Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9241

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2115
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel - homoseksuele gerichtheid - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/2115

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: M.J. Baaij),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. van Deel).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder is bepaald dat het eerder uitgevaardigde inreisverbod en terugkeerbesluit blijven gelden.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak AWB 21/2116, plaatsgevonden op 29 april 2021. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 11 december 2015 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 29 maart 2016 afgewezen. Daarbij achtte verweerder eisers identiteit, nationaliteit, herkomst en asielrelaas geloofwaardig. Verweerder achtte het asielrelaas echter onvoldoende zwaarwegend om voor een asielvergunning in aanmerking te komen. Dit besluit van verweerder staat met de ongegrondverklaring van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 november 2016 in rechte vast. Op 15 februari 2017 en op 19 juli 2017 heeft eiser een tweede en derde opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvragen zijn eveneens afgewezen en de daartegen gerichte beroepen zijn ongegrond verklaard. Met de ongegrondverklaringen van de Afdeling van 15 mei 2017 respectievelijk 11 september 2017 staan ook deze besluiten in rechte vast.

1.2

Op 18 maart 2019 heeft eiser wederom een (opvolgende) asielaanvraag ingediend, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij homoseksueel is en hij om die reden bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 identiteit, nationaliteit en herkomst;

 betrokkene verklaart dat hij homoseksueel is.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht. Verweerder acht de gestelde homoseksualiteit van eiser echter niet geloofwaardig. Daarom wijst verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, af als kennelijk ongegrond.

3. Eiser voert aan, kort samengevat en voor zover van belang, dat verweerder op onvoldoende deugdelijk gemotiveerde wijze al zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid, waaronder over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie, van tafel veegt als tegenstrijdig, vaag en summier. Daarnaast is verweerder in het bestreden besluit aanmatigend en stigmatiserend en hangt het bestreden besluit verder aan elkaar van losse aannames en niet onderbouwde conclusies om de aanvraag af te kunnen wijzen. Nu de homoseksualiteit van eiser ten onrechte als ongeloofwaardig is beoordeeld, is de uitzetting naar Afghanistan wel degelijk in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag, aldus eiser. Tot slot stelt eiser dat nu door verweerder niet is onderbouwd dat eiser niet homoseksueel is, het beroep om die reden gegrond verklaard dient te worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling1 aan de vreemdeling is om de gestelde seksuele geaardheid die hij aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, tegenover verweerder aannemelijk te maken. Reeds hierom kan de stelling van eiser dat verweerder niet heeft onderbouwd dat hij niet homoseksueel is, niet slagen. De bewijslast op dit punt ligt immers bij eiser.

4.2

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over (de bewustwording van en de acceptatie van) zijn homoseksualiteit, maar dat zijn gestelde homoseksualiteit al niet geloofwaardig wordt geacht omdat zijn verklaringen over zijn proces van bewustwording, zelfacceptatie en ervaringen in Afghanistan en Nederland te summier, vaag, oppervlakkig en weinig gedetailleerd zijn.

4.2.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers verklaringen met betrekking tot zijn homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte als vaag, summier en oppervlakkig beoordeeld. Daarbij heeft verweerder het van belang kunnen achten dat van eiser, die al sinds september 2015 in Nederland verblijft, in Nederland naar school gaat en stelt al sinds een open dag van het AZC in maart 2017 te weten dat hij homoseksueel is en dat hij zijn homoseksuele gerichtheid in Nederland mag en kan uiten, verwacht mag worden dat hij meer inzicht kan geven in de persoonlijke beleving van zijn homoseksuele gerichtheid. Te meer omdat eiser heeft verklaard dat hij in eerste instantie bij het ervaren van zijn homoseksuele gevoelens in Afghanistan dacht aan een psychische aandoening te lijden. Zo heeft verweerder terecht in dat kader van belang geacht dat eiser bij het beschrijven van zijn gevoelens slechts blijft steken in herhaling van, ‘blij, plezierig en leuk’, wat eiser in zijn zienswijze ook erkent. Ook heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de ontdekking van zijn homoseksuele gevoelens persoonlijk heeft ervaren en hoe hij daarmee is omgegaan. Zo heeft verweerder het opmerkelijk kunnen vinden dat eiser, sinds hij in maart 2017 ontdekte dat hij homoseksueel is, hier niets concreets mee heeft gedaan zoals het vergaren van informatie of proberen nadere contacten te leggen. Hierbij doelt verweerder, zoals nader ter zitting toegelicht, niet op seksuele contacten maar op contacten waarbij eiser de mogelijkheid had om te praten over zijn homoseksuele gevoelens. Verweerder heeft het daarbij van belang kunnen achten dat er voor eiser, mede gezien het feit dat hij sinds september 2015 in Nederland naar school gaat en hij op een open dag informatie heeft kunnen inwinnen, kennelijk mogelijkheden waren om meer informatie in te winnen en/of contacten te leggen. De hiervoor gegeven verklaring van eiser, namelijk dat hij gelet op de coronaomstandigheden, zijn laaggeletterdheid en financiële omstandigheden, beperkt werd in het vergaren van informatie en het leggen van contacten, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Hoewel gevolgd kan worden dat eiser gelet op zijn laaggeletterdheid en onbekendheid met de Nederlandse taal meer moeite zal hebben met het vinden van informatie en het leggen van contacten, maakt dit nog niet dat eiser in het geheel niet in staat zou zijn om informatie te vergaren en/of contacten te leggen. Dit blijkt ook wel uit het feit dat eiser tijdens de open dag van het AZC in maart 2017 informatie kon krijgen over homoseksualiteit en het feit dat eiser heeft verklaard dat hij driemaal uit eigen beweging naar een gay café in Tilburg is geweest. Dat het aanmatigend of stigmatiserend is dat verweerder dit opmerkelijk acht en in de geloofwaardigheidsbeoordeling betrekt, volgt de rechtbank niet. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder over veel onderwerpen helemaal geen vragen heeft gesteld, dan wel dat verweerder de verklaringen van eiser zonder meer als ongeloofwaardig heeft bestempeld. Uit het gehoor blijkt dat eiser in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om de vragen over de verschillende relevante thema’s uit de Werkinstructie 2019/17 te beantwoorden.

4.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft beoordeeld. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond van eiser dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM niet. Nu verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig acht, heeft verweerder immers ook de gestelde daaruit te verwachten problemen bij terugkeer naar Afghanistan ongeloofwaardig kunnen achten.

5. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

6. De aanvraag is op goede gronden afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3080.