Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
C/09/592991 / HA ZA 20-489
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank vordert nakoming leningsovereenkomst. Eén van de gedaagden ontkent stellig de ondertekening van de overeenkomst. Op grond van artikel 159 lid 2 Rv levert de akte geen dwingend bewijs op jegens die gedaagde. Ook op basis van de overige omstandigheden mocht de bank niet gerechtvaardigd erop vertrouwen dat een leningsovereenkomst tot stand was gekomen. Er waren voorts voldoende redenen voor de bank om nader onderzoek te doen naar de leningsovereenkomst en zich ervan te vergewissen dat beide beoogde contractspartijen daadwerkelijk de lening wilde afsluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/592991 / HA ZA 20-489

Vonnis van 18 augustus 2021

in de zaak van

ING BANK N.V. te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] [plaats] , gemeente [Gemeente] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. Willemsen te Den Haag,

2. [gedaagde sub 2] te [plaats] , gemeente [Gemeente] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres wordt hierna ING genoemd, gedaagden gezamenlijk [gedaagde sub 1 c.s.] , gedaagde onder één [gedaagde sub 1] en gedaagde onder twee [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 mei 2020, met producties;

  • -

    het herstelexploot van 2 juni 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 juni 2021;

  • -

    de akte uitlating bewijs tevens overlegging nadere productie namens ING;

  • -

    het B16 formulier van 28 juni 2021 namens ING;

  • -

    het B16 formulier van 6 juli 2021 namens ING;

  • -

    het B16 formulier van 8 juli 2021 namens ING.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. ING heeft bij brief van 18 juni 2021 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[Gedaagden] zijn met elkaar getrouwd buiten gemeenschap van goederen.

2.2.

[gedaagde sub 1] heeft een bouwbedrijf. [gedaagde sub 2] had een kledingzaak.

2.3.

De vader van [gedaagde sub 1] is in november 2014 overleden en liet een vastgoedonderneming na met een waarde van om en nabij € 10.000.000.

2.4.

Begin 2018 heeft [gedaagde sub 2] een gesprek gehad bij ING over een lening. [gedaagde sub 2] heeft ING verteld dat zij en [gedaagde sub 1] een lening wilden in verband met de verbouwing van hun woning, waarbij ze onder meer de badkamer en de keuken wilden vernieuwen en zij heeft ING verteld dat zij en [gedaagde sub 1] in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Ook heeft zij financiële gegevens van haarzelf en [gedaagde sub 1] aan ING gegeven, waaronder de jaarcijfers van het bouwbedrijf van [gedaagde sub 1] voor de jaren 2015 en 2016, de conceptcijfers voor 2017 en gegevens over spaarrekeningen van [gedaagde sub 1] . Zij heeft verteld dat zij en haar man deze spaarrekeningen niet wilden aanspreken.

2.5.

Bij brief van 9 april 2018 heeft ING de documenten voor een lening voor een bedrag van € 60.000 verstuurd naar het huisadres van [gedaagde sub 1 c.s.] Bij deze stukken zat onder meer de door ING getekende leningsovereenkomst en een “formulier identiteit vaststellen op ING-kantoor”. In de stukken heeft ING [gedaagde sub 1] gevraagd zich te legitimeren.

2.6.

Op 13 april 2018 heeft in ieder geval [gedaagde sub 2] de leningsovereenkomst getekend. Op de leningsovereenkomst die ING heeft overgelegd is ook onder de naam van [gedaagde sub 1] een handtekening gezet, met stift.

2.7.

Op 17 april 2018 is [gedaagde sub 1] langsgegaan bij het filiaal van ING in [plaats] . Hij heeft zich gelegitimeerd en zijn handtekening geplaatst.

2.8.

Bij brief van 20 april 2018, gericht aan [gedaagde sub 1 c.s.] op het adres van hun woonhuis, heeft ING bevestigd dat [gedaagde sub 1 c.s.] van ING een bedrag hebben geleend van € 60.000 tegen een rente van 4,7%. ING heeft het bedrag overgemaakt naar een privé-rekening van [gedaagde sub 2] .

2.9.

In 2019 werden de termijnen van de lening niet tijdig voldaan. ING heeft [gedaagde sub 1 c.s.] gesommeerd.

2.10.

[gedaagde sub 1] heeft onder andere bij brief van 27 juni 2019 gereageerd op de sommatie. Hierin heeft hij onder meer geschreven dat de handtekening op de offerte niet de zijne is. Bij brief van 11 juli 2019 heeft ING [gedaagde sub 1] geschreven en gewezen op de omstandigheid dat hij zich in het filiaal van ING in [plaats] had gelegitimeerd. Ook heeft zij [gedaagde sub 1] (wederom) verzocht om direct aangifte te doen van vervalsing van zijn handtekening.

2.11.

[gedaagde sub 1] heeft geen aangifte gedaan.

2.12.

Ondertussen was in 2019 gebleken dat [gedaagde sub 2] ernstige financiële problemen had met haar bedrijf. Zij had een schuld opgebouwd van meer dan € 500.000. [gedaagde sub 2] is inmiddels toegelaten tot de WSNP. Ook is zij onder behandeling bij GGZ [locatie] .

3 Het geschil

3.1.

ING vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] tot betaling van een bedrag van € 55.947,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2019, met veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] in de proceskosten.

3.2.

ING legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met [gedaagde sub 1 c.s.] een leningsovereenkomst heeft gesloten voor een bedrag van € 60.000 en dat [gedaagde sub 1 c.s.] zich niet aan de in de overeenkomst opgenomen betaaltermijnen hebben gehouden. Als gevolg hiervan is de lening opeisbaar en moeten [gedaagde sub 1 c.s.] worden veroordeeld tot terugbetaling van het nog openstaande bedrag van de lening, vermeerderd met rente.

3.3.

[gedaagde sub 1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

vordering tegen [gedaagde sub 2]

4.1.

Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend. Omdat [gedaagde sub 1] wel is verschenen heeft dit vonnis, gelet op artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ook jegens [gedaagde sub 2] te gelden als een vonnis op tegenspraak.

4.2.

[gedaagde sub 2] heeft geen verweer gevoerd. De vordering van ING tegen haar komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze zal worden toegewezen.

vordering tegen [gedaagde sub 1]

leningsovereenkomst met [gedaagde sub 1] tot stand gekomen?

4.3.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv dient in beginsel ING, nu zij zich op de rechtsgevolgen van de leningsovereenkomst beroept, te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij deze met [gedaagde sub 1] heeft gesloten. Zij legt in dit kader de ondertekende leningsovereenkomst over. Op grond van artikel 159 lid 2 Rv levert een dergelijke onderhandse akte, waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren stellig wordt ontkend, geen bewijs op zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is.

4.4.

[gedaagde sub 1] heeft stellig ontkend dat hij de leningsovereenkomst heeft getekend. De omstandigheid dat hij geen aangifte heeft gedaan van vervalsing van zijn handtekening maakt zijn verklaring op dit punt niet minder stellig of ongeloofwaardig, omdat de kans bestaat dat zijn echtgenote de handtekening heeft vervalst.

[gedaagde sub 2] heeft tijdens de zitting verteld dat zij zich niet meer kan herinneren of zij de handtekening van [gedaagde sub 1] onder de leningsovereenkomst heeft vervalst. [gedaagde sub 1] heeft de handtekening in ieder geval niet gezet, aldus [gedaagde sub 2] .

4.5.

Nu [gedaagde sub 1] met duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen heeft verklaard dat de handtekening onder de leningsovereenkomst niet de zijne is, heeft ING met de enkele overlegging van deze akte niet bewezen dat zij de overeenkomst met [gedaagde sub 1] heeft gesloten. ING heeft om haar moverende redenen bij akte uitlating bewijs tevens overlegging nadere productie en bij B16 formulier afgezien van de mogelijkheid om bewijs te leveren ten aanzien van de echtheid van de handtekening van [gedaagde sub 1] onder de leningsovereenkomst. Daarbij heeft zij zich wel het recht voorbehouden om in een mogelijk latere fase van deze procedures alsnog bewijs inzake de echtheid van de handtekening te leveren.

4.6.

Een en ander betekent dat tussen partijen in deze procedure vaststaat dat [gedaagde sub 1] de leningsovereenkomst niet heeft getekend.

gerechtvaardigd vertrouwen ING

4.7.

ING doet een beroep op de omstandigheid dat zij op basis van het handelen van [gedaagde sub 1] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat een leningsovereenkomst tot stand was gekomen in april 2018. Daarbij beroept zij zich met name op het bezoek van [gedaagde sub 1] aan het filiaal van ING in [plaats] op 17 april 2018.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 1] op 17 april 2018 een bezoek heeft gebracht aan het filiaal van ING in [plaats] . [gedaagde sub 1] stelt dat hij dacht dat hij zich moest legitimeren teneinde een offerte voor een hypothecaire lening te kunnen krijgen van ING. Hij dacht dat hij veel geld nodig zou hebben om de erfbelasting en eventuele inkomstenbelasting te betalen in verband met het onroerend goed ter waarde van om en nabij € 10.000.000 dat zijn vader had nagelaten. Zijn moeder en zussen waren samen met hem de erfgenamen in de nalatenschap. Hij had hier slapeloze nachten van. [gedaagde sub 2] had hem gesuggereerd dat ING wellicht een hypothecaire lening wilde verschaffen, met de woning als zekerheid.

[gedaagde sub 2] was ten tijde van het bezoek van [gedaagde sub 1] aan de bank, bij de bank aanwezig, maar [gedaagde sub 1] weet niet of zij mee naar binnen is gelopen.

Hij meent te weten weet dat hij het “formulier identiteit vaststellen op ING-kantoor” niet mee heeft genomen naar het filiaal van ING. Want als hij dat had gedaan, dan had hij het formulier gelezen en dan was hem de verwijzing naar het contract opgevallen. Wel kan het zijn dat [gedaagde sub 2] het formulier buiten bij de bank aan hem heeft overhandigd en dat hij het toen verder niet heeft gelezen, maar wel binnen aan de baliemedewerker heeft gegeven.

4.9.

Hij stelt dat hij, nadat hij was binnengelopen, tegen de baliemedewerker heeft gezegd dat hij zich kwam legitimeren in verband met de offerte voor een lening. Hij kan zich niet herinneren wat hij verder nog heeft besproken. Hij weet ook niet meer of hij zijn handtekening heeft gezet op een scherm of op een fysiek kaartje. Wel weet hij dat op dat moment niet is gesproken over een persoonlijke lening van € 60.000 die ING aan hem en aan zijn vrouw zou verstrekken.

4.10.

Ook ING weet niet wat haar baliemedewerker bij het bezoek van [gedaagde sub 1] aan het filiaal tegen [gedaagde sub 1] heeft gezegd. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld daar geen navraag naar te hebben gedaan en zij heeft over wat mogelijk is gezegd ook geen stellingen ingenomen. ING heeft verteld dat navragen geen zin heeft omdat het niet waarschijnlijk is dat een baliemedewerker zich nu nog kan herinneren wat hij in april 2018 heeft gezegd tijdens een enkele minuten durend bezoek voor de legitimatie van een klant. ING verwijst in dit kader nog naar het ‘formulier identiteit vaststellen op ING-kantoor’. Dit document levert echter hoogstens bewijs op voor het feit dat de identiteit van [gedaagde sub 1] door de baliemedewerker is vastgesteld, hetgeen op zichzelf door [gedaagde sub 1] ook niet wordt betwist. Uit het enkele feit dat op dit formulier een contractnummer is opgenomen, klaarblijkelijk het nummer van de leningsovereenkomst, volgt niet dat die overeenkomst bij het bezoek van [gedaagde sub 1] is besproken.

4.11.

ING heeft evenmin richtlijnen voor baliemedewerkers overgelegd met daarin aanwijzingen voor wat er tijdens de verificatie van een handtekening voor een leningsovereenkomst tegen de klant moet worden gezegd.

4.12.

Bij gebrek aan andere informatie, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat gedurende de minuten dat [gedaagde sub 1] in het filiaal van ING in [plaats] aanwezig was, niet is gesproken over de persoonlijke lening van € 60.000 van ING.

4.13.

ING heeft zich tijdens de mondelinge behandeling verbaasd over het feit dat [gedaagde sub 1] als reden voor zijn bezoek aan het filiaal heeft opgegeven dat hij de idee had dat hij zich moest legitimeren om een offerte voor een hypothecaire lening te krijgen. [gedaagde sub 1] zou volgens ING moeten weten dat voor het verkrijgen van een hypotheek offerte geen legitimatie nodig is. Deze verbazing deelt de rechtbank niet. Banken moeten zich, gelet op de belangrijke functie die zij in het maatschappelijk verkeer vervullen, aan tal van regels houden. Daarbinnen zou kunnen passen dat banken alleen offertes versturen aan personen die zich bij haar hebben gelegitimeerd. Een offerte die wordt verstuurd, kan immers door aanvaarding een overeenkomst worden waaraan ook de bank is gehouden. Op voorhand kon [gedaagde sub 1] dan ook niet weten dat ING de legitimatie pas wenste op een moment dat de offerte was verstuurd. [gedaagde sub 1] ging bovendien af op een mededeling van zijn vrouw, die de contacten met ING had, op een moment dat hij nog niet wist dat hij reden had om aan haar woorden te twijfelen.

4.14.

Er waren voorts voldoende redenen voor ING om nader onderzoek te doen naar de leningsovereenkomst en zich ervan te vergewissen dat beide beoogde contractspartijen daadwerkelijk de lening wilde afsluiten:

( i) [gedaagde sub 2] had ING verteld dat het geld van de lening nodig was voor een verbouwing, waaronder een badkamer en keuken, terwijl [gedaagde sub 1] zelf een bouwbedrijf heeft en de verbouwing in eigen beheer had kunnen uitvoeren. ING wist ook dat [gedaagde sub 1] een bouwbedrijf had omdat [gedaagde sub 2] jaarstukken van zijn bedrijf aan ING had overhandigd;

(ii) op bankrekeningen van [gedaagde sub 1] stond voldoende spaarsaldo voor deze uitgave, terwijl ING een lening afsloot met een rente van 4,7%. Dit is op het eerste gezicht erg onlogisch;

(iii) de lening moest met een bedrag van € 2.120,92 per maand in 30 maanden worden afgelost, waardoor [gedaagde sub 1 c.s.] , gelet op hun maandelijkse inkomen, per maand voor hun gezin met jonge kinderen nog maar een bedrag van € 1.500 overhielden om alle kosten van te voldoen, hetgeen bij ING bekend was;

(iv) ING heeft de lening persoonlijk besproken met [gedaagde sub 2] , maar kennelijk, ondanks de onder (i) tot en met (iii) genoemde bijzondere omstandigheden, geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen en een uitvraag te doen bij [gedaagde sub 1] of dit was wat hij wilde;

( v) alhoewel ING tijdens de zitting heeft gezegd dat zij bij een BKR-check normaal ook zoekt op de meisjesnaam van een klant, heeft zij dit in de onderhavige zaak nagelaten, zonder daarvoor een andere reden te noemen dan dat zij de meisjesnaam van [gedaagde sub 2] niet wist. Dit terwijl ING de naam eenvoudig had kunnen vragen en de meisjesnaam van [gedaagde sub 2] ook in het systeem van ING voorkwam. Zij had namelijk eerst rekeningen bij ING op haar eigen naam en heeft dit pas aangepast in 2007 of 2008, in verband met haar trouwen;

(vi) ING heeft niet gecheckt of de mededeling van [gedaagde sub 2] dat zij en [gedaagde sub 1] in gemeenschap van goederen waren getrouwd correct was.

4.15.

Hetgeen de rechtbank onder 4.8. tot en met 4.14. heeft overwogen, betekent dat ING niet op basis van het bezoek van [gedaagde sub 1] aan het filiaal en het overhandigen van het formulier met de verwijzing naar het contract erop mocht vertrouwen dat [gedaagde sub 1] instemde met een persoonlijke lening voor een bedrag van € 60.000. Weliswaar is wellicht bij ING door dit bezoek de idee ontstaan dat [gedaagde sub 1] op de hoogte was van en instemde met de lening, maar [gedaagde sub 1] heeft hieraan zelf niet bewust meegewerkt. Dit bewust meewerken kan de ING niet baseren op de enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] het formulier waarin naar de leningsovereenkomst werd verwezen, heeft meegenomen. Niet is immers komen vast te staan dat tijdens het bezoek gesproken is over de lening van € 60.000 en [gedaagde sub 1] heeft een aanvaardbare, niet onlogische reden gegeven voor zijn bezoek. De overige omstandigheden van de lening waren bovendien zodanig dat ING zich er uitdrukkelijk van had moeten vergewissen of [gedaagde sub 1] instemde met de leningsovereenkomst. Zij mocht dit niet afleiden uit het korte bezoekje op 17 april 2019 en het overhandigen van het formulier.

4.16.

Ook omstandigheden na het sluiten van de leningsovereenkomst maken niet dat kan worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1] ING aanleiding heeft gegeven erop te mogen vertrouwen dat hij wist van en instemde met de lening.

Zo is het geld overgemaakt op een privérekening van [gedaagde sub 2] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft ING nog gezegd dat het bedrag van de lening ten goede is gekomen aan [gedaagde sub 1] omdat zijn woning hiermee is verbouwd. Dit sluit echter niet aan bij de stellingen van [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord dat [gedaagde sub 2] de gelden heeft overgemaakt naar haar zakelijke rekening en dat [gedaagde sub 1] er niets van heeft gezien. Dit laatste verhaal sluit meer aan bij de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] op enig moment heeft moeten bekennen een schuld te hebben van meer dan € 500.000 en inmiddels in de WSNP zit. Als ING dit anders ziet, had het op haar weg gelegen om op dit punt nadere informatie van [gedaagde sub 1] te vragen of te bewijzen dat de woning is verbouwd.

4.17.

De conclusie van de rechtbank is dan ook dat ING te gemakkelijk is afgegaan op de woorden en de wensen van [gedaagde sub 2] . Zij heeft de aanvraag onvoldoende kritisch bekeken. Zij baseert zich ten onrechte voor de totstandkoming van de overeenkomst enkel op het bezoek van [gedaagde sub 1] aan het filiaal in [plaats] , zonder dat zij ook maar enig idee heeft wat er precies tijdens dat bezoek met [gedaagde sub 1] is besproken. Ook verder heeft [gedaagde sub 1] niets gedaan, op basis waarvan ING gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat zij ook met [gedaagde sub 1] een leningsovereenkomst had gesloten.

4.18.

Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat tussen ING en [gedaagde sub 1] geen leningsovereenkomst tot stand is gekomen. In het verlengde hiervan oordeelt de rechtbank dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 1] moeten worden afgewezen.

proceskosten

4.19.

[gedaagde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van ING. Deze worden tot op heden aan de zijde van ING begroot op een bedrag van € 109,29 voor dagvaardingskosten, € 2.042 voor griffierecht en € 1.074 voor salaris advocaat (1 punt, tarief IV omdat [gedaagde sub 2] verstek heeft laten gaan), totaal een bedrag van € 3.225,29.

4.20.

ING zal jegens [gedaagde sub 1] worden veroordeeld in de proceskosten, welke tot op heden aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op een bedrag van € 937 voor griffierecht en € 2.148 aan salaris advocaat (2 punten, tarief IV), totaal een bedrag van € 3.085, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

4.21.

Voor veroordeling van ING in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vergelijk HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief”

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan ING van een bedrag van € 55.947,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten aan de zijde van ING welke tot op heden worden begroot op een bedrag van € 3.225,29;

5.3.

veroordeelt ING in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] welke tot op heden worden begroot op een bedrag van € 3.085 en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedrag te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

verklaart de veroordelingen onder 5.1. tot en met 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.1

1 type: 1958