Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:9018

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
NL20.15077
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

• Referentiekader

• Onvoldoende gemotiveerd

• Homoseksuele geaardheid

• Gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15077


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. N.M. Weteling),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).


Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021, te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Shaljan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1977 en heeft de Georgische nationaliteit. Op 24 november 2018 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden door zijn (homo)seksuele geaardheid. Hij is afkomstig uit de stad [plaatsnaam] en heeft daar een relatie gehad met een andere man, genaamd [naam]. Eiser was destijds nog getrouwd met zijn ex-echtgenote. Eisers seksuele geaardheid is bekend geworden nadat de echtgenote van [naam] foto’s en berichten heeft laten zien aan eisers familie. Daarop heeft eiser problemen ondervonden.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. Betrokkene stelt homoseksueel te zijn;

  3. Betrokkene stelt in Georgië problemen te hebben ondervonden vanwege zijn geaardheid.

Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig en het tweede en derde element ongeloofwaardig geacht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat hij hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De LHBTI-coördinator

5. Volgens eiser blijkt uit het dossier niet dat de beslismedewerker overleg heeft gevoerd met een LHBTI-coördinator, terwijl uit Werkinstructie 2019/171blijkt dat dit wel van verweerder wordt verlangd.

6. In de werkinstructie staat dat er op elke locatie van verweerder LHBTI-coördinatoren aanwezig zijn. In elk zaak waarin een LHBTI-motief speelt, dient een LHBTI-coördinator geraadpleegd te worden voordat het besluit genomen wordt.2 Daarnaast kunnen deze coördinatoren benaderd worden voor vragen.

7. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat tijdens de besluitvorming op 1 april 2020 en 7 juni 2020 een LHBTI-coördinator is geraadpleegd. Dit is gebleken uit een interne minuut. Verweerder heeft hiermee conform de werkinstructie gehandeld. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, is niet vereist dat verweerder ook kenbaar maakt wat met de LHBTI-coördinator is besproken.3 Deze beroepsgrond treft geen doel.

Het referentiekader

8. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten te motiveren op welke wijze rekening is gehouden met zijn referentiekader. Eiser heeft daarop in de zienswijze een referentiekader geschetst.4 Hierbij is tevens landeninformatie opgenomen over de achtergrondsituatie betreffend homoseksualiteit en homoseksuelen in Georgië.5 Hieruit blijkt onder andere dat familieleden van LHBTI-personen hen bij ontdekking bloot kunnen stellen aan psychologisch of fysiek geweld en dat dit komt door de patriarchale samenleving met een sterke homofobe sfeer.6

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser eerder in de procedure op belemmeringen bij het horen had moeten wijzen, indien die er waren. Eiser heeft tijdens geen van de gehoren aangegeven dat hij moeite heeft met verklaren over zijn gevoelens. Daarnaast wijst verweerder erop dat uit het advies van 14 december 2018 van de FMMU7 blijkt dat er geen belemmeringen bestonden ten aanzien van het horen.

10. Het is aan eiser om zijn seksuele gerichtheid aannemelijk te maken.8 Bij de beoordeling van eisers aanvraag moet verweerder rekening houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd.9Bij asielaanvragen waarbij de seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, maakt verweerder gebruik van Werkinstructie 2019/17. Hoewel werkinstructies van verweerder geen beleidsregels zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet de rechtbank hier wel aan toetsen omdat deze blijk geven van een vaste gedragslijn.10 In deze werkinstructie is opgenomen dat het van belang is om in de vraagstelling en de beoordeling rekening te houden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling omdat elke vreemdeling een eigen referentiekader heeft op basis van bijvoorbeeld de afkomst, culturele achtergrond en levensfase. Het algemene uitgangspunt bij het onderzoeken en beoordelen van asielaanvragen is dat verweerder altijd rekening houdt met het referentiekader van een vreemdeling, waarvan de culturele achtergrond van die vreemdeling deel uitmaakt.11

11. Uit het besluit is niet gebleken dat rekening is gehouden met het door eiser bij zienswijze geschetste referentiekader bij de beoordeling van de verklaringen van eiser. Wel heeft verweerder het door eiser in de zienswijze geschetste referentiekader opgevat als een beroep op belemmeringen bij het horen. De vraag naar het vermogen om coherent te verklaren over feitelijke gebeurtenissen is echter niet dezelfde als de vraag wat het referentiekader is van een vreemdeling. Bij het referentiekader speel de afkomst, culturele achtergrond en levensfase een rol om vast te stellen wat van een vreemdeling mag worden verwacht. Verweerder had moeten motiveren of hij het door eiser gestelde referentiekader volgde en, zo nee, van welk referentiekader hij dan wel wenste uit te gaan. Eerst als er een referentiekader is, kan worden beoordeeld of verweerder bepaalde tegenwerpingen, bezien tegen de achtergrond van het referentiekader van eiser, nader moet motiveren, dan wel dat deze tegenwerpingen niet langer stand kunnen houden.12

12. Het oordeel luidt dan ook dat verweerder het bestreden besluit op dit punt ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Tegen de achtergrond van het door eiser geschetste referentiekader wordt het volgende overwogen over de onderdelen van eisers asielrelaas die verweerder ongeloofwaardig heeft bevonden.

Gevoelens voor klasgenoot [naam]

13. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser oppervlakkig en summier heeft geantwoord op de vraag wat hem aantrok in zijn klasgenoot [naam]. Verweerder stelt dat van eiser verwacht mag worden dat hij naast het lichamelijke aspect ook de emotionele aspecten van zijn gevoelens voor [naam] kan benoemen. Verweerder heeft verder tegengeworpen dat de verliefdheid weliswaar niet tot echte liefde is gekomen, maar dat eiser zijn gevoelens op een dergelijk belangrijk moment benoemt, waardoor verwacht mag worden dat hij hierover meer kan verklaren.

14. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat niet duidelijk is wat hij meer zou kunnen vertellen, nu het bij liefde op afstand is gebleven. Verweerder heeft ten onrechte niet bij zijn beoordeling betrokken dat eiser vijftien jaar oud was toen hij deze gevoelens ervoer. Hiermee heeft verweerder miskend dat dit deel uitmaakt van het referentiekader. Dit te meer nu hij op 42-jarige leeftijd verwacht wordt om over deze gevoelens te verklaren, aldus eiser.

15. De rechtbank volgt eiser hierin. Verweerder heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door eiser afgelegde verklaringen op dit onderdeel zo oppervlakkig en summier zijn dat ze, ondanks eisers referentiekader, bijdragen aan de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser dieper dient te verklaren over emotionele aspecten van gevoelens die hij, als vijftienjarige, heeft ervaren. Niet is in te zien waarom de gevoelens die eiser als puberjongen heeft ervaren niet hoofdzakelijk konden bestaan uit fysieke prikkelingen.13 Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de belevingswereld van iemand van die leeftijd.14 Verweerder heeft niet van eiser kunnen verwachten dat hij in retrospectief verklaart over gevoelens die hij misschien nooit heeft gehad. Dit te meer nu eiser heeft aangegeven dat het bij een afstandsliefde is gebleven, waarbij hij zijn gevoelens uit angst voor represailles nooit heeft laten blijken.15

16. Verweerder heeft zich verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij meer kon verklaren omdat hij heeft aangegeven dat dit een belangrijk moment voor hem was, ondanks dat het bij een afstandsliefde is gebleven. De rechtbank volgt dit niet, nu eiser het moment zelf niet als een belangrijk moment heeft aangeduid. Dit lijkt een aanname van verweerder. Verweerder heeft gevraagd of eiser een jeugdliefde heeft gehad tussen zijn elfde en vijftiende levensjaar. Eiser noemt daarop de naam van een klasgenoot, [naam]. Op de vraag of hij [naam] persoonlijk goed kende en of hij vrienden met hem was, antwoordt eiser 'Nee, wij waren gewoon klasgenoten'.16

Schuldgevoel vader

17. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij niet goed heeft kunnen uitleggen waarom hij zich schuldig voelde tegenover zijn vader. Eiser zegt dat hij zich schuldig voelde omdat hij anders was, maar hij kan niet verklaren wat hem anders maakte dan andere kinderen. Hij heeft wel verklaard dat homoseksualiteit in Georgië niet acceptabel is, maar niet wat dit voor hem persoonlijk betekende.

18. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij in het vrije relaas duidelijk heeft verklaard dat hij zich schuldig voelde en zich schaamde ten opzichte van zijn vader omdat hij in Georgië niet aan het verwachtingspatroon van een 'echte man' voldeed. Ook heeft eiser uitgelegd dat hij hier al jong mee geconfronteerd werd. Verweerder had bij de beoordeling van deze verklaringen rekening moeten houden met het referentiekader van eiser.

19. In het vrije relaas heeft eiser verklaard dat hij zich schaamde omdat hij zich anders voelde dan andere kinderen.17 Hier heeft hij ook verklaard dat hij anders was omdat hij een hart van een klein kind heeft, vaak emotioneel is en huilt om kleine dingen. Ook geeft hij aan dat dit als een schande wordt gezien, dat een Georgiër zijn zoon als een ‘echte man’ wil opvoeden, en anders zijn niet wordt getolereerd.18

20. Verweerder heeft bij de beoordeling van dit onderdeel miskend dat deze vragen specifiek zien op de gevoelens die eiser had toen hij elf jaar oud was en dat eiser eveneens heeft verklaard op dat moment niets van homoseksualiteit te weten.19 Verweerder heeft zich dan ook onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij, ondanks zijn referentiekader, nog meer kon verklaren over de manier waarop hij zich anders voelde dan anderen. De rechtbank verwijst hierbij naar wat in overweging 10 en 11 is besproken.

Weglopen als jongens over meisjes praten

21. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet uit de verklaringen van eiser is gebleken dat hij wegliep als jongens over meisjes spraken. Eiser heeft niet toegelicht waarom dit pas voor het eerst in de zienswijze naar voren is gebracht. Daarnaast maakt dit het oordeel niet anders, nu het weglopen niet duidelijk maakt wat eiser op dat moment dacht en voelde.

22. Eiser heeft in beroep gewezen op de zienswijze waarin is aangevoerd dat hij wegliep. Dit deed hij omdat hij zich ongemakkelijk en anders voelde en hij bang was om aangesproken te worden. Hiermee heeft hij wel aangeduid wat dit gevoelsmatig met hem deed. Hij ging zijn gevoelens uit de weg door weg te lopen. Dit was de eenzame wereld waarin eiser leefde, aldus eiser.

23. De rechtbank overweegt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het feit dat eiser wegliep als jongens over meisjes spraken, in combinatie met wat door eiser summier is verklaard, niet laat zien wat hij op dat moment dacht en voelde.

Gevoelens huwelijk ex-echtgenote

24. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over de gevoelens die hij had toen hij op zeer vroege leeftijd tegen zijn wil moest trouwen met zijn ex-echtgenote. Eiser heeft slechts verklaard dat het moeilijk voor hem was en dat hij droomde over mannen wanneer hij met zijn ex-echtgenote in bed lag.20 Hij valt met dit antwoord terug op een antwoord dat hij vaker heeft gegeven, namelijk dat hij droomde over mannen. Dit getuigt niet van een authentieke ervaring, aldus verweerder.

25. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat niet duidelijk is geworden wat hij nog meer zou kunnen verklaren. Hij heeft aangegeven dat het moeilijk was om met zijn ex-echtgenote in bed te liggen en dat hij zich eenzaam en opgesloten in zichzelf voelde. Ook heeft eiser verteld over zijn schuldgevoelens en zijn worstelingen.

26. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard over het huwelijk met zijn ex-echtgenote, onder andere op pagina 6, paragraaf 2 van het nader gehoor: 21

'Ik trouwde met mijn vrouw toen ik vijftien jaar oud was. Ik wilde niet trouwen. Het is gebruikelijk in Georgië om voor je nageslacht te zorgen en kinderen te krijgen. Om op die manier jezelf te vereeuwigen. Ik kon helemaal niet weigeren om met een vrouw te trouwen want ik moest gewoon van mijn familie en als iemand had verteld dat ik op mannen viel, dan zou ik direct worden vermoord. (…) Mijn vrouw voelde dat ik niet van haar hield, maar wij sliepen samen. Ik moest voor het nageslacht zorgen. Zij was mijn eerste vrouw. Dit was mijn eerste vrouw, maar ik voelde niks voor haar en voelde mij altijd aangetrokken tot mannen en keek naar mannen in tijdschriften. Mijn vrouw voelde dat ik niet van haar hield en dat er iets niet klopte, maar ik moest gewoon met haar samenwonen en kinderen met haar krijgen. Voor een Georgiër is zijn of haar gezin het belangrijkste wat er is en de kerk. Je gezin, familie, kinderen en het geloof. (…)’

en vervolgens in de derde paragraaf:

'(...) Ik kon mijn gevoel en emoties niet uiten. Ik moest het altijd geheim houden. Als ik door mijn vrienden werd uitgenodigd om met hen te feesten weigerde ik altijd. Ze dachten toen dat ik gewoon erg veel van mijn vrouw hield, terwijl ik gewoon andere interesses had. Ik ben christen orthodox, dus dat was ook een soort van conflict tussen mijn geloof en de gevoelens voor mannen. Dat wordt als een grote zonde gezien. Ik leidde dus een dubbelleven, kon mijn gevoelens niet uiten en kon aan niemand vertellen dat ik op mannen viel. Ik kon ook niet aan andere mannen vertellen dat ik van iemand hield uit angst, uit angst om gedood te worden. Zo leefde ik dus met mijn vrouw van wie ik niet hield. Ik hield wel van mijn dochtertje, dat wel. Mijn vrouw zag ik meer als een vriend maar niet als een liefde.'

27. Gelet op deze uitleg heeft verweerder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij slechts heeft gesteld dat het moeilijk voor hem was en dat hij droomde over mannen toen hij met haar in bed lag. Verweerder heeft slechts de beantwoording van de vervolgvragen op het vrije relaas in de beoordeling betrokken. De rechtbank concludeert dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van eiser, ondanks het toepasselijke referentiekader, verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over de gevoelens die hij had toen hij op zeer jonge leeftijd moest trouwen met zijn ex-echtgenote.

Moment van vertellen aan vrouw

28. Verweerder heeft een chronologische tegenstrijdigheid geconstateerd in eisers verklaringen over het moment waarop hij zijn ex-echtgenote heeft verteld over zijn homoseksualiteit. Eiser heeft verklaard dat hij zijn ex-echtgenote over zijn geaardheid heeft verteld voordat hij [naam] heeft leren kennen, toen zij twee kinderen hadden.22 Daarnaast heeft hij verklaard dat zijn vrouw bekend is geworden met zijn geaardheid op het moment dat ze de sms’jes en uitgewisselde foto’s tussen eiser en [naam] had gezien. Daarna heeft hij verklaard dat hij zijn vrouw over zijn homoseksuele geaardheid heeft verteld toen ze net getrouwd waren.23 Later heeft hij verklaard dat hij het haar tweemaal heeft verteld, ééns toen ze net getrouwd waren en ééns toen ze twee kinderen hadden. Ook heeft hij verklaard dat hij het aan zijn ex-vrouw heeft verteld toen hij [naam] had ontmoet.24 Hier heeft verweerder een chronologische tegenstrijdigheid geconstateerd. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor herhaalt eiser volgens verweerder dat hij zijn ex-echtgenote op twee verschillende momenten over zijn geaardheid heeft verteld: kort na het huwelijk en op het moment dat zij twee kinderen hadden. Dit neemt volgens verweerder de chronologische tegenstrijdigheid niet weg. Eiser had [naam] op beiden momenten nog niet ontmoet. Dit heeft volgens verweerder ernstig afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van dit element.

29. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat deze onduidelijkheid reeds in de correcties en aanvullingen is verduidelijkt. Uit de correcties en aanvullingen25, in samenhang gelezen met het rapport nader gehoor, blijkt: Eiser vertelde kort na het huwelijk aan zijn vrouw dat hij van mannen hield. Zij geloofde hem niet en dacht dat het een grap was. Later, toen zij twee kinderen hadden, heeft eiser nogmaals verteld dat hij op mannen viel. Toen hij relatie kreeg met [naam] heeft hij dit ook aan zijn vrouw verteld. Eiser weet niet of zij het toen wel geloofde, of dacht dat hij vreemdging met andere vrouwen. Pas toen [naam] de foto’s en sms’jes liet zien, geloofde zijn vrouw het echt.

30. Deze verduidelijking komt overeen met wat door eiser zelf is verklaard, namelijk:

‘Toen u aan uw vrouw verklaarde dat u homoseksueel was kende u [naam] toen al?’26
‘Toen kende ik [naam] nog niet. Ik wilde eerlijk met haar zijn, daarom heb ik uitgelegd dat ik op mannen viel. Ik wilde niet in een leugen leven en haar de waarheid vertellen, zodat zij dat ook wist. Ik heb haar ook verteld over [naam], dat ik hem had ontmoet.'
(…)
‘En elke keer dat u vertelde dat u op mannen viel geloofde uw vrouw u niet?27
Ze dacht elke keer dat het een grap was, want het is niet te zien dat ik homoseksueel ben.’

‘Heeft u het toen gewoon laten? Bent u daar niet tegenin gegaan?’
‘Zij was toen ook erg jong. Ze vroeg waarom ik haar niet zoende of knuffelde, ze dacht dat het een soort van spel of grap was. Ik heb het twee keer aan haar gezegd. Denk ik, als ik mij nu niet vergis omdat het zo lang geleden is gebeurd.’

31. Hieruit blijkt dat eiser een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds het vertellen dat hij homoseksueel was – waarvan eenmaal vlak na het huwelijk en andermaal toen zij twee kinderen hadden – en anderzijds het moment waarop hij vertelde dat hij een man had ontmoet, namelijk [naam]. Hierna heeft ook [naam], de echtgenote van [naam], aan de familie van eiser, waaronder zijn ex-echtgenote, bekend gemaakt dat eiser een relatie had met [naam].

32. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in het voornemen en het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste lezing van het verslag nader gehoor en de correcties en aanvullingen hierop. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard.

LHBTI in Nederland

33. Eiser heeft aangevoerd dat het feit dat hij in Nederland niet actief bezig is met zijn geaardheid samenhangt met het feit dat hij nog steeds rouwt om het verlies van zijn familie en het feit dat [naam] hem in de steek heeft gelaten. Het is volgens eiser niet duidelijk waarom dit geen goede reden zou zijn voor het feit dat eiser zich nog niet verder is gaan 'ontplooien' in Nederland. Meer recent is daarbij een rol gaan spelen dat eiser bang is om ook in Nederland in de problemen te komen vanwege zijn homoseksualiteit omdat het geweld in asielzoekerscentra tegen homoseksuelen toeneemt en er een gebrek aan bescherming bestaat.

34. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij niet tijdig heeft uitgelegd dat er emotionele belemmeringen waren om zich bezig te houden met zijn geaardheid, nu dat pas in de zienswijze is gebeurd. Daarnaast geven de gehoren het beeld dat eiser niet geïnteresseerd is en het druk heeft met werk en sport. Verweerder acht het opmerkelijk dat eiser zich niet op de hoogte stelt van de situatie in Nederland, nu hij aangeeft dat hij naar Nederland wilde vluchten vanwege zijn geaardheid.

35. De rechtbank stelt vast dat eiser reeds in de correcties en aanvullingen bij het nader gehoor heeft gewezen op het trauma door de verstoting door zijn familie en [naam], en dat hij hierdoor nog niet toe is aan contacten.28 Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser pas in de zienswijze heeft gewezen op emotionele belemmeringen.

36. Verweerder dient volgens de werkinstructie bij dit onderdeel rekening te houden met de persoonlijke situatie van de vreemdeling en met wat van hem mag worden verwacht.29 Dit heeft verweerder kennelijk niet gedaan. De rechtbank verwijst naar wat in rechtsoverweging 10 van deze uitspraak is overwogen. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser, ondanks zijn referentiekader, mag worden verwacht dat hij zich actief bezighoudt zijn geaardheid.

Conclusie

37. De slotsom is dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is.

38. Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd. Daarmee is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beoordelen of eisers gestelde homoseksuele geaardheid geloofwaardig is, met inachtneming van deze uitspraak. Dit brengt mee dat ook de gestelde problemen naar aanleiding van de seksuele geaardheid opnieuw moeten worden beoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank stelt geen termijn vast voor het nemen van een nieuw besluit.

39. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.496 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met
inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496

(veertienhonderdzesennegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, op 10 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Werkinstructie 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid is aangevoerd (hierna: Werkinstructie 2019/17).

2 Werkinstructie 2019/17, p. 7, paragraaf 5.

3 Zie voor een vergelijkbaar oordeel een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 maart 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:1147), r.o. 3.

4 Zienswijze, 2 juni 2020.

5 Zienswijze, 2 juni 2020, p. 6, paragraaf 4.

6 Swedish Migration Board, landeninformatie LHBTI-personen in Georgië, 14 november 2019, vertaling opgenomen als bijlage 5 bij de zienswijze van 2 juni 2020.

7 Forensisch Medische Maatschappij Utrecht.

8 Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

9 Dit volgt uit artikel 31, vierde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.

10 Zie voor dit oordeel ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 april 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1171).

11 Zo ook: de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:341).

12 Zie voor een vergelijkbare overweging in een uitspraak waarin verweerder wel een referentiekader had vastgesteld, maar dit gemotiveerd door eiser werd betwist: de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:341), r.o. 7.

13 Zie voor een vergelijkbare overweging de uitspraak van deze rechtbank, Zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2020, (ECLI:NL:RBLIM:2020:5646).

14 Zie bijvoorbeeld een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, van 17 september 2020, (ECLI:NL:RBDHA:2020:9329).

15 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 17.

16 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 16.

17 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 6.

18 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 7.

19 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 24.

20 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 17.

21 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 6.

22 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 7.

23 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 20.

24 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 19.

25 Correcties en Aanvullingen op het Rapport Nader Gehoor, 9 maart 2020, p. 2-p. 4.

26 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 19.

27 Rapport Nader Gehoor, 4 maart 2020 en 6 maart 2020, p. 20.

28 Correcties en Aanvullingen op het Nader Gehoor, 9 maart 2020, p. 5.

29 Werkinstructie 2019/17, p. 2, paragraaf 2.1.