Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9132

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
NL21.8248
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht; asiel. Verweerder is ten onrechte voorbijgegaan aan verklaringen van de vreemdeling die zijn gestelde fundamentele politieke overtuiging en problemen daardoor onderbouwen en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij deze bevreemdingwekkend en/of ongeloofwaardig acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.8248


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).


Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 7 juni 2021 heeft hij zijn beroepsgronden ingediend, die hij nog heeft onderbouwd in het stuk van 23 juni 2021.

De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum eiser].

Aan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd.

Hij heeft vanaf achttien- of negentienjarige leeftijd een kritische politieke overtuiging gehad tegenover de politieke inmenging door de Iraanse autoriteiten in de Iraanse sportwereld. Zeventien of achttien jaar later is hij overgegaan tot het uiten van zijn overtuiging door journalistieke activiteiten. Toen eiser tijdens een toernooi op 8 februari 2019 een artikel, dat hij vanwege deze overtuiging had geschreven, aan [naam 2] van de website Irana en later aan een andere journalist, [naam 3], heeft laten zien, ontstond er een discussie met [naam 3] over de inhoud van dat artikel. De dag daarna is eiser opgepakt en meegenomen door de Iraanse inlichtingendienst, de Sepah. Hij is ondervraagd en gemarteld en is na twee dagen vrijgelaten. Daarna moest hij zich nog enkele keren melden en is hij bedreigd. Hij is daarom op 28 maart 2019 gevlucht uit Iran en via Turkije en Griekenland naar Nederland gereisd. Hij heeft zich op 31 maart 2019 gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Na eisers vertrek is de Sepah nog enkele keren bij zijn familie langs geweest op zoek naar hem. Eiser vreest daarom bij terugkeer naar Iran te zullen worden vervolgd vanwege zijn politieke overtuiging.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. betrokkene heeft geen religie;

  3. fundamentele politieke overtuiging; en

  4. problemen als gevolg van kritische artikelen.

2.1

Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, evenals dat hij geen religie heeft. De fundamentele politieke overtuiging en problemen als gevolg van kritische artikelen heeft verweerder ongeloofwaardig bevonden. Hij heeft daarom eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.

3. Voordat de rechtbank de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas aan de hand van zijn beroepsgronden zal beoordelen, zal zij voor een goed begrip duidelijk maken hoe zij het asielrelaas, voor zover dat gaat over de drie artikelen die eiser heeft geschreven, begrijpt op basis van de gehoren, de vertalingen van de drie door eiser overgelegde artikelen en van wat eiser daarover tijdens de zitting heeft verklaard.

Het (eerste) artikel “Wat is de rol van federaties bij de sport” heeft eiser volgens zijn verklaring geschreven enige tijd voor het toernooi van 8 februari 2019. Hij heeft dit aangeboden aan de website Irana, maar [naam 2] van die site heeft dit niet willen publiceren omdat hij het artikel te kritisch vond.

Het (tweede) artikel “Pathologie van de 39e ronde van wereldkampioenschap de Wereldkampioen Takhti” is op 21 januari 2019 gepubliceerd en heeft volgens eiser niet tot problemen voor hem geleid.

Het (derde) artikel “Scheiding van politiek en sport en de schade van politieke inmenging in Iraanse sport” (hierna: het artikel), dat niet is gepubliceerd, is het artikel dat eiser in de problemen heeft gebracht. Volgens eisers verklaring (p. 4 van het rapport Nader gehoor) had hij dat de avond ervoor geschreven. Dat is het artikel dat hiervoor onder 1 bij de omschrijving van het asielrelaas is genoemd en waar het in deze zaak om draait. In zoverre gaat verweerder dus in het voornemen (onderaan p. 4 en bovenaan p. 5) uit van een verkeerde lezing van de verklaringen van eiser waar hij in het voornemen spreekt van problemen als gevolg van kritische artikelen (in meervoud) die zijn gepubliceerd. Er is één artikel gepubliceerd volgens de verklaring van eiser en dat is het artikel van 21 januari 2019 en of dat nu als kritisch moet worden beschouwd of niet (verweerder zegt van niet en eiser zegt van wel): hierdoor is hij niet in de problemen gekomen volgens zijn eigen verklaring.

De rechtbank stelt verder voorop dat niet in geschil is dat eiser (freelance) sportjournalist is (volgens eisers gemachtigde ter zitting: “sportjournalist in hart en nieren”) die artikelen publiceerde (onder meer op de website Mazand Sport).

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn (fundamentele) politieke overtuiging ongeloofwaardig vindt. Onder verwijzing naar het schriftelijke gehoor van 22 december 2020 voert hij aan dat hij blijk heeft gegeven van zijn fundamentele politieke overtuiging.

4.1

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn politieke overtuiging voor hem belangrijks is. Hiertoe overweegt zij als volgt.

In het schriftelijke gehoor van 22 december 2020 heeft eiser verklaard dat hij tijdens de discussie met [naam 3] op 8 februari 2019 met hem heeft ‘(…) geargumenteerd tegen het verkeerde beleid van de regering, het idealisme, de ideologische en extremistische kwesties die zich niet in de sport zouden moeten mengen. Ik zei: “Dit schaadt de geest van sport, namelijk gelijkheid, broederschap, vriendschap, eerlijkheid en de verbinding van culturen.”

Uiteindelijk dreigde hij dat ik voor mijn uitspraken verantwoordelijk zou worden gehouden. Uiteindelijk leidden de discussies tussen mij en de verslaggever [die later [naam 3] bleek te heten, toev. Rechtbank] tot mijn arrestatie, intimidatie en marteling. De verslaggever vroeg me: “Waarom schreef jij dit artikel dat niet binnen onze religieuze overtuigingen valt?” Ik antwoordde: “Deze religieuze en politieke overtuigingen zijn schadelijk voor onze sport.” We zien in vergelijking met de internationale gemeenschap hoe zwak we in sport zijn. We hebben onze internationale zetels verloren, en de belangrijkste reden is dat we niet tegen onze Israëlische tegenstanders willen spelen. Een duidelijk voorbeeld is dat Iraanse schakers, judoka's en worstelaars niet tegen Israëlische tegenstanders mochten spelen. Dit is een gevaar voor onze sport. Onze vrouwen mogen het stadion niet betreden. Een ander voorbeeld is dat de vrouwen niet deelnemen aan sporten als zwemmen, gymnastiek enz. Meneer de verslaggever: (Dit is een terechte kritiek). (…)’.

Vervolgens verklaarde eiser over het verdere verloop van het gesprek met [naam 3] over de gebeurtenissen in de Iraanse sportwereld, waarna hij het volgende heeft verklaard:

Ik zei: “Ons land verbiedt het verliezen en zelfs handen schudden of naast Israëlische atleten te staan, terwijl Palestijnse atleten als team met Israëlische atleten strijden.” Zelfs Palestijnse atleten voetballen in Israëlische clubs. Dit is normaal voor het Palestijnse volk en dit krijgt in de Palestijnse media geen aandacht, maar het is voor onze atleten een leerstellige waarde geworden, en ik denk niet dat de meerderheid van de sportgemeenschap het accepteert. De verslaggever [[naam 3] dus, toev. rechtbank] zei: “Dit zijn al onze religieuze, islamitische en geloofsplichten. We hebben de plicht ernaar te handelen. We volgen de lijn van Imam Khomeini en onze leider.” Ik zei: “Deze kwesties, de overtuigingen en idealen, hebben ervoor gezorgd dat we simpelweg naar de essentie van sport, bijvoorbeeld de Olympische spelen, kijken en ons aan waardeloze binnenlandse en buitenlandse competities vastklampen.” Het belangrijkste is dat we voor onszelf de solidariteitswedstrijden voor islamitische landen hebben gelanceerd en ons hebben afgescheiden van de grote wereld- en Olympische competities. Het maakt de functionarissen in ons land niet uit of de sportelites verdwijnen of emigreren. Het hele doel van de Islamitische Republiek is om solidariteitswedstrijden in Islamitische landen te houden waar de Islamitische wet wordt nageleefd, zodat het al zijn ideologieën kan implementeren.

“Als sportverslaggever mag je geen commentaar geven op voorrechten en de rode lijnen van dit land”, zei de verslaggever. U bent niet in de positie om dat te zeggen. Als journalist moet je het met de overheid eens zijn en mag je met je pen de samenleving niet vergiftigen. U moet verantwoordelijk zijn voor dit artikel en deze lezing.

Ik zei: “Als kleine verslaggever uit een grote familie verslaggevers heb ik de plicht om de feiten op te schrijven. Het is onze taak als verslaggevers om de problemen of de sterke en zwakke punten van de sportgemeenschap te weerspiegelen.”

De verslaggever zei: “Dus je hebt een probleem met dit systeem?’’ Ik zei: “Ja, als er een dergelijk systeem is dat we sport zien vernietigen, dan heb ik er een probleem mee.”

(…)

De inhoud van het artikel dat ik schreef: “Scheiding van politiek en sport en de schade

van de politieke inmenging in sport.

(…)

De filosofie van sport en de Olympische beweging is vriendschap, gelijkheid, broederschap en eenheid van naties.

Door zich af te scheiden van wereldtoernooien en de Olympische spelen, en door competities te organiseren in islamitische landen, wil Iran de islamitische wereld scheiden van de wereldsport om zijn islamitische wetten daarin vast te stellen en te implementeren.

In de hoop dat de Iraanse sport op een dag vrij zal zijn van ideologische kwesties en dat de mannen en vrouwen zonder enige beperking aan wereld- en Olympische wedstrijden naast wereldatleten zullen deelnemen. (...)’.

Eisers verklaringen duiden erop dat hij het belangrijk vindt dat de Iraanse sportwereld losgekoppeld wordt van de Iraanse staat omdat politieke inmenging daarin schadelijk is. Verweerder heeft deze verklaringen niet kenbaar betrokken bij de besluitvorming.

De verklaringen duiden er verder op dat eiser het als zijn plicht beschouwt om de problemen als gevolg van de politieke inmenging in de Iraanse sportwereld aan het licht te brengen. In het nader gehoor licht eiser de reden toe waarom hij in dit verband het artikel heeft geschreven dat hem in de problemen heeft gebracht. Daarover verklaart hij het volgende (p. 10 van het rapport Nader gehoor):

Ik was een journalist die in de maatschappij woonde en zijn werk deed. Een tijdje was ik ook zelf sportief actief. En ik had van dichtbij de problemen van de sporters in de maatschappij meegemaakt en gezien. Mijn familie, namelijk mijn zus en broer waren ook sportief en de problemen hadden hun ook geraakt. En als iemand die van dichtbij de problemen had gezien en meegemaakt voelde ik mij verantwoordelijk om over die problemen en mijn mening daarover te schrijven. Ik was ook aanwezig bij verschillende worstel competities en ik heb hun verhalen gehoord en de problemen van dichtbij gezien. Ik was van hetzelfde soort, met andere woorden ik was ook beschadigd. Al die problemen, vooral de aanwezigheid van niet sportieve mensen aan de top van de landelijke sportwereld. Door hun regels en wetten zijn de sportwereld en sporter beschadigd. Dat had vreselijke schade aangericht aan onze sport. Ze hadden ideologische ideeën over sport en ze hebben hun ideologie op de sportwereld toegepast.

(…) Ze hebben het opgelegd hun ideologie op sport. Hun ideologie was in een paar groepen verdeeld en dat waren de redenen dat ik mijn artikel had geschreven. Ik zal de groepen noemen. Ik heb er in mijn schriftelijk gehoor uitleg gegeven’

Deze verklaringen duiden erop dat eiser solidariteit en empathie ervaart voor andere Iraanse sporters, ook omdat hij zelf geraakt werd door de politieke inmenging die hij als schadelijk ervaart. Zo spreekt eiser erover dat hij zelf ook “beschadigd” is. Toen hij hierover om toelichting werd gevraagd, verklaarde eiser (p. 10 van het rapport Nader gehoor): ‘Toen ik aan sportactiviteiten deed, niet op top positie, toen wilde ik niet hun regels nakomen. Daardoor mocht ik niet aan de sportactiviteiten van mijn stad deelnemen. Ze weigerden mij toegang tot bepaalde sportactiviteiten. Ze vonden mij niet bevoegd.

Toen eiser is gevraagd aan welke regels hij niet wilde voldoen, verklaarde hij dat men gedwongen moest meedoen aan een optocht en “dood aan Amerika” en “dood aan Israël” moest roepen en dat hij daar niet aan wilde meedoen. Over de reden daarvoor verklaarde eiser (p. 10-11 van het rapport Nader gehoor): ‘Het heeft met mijn mentaliteit en overtuiging te maken. Ik geloof dat alle mensen op deze wereld gelijk zijn. Want als de overheid problemen heeft met de overheid van Israël moeten ze de mensen er niet bij betrekken maar moeten ze het zelf oplossen. Dit heeft niet met de relatie van mens tot mens te maken.

Ook aan deze verklaringen is verweerder ten onrechte voorbijgegaan. Anders dan verweerder stelt heeft eiser dus niet “slechts” verklaard dat zijn familie ook bezig was met sport, dat hij zelf ooit sportte en dat hij het als journalist zijn plicht vond om deze dingen te beschrijven zodat andere mensen het konden zien en om te zorgen dat het niet meer zou gebeuren. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn standpunt dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt welke ervaringen hem hebben bewogen tot het uiten van zijn politieke overtuiging.

4.2

Verweerder overweegt verder dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij significante kritiek op de Iraanse autoriteiten heeft geuit en dat hij dan ook geen blijk gegeven van een fundamentele politieke overtuiging. Verweerder betrekt daarbij de verklaringen van eiser dat zijn artikel volgens de Iraanse wetgeving en regels was en dat

het absoluut niet beledigend was (nader gehoor, p. 12), dat wat hij had geschreven volgens de regels in zijn land was en dat hij niemand had beledigd in zijn artikel (nader gehoor, p. 13) en dat zijn artikelen in het kader van de binnenlandse regels en de wet waren, dat hij niemand heeft beledigd in zijn artikelen en dat hij de ordelijnen die gelden in het land niet

heeft overtreden (nader gehoor, p. 15). De rechtbank kan dit niet volgen. Dat eiser meende oprecht te zijn in zijn artikel zou alleen maar onderschrijven dat hij een fundamentele politieke overtuiging heeft en het feit dat eiser – vanuit die overtuiging – meende geen kritiek te leveren op de Iraanse autoriteiten maar alleen een eerlijke beschrijving te geven van wat er volgens hem in Iran op het gebied van sport aan de hand is, sluit niet uit dat de Iraanse autoriteiten dit als kritiek beschouwen. Gezien de tekst van het artikel ligt dit zelfs voor de hand. Naar het oordeel van de rechtbank overweegt verweerder niet afdoende gemotiveerd dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij significante kritiek op de Iraanse autoriteiten heeft geuit en dat hij dan ook geen blijk heeft gegeven van een fundamentele politieke overtuiging.

4.3.

De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich, met enkel de (door eiser niet betwiste) tegenwerping dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de periode waarin hij een kritische innerlijke overtuiging had over de Iraanse Islamitische Republiek, onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers fundamentele politieke overtuiging ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte zijn problemen als gevolg van zijn kritische artikelen ongeloofwaardig heeft geacht. In dit verband voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ongerijmd heeft verklaard over de gebeurtenissen bij het toernooi op 8 februari 2019 en dat hij ten onrechte geen verband heeft gezien tussen deze gebeurtenissen en zijn arrestatie. Verweerder heeft volgens eiser ook miskend of in ieder geval onvoldoende acht geslagen op het gegeven dat eiser gedetailleerd heeft verklaard over de arrestatie en dat hij littekens afkomstig van de marteling heeft laten zien. In dit verband heeft verweerder verder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij op legale wijze is uitgereisd. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte hem niet gevolgd in zijn verklaringen over de bedreigingen door de Sepah, aldus eiser.

5.1

Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte ongerijmd geacht dat eiser zijn artikel aan [naam 3] heeft laten zien tijdens het toernooi, terwijl hij naar aanleiding van commentaar van [naam 2] op het artikel zich ervan bewust was dat het artikel scherp was. Zoals reeds overwogen ging eiser volgens zijn verklaringen ervan uit dat het artikel aan de daaraan te stellen voorwaarden voldeed. Een verbod van het artikel en de mogelijke schadelijke gevolgen daarvan heeft eiser in het licht hiervan niet hoeven verwachten, te meer nu eiser met andere journalisten bij het toernooi aanwezig was in een internationale setting, waar volgens eisers verklaring informatie wordt uitgewisseld en over sportonderwerpen wordt gesproken en gediscussieerd. Dat laatste komt de rechtbank – anders dan verweerder overweegt – niet op voorhand ongeloofwaardig voor. Bovendien heeft eiser ook verklaard geen tijd te hebben gehad om na te denken over de kritiek van [naam 2] wanneer verweerder aan eiser heeft gevraagd of hij zich geen zorgen ging maken naar aanleiding deze kritiek (p. 12 van het rapport Nader gehoor). Om diezelfde reden volgt de rechtbank ook niet wat verweerder ter zitting daarover nog heeft gesteld, namelijk dat hij het, bezien tegen de achtergrond van de situatie waarin eiser zich bevond, bevreemdingwekkend vindt dat dat hij een door hem geschreven (kritisch) artikel liet zien aan hem onbekende mensen omdat dat daar erg gevoelig ligt.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder, zonder nadere motivering, niet worden gevolgd in zijn standpunt dat voormelde gedraging van eiser dusdanig ongerijmd en bevreemdingwekkend is dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas als geheel. Hiermee is dus een belangrijke pijler van verweerders geloof-waardigheidsbeoordeling ondeugdelijk gebleken want omdat verweerder eisers verklaringen over de gebeurtenissen op de persconferentie ongeloofwaardig vindt, vindt hij ook de gebeurtenissen die volgens eiser daarna hebben plaatsgevonden (arrestatie door de Sepah) niet geloofwaardig. Verweerder handelt hiermee in strijd met werkinstructie 2014/10, waarin is bepaald dat hij zo veel mogelijk gebeurtenissen op hun eigen merites dient te beoordelen. Ten onrechte is verweerder naar oordeel van de rechtbank in dit verband voorbijgegaan aan de gedetailleerde verklaringen die eiser heeft afgelegd over de gebeurtenissen tijdens zijn detentie (in het schriftelijke gehoor en p. 3-8 van het rapport Nader gehoor).

5.3

Verweerder overweegt verder ten onrechte dat het door eiser benoemde verband van de discussie met [naam 3] over het artikel – dat hij naar zijn eigen verklaring (rapport Nader gehoor p. 4) de avond ervoor had geschreven – en zijn arrestatie de volgende dag is gebaseerd op een niet onderbouwd vermoeden en dat eiser hiervoor geen concrete aanwijzingen heeft gegeven. Verweerder stelt terecht voorop dat eiser geen documenten heeft overgelegd die de gestelde arrestatie, detentie en vrijlating onder voorwaarden (zoals een arrestatiebevel of een verklaring van borgtocht) ondersteunen en dat het dus aankomt op de beoordeling of eisers verklaringen over de arrestatie, detentie en vrijlating geloofwaardig zijn. Ten onrechte echter stelt verweerder zich vervolgens op het standpunt dat deze verklaringen niet geloofwaardig zijn omdat wat eiser heeft verklaard over de gebeurtenissen op 8 februari 2019 ongerijmd is. Over dat laatste heeft de rechtbank hiervoor onder 5.1 al geoordeeld dat verweerder die verklaring over de gebeurtenissen op 8 februari 2019 ten onrechte ongerijmd/bevreemdingwekkend heeft bevonden. Daarbij komt dat eiser in beroep met zijn nadere stuk van 23 juni 2021 wel enige onderbouwing heeft gegeven voor zijn vermoeden, in die zin dat [naam 3] eigenaar is van het bekende Farsi-Engelse tijdschrift Donya-e Koshti, dat hij zich zelf internationaal sportreporter noemt op Instagram en Picuki, waar hij meldt dat de visie van het Iraanse regime hoger is dan andere zaken en waar hij steun betuigt aan het Iraanse regime.

5.4

Verder heeft verweerder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat ongerijmd is dat hij gecontroleerd heeft kunnen uitreizen, terwijl hij stelt te zijn beschuldigd en gemarteld wegens zijn kritische uitlatingen. Eiser heeft verklaard 50 miljoen toman te hebben betaald zodat een uitreis voor hem kon worden geregeld. Kennelijk doelt eiser op corruptie, wat

(ook gelet op het algemeen ambtsbericht over Iran van februari 2021, p. 68, wijdverbreid is bij uitreizen, zelfs indien, anders dan in het geval van eiser, een uitreisverbod is opgelegd) niet op voorhand ongeloofwaardig is. Indien verweerder ongerijmd acht dat eiser door middel van een geldsom een legaal vertrek heeft kunnen realiseren, lag het op zijn weg om hem hierop te bevragen. Dat verweerder dit heeft nagelaten en niettemin zich op het standpunt stelt dat hij ongerijmd en/of inconsistent acht dat hij hiermee heeft kunnen uitreizen, zal verweerder – ook erop gelet dat eiser problemen heeft met de Iraanse autoriteiten – nader moeten motiveren.

5.5

Verweerder heeft ten slotte ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien hoe de Sepah op zoek naar eiser bij zijn broer is langs geweest, omdat eiser zou hebben verklaard geen contact meer te hebben met zijn familie in Iran. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het aanmeldgehoor op 2 april 2019 heeft verklaard geen contact meer te hebben gehad met zijn familie (p. 14 van het rapport Aanmeldgehoor). De rechtbank stelt verder vast dat eiser tijdens het nader gehoor op 25 mei 2021 heeft verklaard (p. 9 van het rapport Nader gehoor): ‘Ik was afgestoten van familie. ik raakte geïsoleerd, ik vertrouwde niemand en was bang voor alles’. Verweerder heeft echter niet kenbaar bij de besluitvorming betrokken dat eiser ook het volgende heeft verklaard (p. 16 van het rapport Nader gehoor): ‘Toen ik voor het eerst na terugkomst van Kermanshah werd opgeroepen door Sepah was ik echt in een hele slechte toestand. Ik was geïsoleerd van mijn familie wegens mijn geestelijke problemen. En de angst en paniek had mijn leven in zijn macht genomen. De familie toen had besloten om mij uit die angst en zorg en spanning te helpen. Toen met behulp van de man van mijn zuster heb ik het besproken. (…)’. Deze verklaringen duiden erop dat eiser tijdens het nader gehoor duidelijk heeft willen maken dat hij zich door alle (geestelijke) problemen geïsoleerd voelde van zijn familie, niet dat hij feitelijk geen contact meer had met zijn familie na zijn vertrek. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat eiser inconsistent heeft verklaard met de stelling in zijn zienswijze dat hij weinig contact heeft met zijn familie, nu niet uit te sluiten valt dat eiser – zoals hij ook in beroep aanvoert – na het aanmeldgehoor contact heeft kunnen krijgen met zijn familie, waardoor hij ook op de hoogte heeft kunnen geraken van de bezoeken door de Sepah aan zijn broer. Indien voor verweerder onduidelijk was hoe eiser ervan op de hoogte is geraakt van deze bezoeken, had het op zijn weg gelegen om eiser hierover te bevragen tijdens het nader gehoor. Dat heeft hij ten onrechte nagelaten.

5.6

Wat hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij eisers problemen als gevolg van zijn kritische artikelen ongeloofwaardig heeft geacht. Ook deze beroepsgrond slaagt.

6. De rechtbank ziet vanwege de omvang van het benodigde herstel geen mogelijk-heden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder moet daarom binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ook al heeft eiser ongerijmde verklaringen afgelegd over de periode waarin hij een kritische innerlijke overtuiging had over de Iraanse Islamitische Republiek (hij had de kritische overtuiging sinds hij zelf aan het sporten was op zijn 18e/19e, maar heeft pas 17 of 18 jaar later de kritische artikelen geschreven; voornemen p. 3), welke verklaringen hij in dit beroep niet heeft betwist, en ook al heeft eiser niet bestreden dat hij niet in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten stond (voornemen p. 4 onderaan/p. 5 bovenaan), zal verweerder kenbaar moeten motiveren wat hij van de overige verklaringen van eiser vindt en, indien hij die verklaringen overtuigend vindt, waarom deze verklaringen de eerder genoemde ontoereikende verklaringen niet kunnen compenseren.

7. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid vanmr. A.A. Faulborn, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.