Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9134

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
NL21.7858
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Oostenrijk – terugname situatie - bestreden besluit vernietigd – rechtsgevolgen blijven geheel in stand – beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.7858


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J.A. Tegenbosch),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn partner en haar ouders zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Syrische nationaliteit te bezitten. Hij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw.1 Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening2 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. De partner van eiser woont in Nederland en hij stelt een gezinslid van haar te zijn in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Hun relatie moet gelijk gesteld worden met een duurzame relatie die bescherming verdient op grond van artikel 8 van het EVRM.3 De relatie tussen hen bestond al in Syrië en heeft na het vertrek van zijn partner naar Nederland altijd stand gehouden. Eiser gaat zich binnenkort verloven met haar. Het feit dat de verloving op afstand is geregeld, doet niets af aan het reeds bestaan van de relatie in Syrië. Het is niet relevant of het voorgenomen huwelijk, gezien de minderjarigheid van eisers partner, erkend wordt door Nederlandse maatstaven en normen, omdat de definitie van gezinslid in de Dublinverordening hier geen normen over stelt. Eiser betwist dat een met het huwelijk gelijk te stellen relatie beperkt mag worden naar de Nederlandse norm.

4. Eerst ter zitting heeft verweerder zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er sprake is van een terugnamesituatie en dat er daarom geen beroep mogelijk is op artikel 9 van de Dublinverordening. Verweerder verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU4 van 2 april 2019.5 Ook verwijst verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 26 april 20196, waarin wordt verwezen naar het eerder genoemde arrest van het HvJ EU. Indien een derdelander in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming doet, deze lidstaat daarna verlaat en vervolgens in een tweede lidstaat een nieuw verzoek om internationale bescherming indient, kan hij zich in beginsel niet beroepen op het in artikel 9 van de Dublinverordening neergelegde verantwoordelijkheidscriterium. Een uitzondering hierop is artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Deze uitzondering is niet aan de orde.

5. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om ter zitting te reageren op het nieuwe standpunt van verweerder. Eiser stelt dat hij nooit de intentie had om asiel te vragen in Oostenrijk, aangezien hij bij zijn partner in Nederland wil verblijven. Hij had geregistreerd moeten worden met een illegale grensoverschrijding en niet met een verzoek om internationale bescherming. Het betreft een registratiefout door de Oostenrijkse autoriteiten. Er hoort dus sprake te zijn van een overnamesituatie, waarbij een beroep op artikel 9 van de Dublinverordening wel mogelijk is.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat de registratie van eiser in Eurodac door de autoriteiten van Oostenrijk zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van een registratiefout. Hierin is eiser niet geslaagd.

7. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat uit Eurodac blijkt dat er geen sprake is van een illegale grensoverschrijding in Oostenrijk, maar een verzoek om internationale bescherming. Daarbij is ook van belang dat verweerder in het terugnameverzoek expliciet heeft opgenomen dat eiser ontkent in Oostenrijk asiel te hebben aangevraagd. Verweerder heeft daarom ervan uit mogen gaan dat de Oostenrijkse autoriteiten gecontroleerd hebben of eiser daadwerkelijk een asielverzoek heeft ingediend in Oostenrijk voordat zij het terugnameverzoek accepteerden. De enkele ontkenning van eiser dat hij in Oostenrijk asiel heeft aangevraagd en dat hij die intentie ook nooit heeft gehad, leidt er niet toe dat verweerder niet van de aanvaarding van het terugnameverzoek door Oostenrijk heeft mogen uitgaan. Eiser heeft eerst in Oostenrijk een asielverzoek ingediend en na het verlaten van Oostenrijk heeft hij een asielverzoek in Nederland ingediend. Eiser heeft zijn in Oostenrijk ingediende verzoek niet ingetrokken tijdens de procedure tot het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat, waardoor hij niet valt onder de situatie van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Om die reden is er sprake van een terugnamesituatie. Gelet op de uitspraak van de Afdeling7 van 31 oktober 20198 is er geen beroep mogelijk op de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening, waaronder artikel 9. Of de relatie al voor het vertrek van eiser bestond, en of een huwelijk tussen eiser en zijn partner al dan niet rechtsgeldig tot stand kan komen, behoeft dan ook verder geen bespreking.

8. Dit brengt met zich dat verweerder moet worden gevolgd in het ter zitting ingenomen standpunt. Wel hecht de rechtbank eraan op te merken dat deze werkwijze van verweerder, waarbij eerst ter zitting een volledig nieuw standpunt wordt ingenomen zonder eerst een wijzigingsbesluit te nemen of een verweerschrift in te dienen, bepaald niet de schoonheidsprijs verdient. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiser hierdoor onaangenaam is verrast, maar hecht ook waarde aan de omstandigheid dat eiser ter zitting op het nieuwe standpunt van verweerder kunnen reageren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het nieuwe standpunt van verweerder wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

9. Aangezien verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aan artikel 9 van de Dublinverordening heeft getoetst, bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.9 Het nieuwe standpunt van verweerder is echter wel juist en leidt tot dezelfde uitkomst, te weten het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1496,- (veertienhonderdzesennegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Verordening (EU) Nr. 604/2013.

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4 Hof van Justitie van de Europese Unie.

5 Arrest in de gevoegde zaken C-582/17 & C-583/17, H., R. tegen staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, ECLI:EU:C:2019:280.

6 ECLI:NL:RBDHA:2019:8673.

7 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8 ECLI:NL:RVS:2019:3672.

9 Algemene wet bestuursrecht.