Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9207

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
AWB 20/3331 en AWB 20/3332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder – gelet op de overgelegde verklaringen - onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. Verweerder zal dit opnieuw moeten beoordelen en daarbij ook nader onderzoek moeten verrichten naar de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/3331 (beroep)

AWB 20/3332 (voorlopige voorziening)

[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1978, van Ghanese nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER1 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 april 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 21 april 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was op de zitting aanwezig [naam 1] . De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Eiser beoogt verblijf bij zijn Nederlandse dochters [dochter 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 en [dochter 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2013 (referenten). Eiser heeft beide kinderen op 3 augustus 2018 erkend. Sinds 31 mei 2019 is hij samen met [naam 1] belast met het ouderlijk gezag over hen. Bij brief van 17 juni 2019 is door eiser onderhavige aanvraag ingediend waarbij hij een beroep heeft gedaan op het arrest Chavez-Vilchez2.

2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen omdat niet is gebleken dat het arrest Chavez-Vilchez op eiser van toepassing is. Uit de stukken, in samenhang bezien, kan volgens verweerder niet de conclusie worden getrokken dat eiser dagelijks bij zijn dochters is en dat hij structureel zorgtaken voor hen verricht. De zorgtaken die eiser verricht zijn volgens verweerder louter marginaal van aard. Ook is volgens verweerder niet gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat [dochter 1] en [dochter 2] gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie (Unie) te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van daadwerkelijke dagelijkse zorgtaken. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet uitgaat van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat de kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser verblijfsrecht wordt beëindigd.

Beoordeling rechtbank

4.1

Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU3 zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat Unieburgers het effectieve genot worden ontzegd van de belangrijkste rechten die aan de status van Unieburger zijn verbonden. Daarvan is sprake als een onderdaan van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind, dat de nationaliteit heeft van die lidstaat, verblijft, als gevolg waarvan het betrokken kind gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Unie te verlaten.

4.2

In paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

(…)

c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en

d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd. (…)

Ad d.

Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, betrekt de IND, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder:

  • -

    de leeftijd van het kind;

  • -

    zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling; en

  • -

    de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.”

5. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de aanvraag en in bezwaar – naast foto’s en diverse verklaringen van vrienden en familie– meerdere objectieve en verifieerbare stukken heeft overgelegd ten aanzien van de zorg- en opvoedtaken die hij verricht voor [dochter 2] . Uit de verklaring van 30 december 2019 van Stichting ScientiaPotentia Est volgt dat eiser [dochter 2] heeft inschreven voor huiswerkbegeleiding. Op het moment van de verklaring komt [dochter 2] ruim vier maanden bij deze stichting. Eiser brengt en haalt haar elke maandag, dinsdag en zaterdag op. Ook betaalt eiser de maandelijkse eigen bijdrage voor de ondersteuning door de stichting. De stichting omschrijft eiser als een betrokken en actieve vader die graag wenst dat zijn dochter het goed doet op school. In de verklaring van Basisschool [naam 2] van 15 mei 2019 vermeldt de school van [dochter 2] dat eiser erg betrokken is bij het “schoolgebeuren”, dat hij trouw de ouderbijeenkomsten bezoekt en dat hij haar dagelijks naar school brengt en weer ophaalt. Ook is ten aanzien van [dochter 2] een uitdraai uit het dossier van GGD Ouder- en Kindteams van 7 mei 2019 overgelegd waarin staat opgenomen dat haar vader op 2 januari 2014 en 23 oktober 2017 met [dochter 2] mee naar de GGD is geweest. Op 2 januari 2014 zou de moeder hebben verklaard dat eiser goed meehelpt met de verzorging van [dochter 2] . Tijdens het vaccineren die dag heeft eiser [dochter 2] samen met haar moeder vastgehouden en troostende woorden toegesproken. Verder is een verklaring van [huisarts] overgelegd van 9 mei 2019. De huisarts geeft hierin aan dat eiser bij hem bekend staat als de vader van [dochter 2] , dat zij sinds de geboorte bij hem in de praktijk staat ingeschreven en dat eiser regelmatig met de moeder is langs geweest vanwege aangeboren afwijkingen bij [dochter 2] . In de verklaring van Logopediepraktijk Venserpolder van 4 december 2019 staat vermeld dat eiser in de logopediepraktijk is geweest, waar hij de logopedist van [dochter 2] heeft ontmoet. In beroep is een verklaring van de logopediepraktijk van 9 juli 2020 overgelegd waarin staat dat [dochter 2] voor de Coronacrisis elke woensdag door eiser naar de logopedist werd gebracht en opgehaald. Sinds de lockdown zijn zowel eiser als de moeder van [dochter 2] beiden aanwezig tijdens de via videobellen aangeboden behandelingen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank acht daartoe met name voorgaande verklaringen – in samenhang bezien – van belang. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van meer dan marginale betrokkenheid op zowel medisch als onderwijskundig vlak. Dat niet concreet staat vermeld hoe vaak, over welke periode en wanneer eiser precies naar de betreffende instanties is geweest, maakt nog niet dat hieruit de conclusie kan worden getrokken dat slechts sprake is van marginale zorgtaken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen concreet genoeg om eisers betrokkenheid hieruit te kunnen afleiden. Uit de verklaringen volgt namelijk voldoende hoe regelmatig eiser [dochter 2] naar de verschillende instanties heeft gebracht (vijf dagen in de week naar school, drie dagen in de week naar de huiswerkbegeleidingsorganisatie en een dag in de week naar de logopedist). In tegenstelling tot wat verweerder stelt, volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet dat slechts sprake is van ophalen en brengen en sporadische bezoeken. Eiser wordt door de school en huiswerkbegeleidingsorganisatie omschreven als een betrokken vader die [dochter 2] structureel brengt en ophaalt, wat ook volgt uit de aanmelding die door hem is gedaan voor de huiswerkbegeleiding, het betalen van de maandelijkse eigen bijdrage hiervoor en het trouw bezoeken van ouderbijeenkomsten op school. Ook volgt uit de uitdraai uit het dossier van GGD Ouder- en Kindteams dat de moeder van [dochter 2] in januari 2014 (ruim vijf jaar voor de aanvraag) heeft verklaard dat eiser goed meehelpt bij de verzorging. Dat niet is onderbouwd dat eiser vanaf de geboorte betrokken is bij zijn dochters, kan een rol spelen bij de beoordeling van de aard van de zorgtaken, maar daaraan kan in dit geval gelet op hetgeen hiervoor is overwogen naar het oordeel van de rechtbank geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Ten aanzien van verweerders op zitting ingenomen stelling dat de GGD mogelijk over een ander persoon dan eiser als vader spreekt, overweegt de rechtbank dat zij hiervoor geen aanknopingspunten ziet. Te meer nu de huisarts specifiek aangeeft dat eiser bij hem bekend staat als de vader en dat [dochter 2] al sinds haar geboorte daar staat ingeschreven. Gelet op de stukken die door eiser zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om, als hij naar aanleiding hiervan nadere vragen had, nader onderzoek te verrichten, zoals door het houden van een hoorzitting.

7. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van daadwerkelijke zorgtaken, zal verweerder dit opnieuw moeten beoordelen en daarbij ook, conform Ad d. van het eigen beleid aangehaald onder 4.2, nader onderzoek moeten verrichten naar de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen. Verweerder zal bij zijn beoordeling de in beroep overgelegde stukken, waaronder de inschrijving in de Basisregistratie Personen, moeten betrekken.

8. Ten overvloede oordeelt de rechtbank nog dat verweerder ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM4 terecht heeft overwogen dat dit artikel niet kan leiden tot afgifte van het gevraagde document. Dit document heeft immers geen verdere strekking dan dat het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd. Verweerder was verder ook niet gehouden om ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Als eiser meent voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen, kan hij een hiertoe strekkende aanvraag indienen.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

10. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 534,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/3331,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit; en,

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/3332,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 356,- aan eiser te vergoeden; en,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Grundmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Europese Unie/Europese Economische Ruimte.

2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.

3 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.