Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
AWB 20/8293
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een mvv. Eisers willen verblijf bij hun (gestelde) vader. De rechtbank vindt dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de originele geboorteaktes die zijn overgelegd niet voor nader onderzoek zijn vrijgegeven aan de ambassade van Sierra Leone. Dat de ambassade onvoldoende technische expertise heeft voor nader onderzoek, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank niet. Ook constateert de rechtbank een schending van de hoorplicht. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/8293

[V-Nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eisers]

[eisers]

[eisers]

[eisers]

tezamen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Denishen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 29 januari 2016 tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

15 oktober 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 9 november 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens zijn verschenen de heer [referent] ) en mevrouw E. Malovich, tolk in de taal Engels. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Aan referent is met ingang van 22 november 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Eisers stellen allen de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben en beogen verblijf bij hun gestelde vader (referent).

Het standpunt van verweerder

2.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de Verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten van 13 september 2017 en 6 februari 2017 op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk is gemaakt. De door eisers overgelegde geboorteaktes zijn namelijk hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eisers als verbroken wordt beschouwd, aangezien niet is gebleken welke inspanningen referent heeft verricht om het contact met eisers te onderhouden na zijn vertrek uit Sierra Leone.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en als weigeringsgrond toegevoegd dat ook de identiteit van eisers niet aannemelijk is gemaakt, gelet op de eerdergenoemde Verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten.

Oordeel rechtbank

Familierechtelijke relatie

3.1

De kern van het geschil is of eisers en referent met het overleggen van de geboorteaktes van eisers hun familierechtelijke relatie aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank overweegt als volgt.

3.2

In de Verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten is betreffende de echtheid, opmaak en afgifte van de geboorteaktes geconcludeerd dat de geboorteaktes, gelet op de afwijkende opmaak en afgifte, hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.

3.3

Verweerder heeft op 18 maart 2019 schriftelijk aan eisers laten weten bereid te zijn mee te werken aan een contra-expertise. Verweerder heeft gestempelde kleurenkopieën van de geboorteaktes beschikbaar gesteld aan eisers om in te leveren bij de betreffende ambassade. Eveneens heeft verweerder in deze brief vermeld dat, indien de ambassade (schriftelijk) te kennen geeft geen onderzoek te kunnen uitvoeren op kleurenkopieën van documenten en stelt de originele documenten nodig te hebben, eerst concrete afspraken gemaakt dienen te worden over de teruggave van de over te leggen documenten. Een dergelijk verzoek dient door de zaakverantwoordelijke beslismedewerker te worden beoordeeld op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3.4

Eisers hebben vervolgens bij brief van 6 juni 2019 een document van de ambassade van Sierra Leone te Brussel overgelegd waarin op een kopie van de overgelegde geboorteakte is geschreven: “This is to certify that this document is a true copy of the orginal”.

3.5

In het ‘Weerwoord’ van 23 juli 2019 stelt Bureau Documenten dat het bovengenoemde document van de ambassade niet tot een ander oordeel leidt, omdat de ambassade niet ingaat op de bevindingen van bureau Documenten.

3.6

Op 14 september 2020 is door eisers een brief overgelegd van de ambassade van Sierra Leone te Brussel waarin is gereageerd op de bevindingen van Bureau Documenten. Daarin is onder meer vermeld:

“(…) That ALL documents issued by the competent authority (central or local level) on behalf of the Government of Sierra Leone vary in terms of material presentation. In other words, it is possible for a document issued by the authorities in Freetown, the Capital, to be different from that in Bo, which is a regional town. This is why the Consular Section ensures to thoroughly inspect documents for their originality and as well as examine the signature(s) before ever they are legalized. (…)”

3.7

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in de uitspraken van 28 februari 20201 geoordeeld dat verweerder in beginsel ervan mag uitgaan dat een Verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van verweerder als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) met zich meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de Verklaring van onderzoek. Zo een situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een Verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Verweerder kan Bureau Documenten dan onder meer nader bevragen over de totstandkoming van de conclusies om te controleren of een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

3.8

Verweerder heeft op de zitting nader toegelicht dat het document van 6 juni 2019 van de ambassade door verweerder als een contra-expertise is aangemerkt, maar dat de bevindingen van Bureau Documenten daar niet in weersproken worden. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken niet blijkt of Bureau Documenten kennis heeft genomen van de brief van de ambassade van 14 september 2020 en het daarin genoemde aandachtspunt, te weten dat de opmaak van de geboorteaktes per regio kan verschillen. Op de zitting heeft verweerder ook geen duidelijkheid kunnen geven op de vraag of dit aandachtspunt is geverifieerd bij Bureau Documenten. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van Bureau Documenten vragen oproepen omdat daaruit niet duidelijk kan worden afgeleid waarom de vaststelling dat de opmaak en afgifte van de geboorteaktes afwijkt, leidt tot de conclusie dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Uit de bevindingen van Bureau Documenten blijkt niet in welk opzicht de opmaak en afgifte van de geboorteaktes afwijkt en met welke soort documenten deze zijn vergeleken. Dat Bureau Documenten specificaties betreffende de afwijkingen die zijn vastgesteld niet in detail wil vermelden, omdat deze informatie van dien aard is dat het openbaar maken daarvan (toekomstige) onderzoeksprocessen schade kan toebrengen, doet niet af aan de vergewisplicht van verweerder. Verweerder had nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht door zich bijvoorbeeld te wenden tot Bureau Documenten voor een nadere toelichting en de uitkomsten daarvan te betrekken in de motivering van zijn besluit. Door dit na te laten en de bevindingen van Bureau Documenten niettemin ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de op grond van artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht.

3.9

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de originele geboorteaktes niet zijn vrijgegeven voor het laten verrichten van nader onderzoek door de ambassade. Het standpunt van verweerder dat de ambassade onvoldoende technische expertise heeft om het onderzoek deugdelijk uit te voeren, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank acht dit standpunt onbegrijpelijk en tegenstrijdig met de brief van verweerder van 18 maart 2019, waarin door verweerder de mogelijkheid wordt geboden de originele geboorteaktes vrij te geven voor nader onderzoek door de ambassade, indien daartoe een schriftelijk verzoek door de betreffende ambassade wordt gedaan. Zonder nadere motivering kan de rechtbank niet volgen waarom verweerder in het bestreden besluit terugkomt op de in deze brief aangeboden mogelijkheid.

Tussenconclusie

3.10

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Identiteit

4.1

Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt, constateert de rechtbank dat verweerder deze weigeringsgrond in het bestreden besluit voor het eerst heeft tegengeworpen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van 13 september 20172, blijkt dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb volgt dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt en dat de bezwaarschriftenprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Door het hanteren van een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond wordt niet buiten de grenzen getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar. In tegenstelling tot hetgeen eisers betogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit dus een nieuwe weigeringsgrond mogen hanteren en was verweerder niet gehouden om slechts op de door eisers aangevoerde bezwaargronden te reageren. De beroepsgrond faalt dan ook.

4.2

Eisers hebben in beroep geen inhoudelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond dat eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank constateert evenwel dat verweerder aan deze weigeringsgrond dezelfde motivering ten grondslag heeft gelegd als aan de weigeringsgrond dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk is gemaakt. Volgens verweerder hebben eisers met de door hen overgelegde geboorteaktes, gelet op de eerdergenoemde bevindingen van Bureau Documenten, ook hun identiteit niet aannemelijk gemaakt. Nu uit rechtsoverwegingen 3.8 tot en met 3.10 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit op dit punt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek vertoont en een nieuw besluit dient te volgen, overweegt de rechtbank dat dit logischerwijs ook gevolgen heeft voor de motivering van verweerder in een nieuw te nemen besluit dat eisers hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt.

Feitelijke gezinsband

5.1

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van verweerder, dat de feitelijke gezinsband als verbroken wordt beschouwd, is de rechtbank met eisers van oordeel dat verweerder hen ten onrechte niet heeft gehoord.

5.2

De rechtbank overweegt dat op verweerder de verplichting rust het besluit voldoende zorgvuldig voor te bereiden en voldoende te motiveren. Verweerder kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt.

5.3

De Afdeling heeft in de uitspraken van 1 april 20203 en 16 september 20194 geoordeeld dat verweerder bij de beoordeling of de feitelijke gezinsband is verbroken een individuele beoordeling dient te maken waarbij hij rekening dient te houden met alle relevante elementen van het geval, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van

13 maart 2019 inzake E. tegen Nederland.5

5.4

Gelet op de omstandigheden die eisers in de bezwaarfase hebben aangevoerd, namelijk dat rekening gehouden dient te worden met de asielachtergrond van referent en dat het voor referent jarenlang onmogelijk was in contact te komen met eisers omdat hem niet bekend was waar eisers verbleven, kan niet op voorhand worden gezegd dat redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander oordeel. Het bezwaar was daarom niet kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

6. Uit rechtsoverwegingen 3.8 tot en met 3.10 en 5.4 van deze uitspraak volgt dat in het bestreden besluit sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en een schending van de hoorplicht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf tot finale geschilbeslechting te komen, gelet op de aard van de gebreken. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

7. De rechtbank draagt verweerder bij het nieuw te nemen besluit op de originele geboorteaktes te doen toekomen aan de ambassade van Sierra Leone voor nader onderzoek naar de authenticiteit ervan, ofwel deze documenten vrij te geven zodat eisers de documenten kunnen toen toekomen aan de ambassade van Sierra Leone nadat concrete afspraken zijn gemaakt over de teruggave van deze documenten aan verweerder. Daarnaast draagt de rechtbank verweerder op voorafgaand aan het nieuw te nemen besluit eisers en/of referent te horen over in elk geval de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent, de identiteit van eisers en de feitelijke gezinsband, voor zover verweerder deze afwijzingsgronden handhaaft.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 534,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Yeşilgöz, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.S. Kempers, griffier.

griffier

rechter

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 ECLI:NL:RVS:2020:628 en ECLI:NL:RVS:2020:636

2 ECLI:NL:RVS:2017:2483

3 ECLI:NL:RVS:2020:982

4 ECLI:NL:RVS:2019:3147

5 ECLI:EU:C:2019:192