Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9281

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6688
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ROV-2 maatregel - het bestreden besluit is deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen - arrest Haqbin - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6688

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen (ROV) een ROV-2 maatregel opgelegd en met ingang van 31 juli 2020 gedurende twee weken € 12,95 ingehouden op eisers weekgeld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021 middels een Skype-beeldverbinding. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1967 en heeft de Syrische nationaliteit.

2. Verweerder heeft eiser een ROV-2 maatregel opgelegd, omdat hij fysiek geweld heeft gebruikt tegen een andere bewoner. Daarbij heeft eiser ook bedreigingen richting die andere bewoner geuit. Deze gedraging (hierna: het incident) heeft overlast van middelgrote impact doen ontstaan.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is van mening dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd nu hierin niet is opgenomen op welk lid en subonderdeel van artikel 10 en artikel 19 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) het bestreden besluit is gebaseerd en ook de weergave van de gang van zaken en de door eiser gegeven zienswijze ontbreekt. Verder bestrijdt eiser de feitelijke weergave van de situatie op grond waarvan verweerder het bestreden besluit heeft genomen. Ook beroept eiser zich op het arrest Haqbin van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 november 20191 (arrest Haqbin) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2020.2

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. Uit het dossier blijkt genoegzaam op welke dag (namelijk 29 juli 2020) het incident heeft plaatsgevonden op basis waarvan de ROV-2 maatregel van 30 juli 2020 is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat uit het gehoor naar aanleiding van het incident blijkt dat eiser zelf heeft verklaard dat hij de medebewoner heeft geslagen. Reeds hierom heeft verweerder conform zijn beleid de ROV-2 maatregel kunnen opleggen. De enkele niet nader onderbouwde betwisting van de feitelijke gang van zaken en weergave van het maatregelgesprek naar aanleiding van het incident, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat het verslag van het maatregelgesprek geen ambtsedig opgemaakt proces-verbaal betreft, maakt niet dat verweerder niet van het gesprekverslag mocht uitgaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser geen concreet aanknopingspunt tot twijfel aan de juistheid van de inhoud van de dossierstukken naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen reden tot twijfel aan de juistheid van de inhoud van de dossierstukken. Verder ziet de rechtbank in de enkele omstandigheid dat in het bestreden besluit geen nadere specificering van het artikelnummer is gegeven, geen reden om strijd met het motiveringsbeginsel aan te nemen. Uit de inhoud van het besluit blijkt duidelijk de wettelijke grondslag en de feiten en gedragingen die de reden vormden voor het opleggen van de ROV-2 maatregel.

5. De rechtbank overweegt voorts als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Haqbin overwogen dat als lidstaten besluiten de materiële opvangvoorzieningen van een vreemdeling te beperken om een in artikel 20, vierde lid, van de Opvangrichtlijn bedoelde reden, zij rekening moeten houden met de in het vijfde lid van dat artikel genoemde vereisten, waarbij met name het evenredigheidsbeginsel en de menselijke waardigheid van belang zijn. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in deze zaak onvoldoende rekening heeft gehouden met de hiervoor genoemde vereisten van de Opvangrichtlijn. Verweerder heeft, zoals onder 5 overwogen, naar aanleiding van het incident in redelijkheid en conform haar beleid een gedeelte van het weekgeld van eiser kunnen inhouden. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beroepsgronden niet slagen.

7. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 ECLI:EU:C:2019:956.

2 ECLI:NL:RVS:2020:1622.