Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9208

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
AWB 20/6597 en AWB 20/6598
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van de ‘Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat kinderen die zijn geboren na het afronden van de asielprocedure niet binnen de doelgroep van de Afsluitingsregeling vallen. De rechtbank acht het beleid niet onredelijk. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet onder de uitzondering valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder voldoende gemotiveerd dat de namens eisers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven om af te wijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb. Ook bestaat er geen recht op verblijf op grond van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/6597 (beroep)

AWB 20/6598 (voorlopige voorziening)

[V-Nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2009, eiseres en verzoekster (eiseres),

mede namens haar zusje

[eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010,

haar vader

[eiser] , geboren op [geboortedatum 3] 1970,

en haar moeder

[eiseres 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1974,

allen van Nigeriaanse nationaliteit, samen eisers

(gemachtigde: mr. E. Derksen)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 25 februari 2019 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van de ‘Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’ (de Afsluitingsregeling) afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 24 augustus 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was op de zitting aanwezig G.J.M. Engels, tolk in de Engelse taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het griffierecht

1. Eiseres heeft een onderbouwd verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht gedaan. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat eiseres in beide procedures vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Ten aanzien van het beroep

Feiten en omstandigheden

2. De vader van eiseres heeft op 27 maart 2003 een asielaanvraag ingediend, die op 30 maart 2003 is afgewezen. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend. Eiseres is op [geboortedatum 1] 2009 in Nederland geboren. Haar vader heeft een herhaalde asielaanvraag gedaan op 8 augustus 2018, die ook is afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is op 7 oktober 2019 ongegrond verklaard.

Besluitvorming

3.1

Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, zijn eiseres en haar gezinsleden van het mvv1-vereiste vrijgesteld vanwege de medische situatie van de moeder. De aanvraag is vervolgens afgewezen omdat door eiseres niet wordt voldaan aan voorwaarde b van paragraaf B9/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), te weten dat eiseres zelf, dan wel ten behoeve van haar, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend en zij na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven. Dit wordt niet tegengeworpen als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. Ook hiervan is geen sprake volgens verweerder. De vader van eiseres heeft op 27 maart 2003 een asielaanvraag ingediend, die is afgewezen op 30 maart 2003. Dit besluit is op die datum ook onherroepelijk geworden. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 2009 en zij heeft dan ook geen deel uitgemaakt van de asielprocedure van haar vader. Volgens verweerder is voldoende duidelijk dat het kind weliswaar mag zijn geboren na de start van de asielprocedure van de ouder, maar niet pas na afloop van de asielprocedure. Dit volgt uit het beleid en is bevestigd door jurisprudentie. De vader van eiseres heeft verder op 8 augustus 2018 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag wordt weliswaar op eiseres van toepassing geacht, maar eiseres heeft na die aanvraag op de peildatum niet tenminste vijf jaar in Nederland verbleven. De periode tussen 8 augustus 2018 en 29 januari 2019 bedraagt immers geen vijf jaren.

3.2

Verweerder heeft verder overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om in dit geval op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de Afsluitingsregeling af te wijken en om alsnog tot vergunningverlening over te gaan. De omstandigheid dat eiseres is geboren na het eindigen van de eerste asielprocedure van haar vader, geeft geen aanleiding hiertoe. Er is sprake van begunstigend beleid, welke uitsluitend bedoeld is voor de afgebakende groep van kinderen met een asielachtergrond en het beleid geldt dus niet voor ieder kind dat lang in Nederland verblijft. De omstandigheid dat een kind dat is geboren na afronding van de asielprocedure van de ouder en daardoor (net) niet in aanmerking komt voor de Afsluitingsregeling, evenals omstandigheden die zien op langdurig verblijf in Nederland, zijn al betrokken bij de totstandkoming van de Afsluitingsregeling. Bovendien betreffen dit geen individuele omstandigheden. Er zou dan geen sprake zijn van afwijken in een individueel geval, maar van het in feite oprekken van het beleid.

3.3

De afwijzing is volgens verweerder verder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.2 Zowel eiseres als haar familieleden hebben geen geldige verblijfsvergunning waardoor dit gezinsleven niet noopt tot bescherming in Nederland. Ook het privéleven van eiseres noopt hier niet toe, aldus verweerder. De totale periode van verblijf wordt door verweerder niet als onderscheidend lang beschouwd. Ook heeft verweerder betrokken dat het verblijf van eiseres altijd onzeker en onrechtmatig is geweest. Dat eiseres in Nederland heeft verbleven, invulling heeft gegeven aan privéleven en dit niet kan blijven uitoefenen, komt voor de verantwoordelijk van haar ouders. Ook neemt verweerder in aanmerking dat eiseres nog jong is en samen met haar ouders zal terugkeren, waardoor er geen aanleiding bestaat voor het vermoeden dat eiseres zich niet zou kunnen aanpassen. Verder is niet gebleken dat bij eiseres en haar gezinsleden sprake is van een samenstel van uitzonderlijke banden met Nederland die de gebruikelijke banden overstijgen. De aangevoerde worteling en sociale banden zijn niet bijzonder of uitzonderlijk te noemen en zijn daarnaast niet onderbouwd. Ook de medische omstandigheden van de moeder van eiseres vormt geen omstandigheid op grond waarvan het privéleven van eiseres en/of haar gezinsleden aan Nederland gebonden is. Van een objectieve belemmering om het privéleven in Nigeria voort te zetten, is volgens verweerder evenmin gebleken.

De Afsluitingsregeling

4.1

Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat zij wel degelijk onder de Afsluitingsregeling valt en dat verweerder een te strikte interpretatie hanteert van de voorwaarden daarvan.

4.2

In paragraaf B9/6.5 onder b van de Vc staat opgenomen dat de IND een vergunning verleent aan de vreemdeling die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven. De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.

4.3

In geschil is of eiseres voldoet aan de in het beleid gestelde voorwaarde onder b van paragraaf B9/6.5 van de Vc en meer specifiek aan de uitzonderingsbepaling. De vraag die hierbij van belang is, is wat in het beleid wordt bedoeld met ‘na de start van de asielprocedure’. Verweerder meent dat dit zo moet worden uitgelegd dat de vreemdeling tijdens de asielprocedure van de ouders moet zijn geboren. Eiseres meent dat niet wordt verlangd dat het kind tijdens de asielprocedure is geboren, waardoor zij onder deze uitzondering valt nu haar vader een asielprocedure heeft doorlopen voordat zij werd geboren.

4.4

De rechtbank volgt de lezing van verweerder en verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 29 mei 2020.3 Verweerder heeft beoogd kinderen onder de regeling te laten vallen die door de lopende asielprocedure(s) onzekerheid hebben meegemaakt. Hierbij heeft verweerder gewezen op een kamerbrief van 21 december 20124 en een fragment uit het debat over deze brief5 waarin dit is toegelicht. Daaruit volgt dat de Overgangsregeling – en nu de Afsluitingsregeling – duidelijkheid biedt aan kinderen met een asielachtergrond. Het gaat specifiek om kinderen die door een combinatie van factoren, zoals lange, herhaalde asielprocedures en ouders die niet meewerkten, al lang in Nederland verblijven. Worteling in Nederland is niet één van die factoren. Verweerder wijst erop dat kinderen die na de asielprocedure van hun ouders zijn geboren, nooit deel zijn geweest van de asielprocedure en daarom niet te onderscheiden zijn van kinderen die de reguliere procedure voor een verblijfsvergunning hebben doorlopen. Voor die kinderen is de artikel 8 van het EVRM-toets voorhanden.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat kinderen die zijn geboren na het afronden van de asielprocedure niet binnen de doelgroep van de Afsluitingsregeling vallen. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet onder de uitzondering valt. Eiseres is immers ruim zes jaar na het einde van de eerste asielprocedure van haar vader geboren. Ten aanzien van de asielaanvraag uit 2018 is daarnaast niet in geschil dat eiseres op de peildatum van 29 januari 2019 niet ten minste vijf jaar na de indiening van die aanvraag in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat eiseres niet onder de Afsluitregeling valt.

4.6

De rechtbank volgt het betoog van eiseres dat het onderscheid dat verweerder maakt tussen kinderen die tijdens de asielprocedure zijn geboren en kinderen die na afloop van de procedure zijn geboren, strijdig is met artikel 14 van het EVRM (discriminatieverbod) niet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid betreft waarvan verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting was gehouden. Bij het vaststellen van de criteria van dat beleid heeft verweerder een grote mate van beleidsruimte. Verweerder heeft daarbij bij het bepalen van deze voorwaarde rekening gehouden met de ratio van het beleid. De rechtbank wijst in dit kader nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 oktober 2014,6 waarin is geoordeeld dat verweerder het onderscheid tussen vreemdelingen met en zonder een asielachtergrond in het begunstigend beleid (WBV 2013/1), dat in zeer grote mate overeenkomt met de Afsluitingsregeling, in redelijkheid heeft kunnen maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze lijn worden doorgetrokken naar het begunstigende beleid van de Afsluitregeling.

5.1

Eiseres doet verder een beroep op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 25 juni 2020,7 waarbij is overwogen dat het bij herhaling verlenen van een verblijfsvergunning krachtens de Afsluitingsregeling of eerdere regelingen, zonder dat daarbij is voldaan aan voorwaarde b kan duiden op een uitvoeringspraktijk.

5.2

Het beroep van eiseres op deze uitspraak slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak in het kader van het gelijkheidsbeginsel overwogen dat mogelijk sprake is van een uitvoeringspraktijk en dat verweerder nader moet motiveren waarom volgens verweerder sprake is van ambtelijke misslagen en waarom de andere gevallen die zijn genoemd volgens verweerder niet gelijk zijn. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag heeft echter in een bodemprocedure op 28 december 20208 geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, nu door verweerder voldoende is gemotiveerd dat in de aangehaalde zaken sprake was van een ambtelijke misslag dan wel dat geen sprake was van een gelijk geval.

Artikel 4:84 van de Awb

6.1

Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, als wordt geconcludeerd dat eiseres niet onder het beleid valt, verweerder had moeten afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb.

6.2

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uit vaste jurisprudentie9 volgt dat voor een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb vereist is dat de aangevoerde omstandigheden binnen de strekking en reikwijdte vallen van het gevoerde beleid (in dit geval de Afsluitingsregeling) inzake de uitoefening van de in de desbetreffende procedure aan de orde zijnde bevoegdheid. Verder volgt uit deze jurisprudentie dat omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte van dat beleid vallen en die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, niet als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb zijn aan te merken.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de namens eisers aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven om af te wijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in Nederland is geboren, hier altijd heeft gewoond en naar school gaat. Verweerder heeft dergelijke omstandigheden al betrokken bij de totstandkoming van het beleid, waardoor deze omstandigheden op zich niet dusdanig bijzonder zijn dat een beslissing overeenkomstig het beleid in dit geval zou leiden tot nadelige gevolgen voor eiseres die onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de (begunstigende) beleidsregel te dienen belangen. De algemene rapporten waar eiseres in beroep naar heeft verwezen ten aanzien van langdurig in Nederland verblijvende kinderen, kunnen gelet hierop ook niet leiden tot de conclusie dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van de Awb. Ten aanzien van de medische situatie van de moeder van eiseres heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat dit niet als dusdanig bijzonder is aan te merken. De omstandigheid dat eisers een uitgebreid sociaal netwerk in Amsterdam hebben, heeft verweerder, nog los van de omstandigheid dat dit niet is onderbouwd, evenmin zeer bijzonder hoeven achten. Dit is immers een voortvloeisel van een langdurig verblijf in Nederland. Ook het beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 februari 202110 kan niet tot een ander oordeel leiden, nu niet is onderbouwd of gebleken dat sprake is van gelijke gevallen.

Artikel 8 van het EVRM

7.1

Ook stelt eiseres zich op het standpunt dat zij en haar gezinsleden, gelet op hun privéleven in Nederland, op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking moeten komen voor verblijf.

7.2

Naar vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Afdeling – onder meer uiteengezet in de uitspraak van 23 juli 201911 – moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven een "fair balance" worden gevonden tussen de belangen van vreemdelingen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.

7.3

Verder volgt uit bovengenoemde Afdelingsuitspraak (en het arrest Butt12) dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Als de desbetreffende vreemdeling dan wel zijn ouders konden, althans hadden moeten weten, dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle van belang zijnde aspecten in de belangenafweging heeft meegenomen en op grond daarvan heeft mogen concluderen dat deze in het nadeel van eiseres uitvalt. De rechtbank merkt in dit kader in de eerste plaats op dat eiseres ten aanzien van artikel 8 van het EVRM in bezwaar geen omstandigheden heeft aangevoerd, waardoor verweerder enkel de uit het dossier bekende omstandigheden bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Verweerder heeft bij zijn beoordeling in het nadeel van eiseres kunnen betrekken dat het privéleven is ontstaan in een periode dat de ouders van eiseres wisten dat de verblijfssituatie onzeker was. Zoals verweerder heeft opgemerkt is er geen sprake geweest van langdurig, ongemoeid, gedoogd verblijf. Aan de omstandigheid dat eiseres Nigeria niet kent en daarom het opbouwen van verblijf aldaar enige aanpassingen zal vergen, heeft verweerder gelet op de jeugdige leeftijd van eiseres daar niet het gewicht aan hoeven toekennen dat eiseres daaraan toekent. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres met haar familieleden zal terugkeren. De rechtbank ziet in de arresten Butt en Pormes13, in tegenstelling tot eiseres, geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiseres dat als een kind geworteld is, er verder geen nadere bijzondere omstandigheden mogen worden verwacht. Uit deze arresten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat – in gevallen zoals die van eiseres – slechts in uitzonderlijke omstandigheden banden tijdens illegaal verblijf in strijd worden geacht met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden in dit geval niet is gebleken.

7.5

In het geval de uitzetting schadelijk is voor de ontwikkeling van eiseres, zou mogelijk sprake kunnen zijn van bovengenoemde uitzonderlijke omstandigheden. Ten aanzien van de rapporten die eiseres in beroep heeft overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat de uitzetting schadelijk zal zijn voor haar ontwikkeling, te weten het rapport ‘De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet’ van [naam 1] en [naam 2] van april 2006 en het rapport ‘Schaderisico bij uitzetting langdurig verblijvende kinderen’ van december 2018, overweegt de rechtbank als volgt. In het eerst genoemde rapport14 staat dat de uitzetting van kinderen tussen zes en twaalf jaar oud vrijwel nooit acceptabel is. Verder worden elementen vermeld die een rol kunnen spelen bij de binding van kinderen met Nederland, zoals het vloeiend spreken van de Nederlandse taal, het deel uitmaken van een sociale groep, het ontwikkelen van een eigen Westerse identiteit, gewend zijn aan de Nederlandse omgangsvormen en het ontwikkelen van toekomstperspectieven. Kortom kinderen die in Nederland goed zijn geworteld. Daarnaast worden elementen genoemd die betrekking hebben op de problemen die gewortelde kinderen bij vertrek naar het land van herkomst van hun ouders kunnen ervaren, zoals ontwikkelingsproblemen. De in dit rapport genoemde elementen zijn naar het oordeel van de rechtbank elementen die door eiseres nader onderbouwd hadden kunnen worden. De rechtbank erkent dat het voor ongedocumenteerde kinderen lastig is om het privéleven met stukken te onderbouwen, maar dat neemt niet weg dat verweerder in dit geval meer heeft mogen verwachten. Hierbij kan gedacht worden aan stukken van de school, vrienden, (sport)verenigingen en buren. Nu eiseres de in het rapport genoemde elementen niet nader heeft onderbouwd, kan niet worden geconcludeerd dat de inhoud van deze algemene rapporten ook geldt in het geval van eiseres en leiden deze ook niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 november 202015 kan ook niet slagen, nu hierin een individueel rapport was overgelegd.

8. Tot slot volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat de hoorplicht is geschonden. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op het primaire besluit en de daartegen aangevoerde bezwaargronden, bestond er naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen twijfel over de conclusie dat het bezwaar van eiseres ongegrond was, waardoor verweerder van het horen heeft kunnen afzien. Dat als uitgangspunt geldt dat in zaken waarin artikel 8 van het EVRM aspecten spelen wordt gehoord, betekent niet dat verweerder hiertoe in elke zaak waarin deze aspecten spelen is gehouden. Dat deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 29 december 202016 heeft geoordeeld dat verweerder in die zaak had moeten horen, vormt geen grond om tot een andere conclusie over de hoorplicht te komen.

9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

10. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/6597,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/6598,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Grundmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Machtiging tot voorlopig verblijf.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 ECLI:NL:RBDHA:2020:5056.

4 Kamerstuk van 7 januari 2013, 19 637, nr. 1597, vergaderjaar 2012-2013.

5 Vergadering van 12 maart 2013, Handeling, publicatie 24 mei 2013, vergaderjaar 2012-2013, nr 60, item 26: Regeling Langdurig verblijvende kinderen.

6 ECLI:NL:RVS:2014:3867.

7 ECLI:NL:RBDHA:2020:6159.

8 AWB 20/1096.

9 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3878.

10 AWB 20/3442.

11 ECLI:NL:RVS:2019:2516.

12 Arrest van het EHRM van 4 december 2012, nr. 47017/09.

13 Arrest van het EHRM van 28 juli 2020, no. 25402/14.

14 Pagina 11 en 12.

15 AWB 20/4872.

16 AWB 20/2737.