn bij een uitvaart dan het woord ‘stijl’ is door [gedaagde] weersproken en op geen enkele wijze onderbouwd. Het feit dat het woord ‘stijl’ het eerste woord is zorgt voor een zekere nadruk op dat woord, maar even zo goed blijft het woord ‘traditie’, dat als laatste klinkt en bovendien uit drie lettergrepen bestaat in plaats van één, langere tijd in het geheugen hangen. Voorshands oordelend zijn de woorden ‘stijl’ en ‘traditie’ dan ook beide even kenmerkend voor de S&T Handelsnamen.

5.3.3.

[eiser] heeft nog gewezen op een uitspraak van de Voorzieningenrechter Midden-Nederland3 waarin is geoordeeld dat het woord ‘puur’ als het meest kenmerkende element van de handelsnaam Puur Professionele Uitvaartzorg kan worden beschouwd. [eiser] gaat er echter aan voorbij dat de overige woorden in die handelsnaam, zoals de betreffende Voorzieningenrechter ook heeft overwogen, zuiver beschrijvend van aard zijn waar in de S&T Handelsnamen het woord ‘traditie’ niet zuiver beschrijvend van aard is. Dit betoog kan hem dus alleen al daarom niet baten.

5.3.4.

Hiervan uitgaande bestaat de overeenstemming tussen de S&T Handelsnamen en de S&S Handelsnamen er uit dat beide het woord ‘stijl’ bevatten gecombineerd met een ander woord dat in de betreffende handelsnamen evenveel nadruk krijgt, waarbij de twee woorden zijn verbonden door een ampersand-teken (&) dan wel het woordje ‘en’. Voorts beginnen de handelsnamen met de letter S.

5.3.5.

De verschillen zijn dat in de S&T Handelsnamen het woord ‘stijl’ voorop staat waarbij dat woord in de S&S Handelsnamen als laatste wordt genoemd en dat de woorden waarmee het wordt gecombineerd op geen enkele wijze met elkaar overeenkomen. Het woord ‘traditie’ en het woord ‘sober’ verschillen wat klank betreft, in lengte en wat betreft de betekenis. ‘Traditie’ is een zelfstandig naamwoord dat verwijst naar gewoontes binnen een bepaalde groep. Het woord kan, zoals [gedaagde] onbestreden heeft aangevoerd, een chique gevoelswaarde hebben. ‘Sober’ is een bijvoeglijk naamwoord dat in de buurt komt van woorden als ‘eenvoudig’ en ‘bescheiden’. Deze verschillen leiden tot het voorlopig oordeel dat de S&S Handelsnamen in meer dan geringe mate afwijken van de S&T Handelsnamen en geen verwarringsgevaar te duchten is. Het op grond van artikel 5 Hnw gevorderde verbod kan daarom niet worden toegewezen.

5.4.

Naar voorlopig oordeel kan ook wat betreft de andere handelsnamen die [gedaagde] gebruikt geen verbod worden uitgesproken. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.4.1.

Wat betreft de handelsnamen Sober & Stijl Uitvaarten en Sober en Stijl Uitvaartzorg & Rouwvervoer geldt ten opzichte van de S&S Handelsnamen dat een beschrijvend element is toegevoegd dat geen van de andere [eiser] Handelsnamen heeft. Daarmee wordt het verschil tussen deze twee handelsnamen van [gedaagde] en de [eiser] Handelsnamen dus alleen maar groter.

5.4.2.

Dat is anders wat betreft de door [gedaagde] gebruikte handelsnaam Sober & Stijl Uitvaartzorg nu het toegevoegde beschrijvende element in die handelsnaam wel overeenstemmend is met het voor de branche beschrijvende element in de [eiser] Handelsnamen Stijl & Traditie Uitvaartzorg en Stijl en Traditie Uitvaartzorg. Nu het echter een beschrijvend element betreft waaraan in het kader van het onderscheidend vermogen minder gewicht wordt toegekend, is dat ten opzichte van de hiervoor onder 5.3.5 genoemde verschillen niet voldoende om te komen tot het voorlopig oordeel dat sprake is van slechts een geringe afwijking.

5.5.

[eiser] heeft zich subsidiair beroepen op onrechtmatig handelen zijdens [gedaagde] door de [eiser] Handelsnamen na te bootsen en daarmee nodeloos verwarring te doen ontstaan, waardoor hij schade heeft geleden, onder meer bestaande uit reputatieschade en het mislopen van opdrachten. Hij voert daartoe aan dat [gedaagde] in het verleden uitgebreid en zeer negatief in het nieuws is geweest door de wijze van handelen binnen de onderneming van zijn partner die werd gedreven onder een andere naam.

5.5.1.

Gelet op de hiervoor in het kader van de primaire grondslag besproken verschillen tussen de [eiser] Handelsnamen en de [gedaagde] Handelsnamen is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de [gedaagde] Handelsnamen voldoende afstand bewaren tot de [eiser] Handelsnamen, zodat nadere omstandigheden nodig zijn om te kunnen oordelen dat sprake is van onrechtmatig handelen. Hetgeen [eiser] in dat kader naar voren heeft gebracht is daartoe onvoldoende. Als al wordt aangenomen dat het nieuws rondom de uitvaartonderneming van de partner van [gedaagde] juist is en [gedaagde] bij gedragingen betrokken is geweest – hetgeen [gedaagde] betwist – dan is nog niet in geschil dat deze zijn verricht onder de vlag van een onderneming die werd gedreven onder een geheel andere handelsnaam dan de [gedaagde] Handelsnamen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe het vervolgens oprichten door [gedaagde] van een andere onderneming onder de [gedaagde] Handelsnamen als zodanig onrechtmatig is jegens [eiser]. Dat [gedaagde] heeft gekozen voor handelsnamen met daarin het woord ‘stijl’ om [eiser] te benadelen of juist aan te haken bij de [eiser] Handelsnamen, is gesteld noch gebleken. De vorderingen in deze kort gedingprocedure kunnen om die reden evenmin op grond van onrechtmatig handelen worden toegewezen.

Slotsom

5.6.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen worden afgewezen en [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde].

5.7.

[gedaagde] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv en heeft zijn kosten opgegeven tot een bedrag van € 7.500,-. De onderhavige zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt in beginsel aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). In deze Indicatietarieven is onder meer vastgelegd aan welke vereisten de specificatie moet voldoen. Die vereisten komen erop neer dat een gedetailleerde opgave wordt verlangd. [eiser] heeft er terecht op gewezen dat de door [gedaagde] als productie 2 overgelegde specificatie daar niet aan voldoet. Dit brengt mee dat bij de vaststelling van het salaris van de advocaat geen aansluiting wordt gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken, maar dat wordt teruggevallen op de Aanbevelingen tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken zoals die gelden voor uitspraken op of na 1 februari 2021, waarbij wordt uitgegaan van een eenvoudig kort geding in handelszaken. Dat brengt mee dat aan salaris advocaat een bedrag € 656,- wordt toegewezen, welk bedrag wordt verhoogd met € 309,- aan griffierecht, zodat in totaal € 965,- aan proceskosten wordt toegewezen. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling ligt voor toewijzing gereed.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 965,-;

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken door

mr. D. Nobel op 3 augustus 2021.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Handelsnaamwet

3 Rechtbank Midden-Nederland, 22 september 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5061