Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8932

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
09.056792.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 WVW, veroordeling artikel 5 WVW. Geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/056792-20

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 december 2020, 22 maart 2021, 7 juni 2021 (regie) en 4 augustus 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ariese, en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman, mr. O.P. Kuit, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 4 augustus 2021 - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 11 september 2019 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de N207 (de Alphenseweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

zij, verdachte, heeft/is:

  • -

    haar voertuig niet voldoende onder controle gehouden en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    niet zoveel mogelijk rechts gehouden en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    een (dubbele) doorgetrokken streep overschreden en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    gereden op het gedeelte van de rijbaan dat bestemd is voor tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend verkeer tegen een haar tegemoetkomende vrachtauto gebotst,

waarna en/of waardoor die vrachtauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) in botsing is gekomen met een andere vrachtauto (bestuurd door [slachtoffer 2] ), waardoor (een) ander(en), namelijk de vrachtwagenchauffeur(s) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige en/of langdurige hoofdpijn(en) (de heer [slachtoffer 1] ) en/of heup uit de kom (waarvoor repositie) en/of letsel aan bekken (waarvoor operatie) en/of verlamming van been en/of wond aan hand (de heer [slachtoffer 2] ), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 11 september 2019 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de N207 (de Alphenseweg), als volgt heeft gehandeld:

zij, verdachte, heeft/is:

  • -

    haar voertuig niet voldoende onder controle gehouden en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    niet zoveel mogelijk rechts gehouden en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    een (dubbele) doorgetrokken streep overschreden en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    gereden op het gedeelte van de rijbaan dat bestemd is voor tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens/daarbij)

  • -

    op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend verkeer tegen een haar tegemoetkomende vrachtauto gebotst,

waarna en/of waardoor die vrachtauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) in botsing is gekomen met een andere vrachtauto (bestuurd door [slachtoffer 2] ), waardoor (een) ander(en), namelijk de vrachtwagenchauffeur(s) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) lichamelijk letsel hebben/heeft bekomen en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Gelet op de aard en ernst van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden, kan naar het oordeel van de officier van justitie worden vastgesteld dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door haar handelen niet alleen de botsing tussen haar eigen auto en de vrachtwagen van [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) heeft veroorzaakt, maar dat ook de daaropvolgende botsing tussen de vrachtwagens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ) en het daarbij opgelopen letsel redelijkerwijs aan de verdachte toe te rekenen zijn.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en de botsing tussen de vrachtwagens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het handelen van de verdachte niet als roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend is aan te merken.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019254709, van de politie eenheid Den Haag, dienst Regionale Operationele Samenwerking, afdeling Infrastructuur, team Verkeer, met bijlagen (doorgenummerd pagina 3 t/m 68).

1) Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, opgemaakt op 30 november 2019, voor zover inhoudende (p. 5 en 7):

Locatie ongeval

Datum : 11 september 2019

Locatienaam : Alphenseweg

Plaats : Boskoop

De N207 is een provinciale weg, onder andere gelegen tussen Boskoop en Alphen aan den Rijn. De weg is aldaar ingericht in één rijbaan, voor verkeer in twee richtingen, gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep.

Betrokken partijen/objecten

Voertuig Personenauto [kenteken] Toyota Aygo

Bestuurder [verdachte]

2) Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 1] , opgemaakt op 11 september 2019, voor zover inhoudende (p. 33):

Vandaag, 11 september 2019, reed ik in mijn vrachtwagen met aanhangwagen op de Alphenseweg te Boskoop. Ik kwam uit de richting van Boskoop en reed in de richting van Alphen aan den Rijn. Ik zag dat een klein rood autootje mij tegemoet kwam rijden. Achter dat rode autootje reed een klein blauw autootje. Daarachter zag ik een vrachtwagen rijden. Ik zag dat het rode autootje op mijn weghelft terecht kwam. Ik probeerde uit te wijken en stuurde zoveel mogelijk naar rechts. Ik kon niet teveel uitwijken, want daar bevond zich een vangrail. Ik zag en voelde dat het rode autootje de linker voorzijde van mijn vrachtwagen raakte en begon te tollen.

3) Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 14 september 2019, voor zover inhoudende (p. 27):

Heden, 11 september 2019, zat ik als bijrijder rechts voorin een personenauto. Wij reden op de rijbaan van de N207, komende uit de richting van Alphen aan den Rijn en gaande in de richting van Boskoop. Toen wij ter hoogte van Boskoop waren, reed mijn vriend met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur. Voor ons reed in dezelfde richting, met ongeveer dezelfde snelheid, een kleine rode personenauto, naar mij later bleek van het merk Toyota. Plotseling zag ik dat de bestuurder van de rode Toyota naar links reed over de doorgetrokken strepen, waardoor deze op de linker weghelft kwam te rijden. Aldaar reed een rode vrachtwagen met aanhanger, die ons tegemoet reed. Ik zag dat de rode Toyota met de linkerzijde tegen de linkerzijde van de rode vrachtauto botste.

4) De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 augustus 2021, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik reed terug van de dierenarts met een krat zieke kittens. Ik reed rustig achter een wagen aan met het verkeer mee. Het krat met de kittens stond op de stoel naast mij. Het was de hele tijd een compact bolletje kittens. Ik had er een kleedje overheen gelegd, zodat het rustig en donker bleef. Het zieke jong kreeg het kennelijk benauwd en sprong ineens op. Ik heb het in een reflex willen opvangen, omdat hij anders van de stoel zou vallen. Toen heb ik waarschijnlijk die stuurbeweging gemaakt.

3.4.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 11 september 2019 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de N207 (de Alphenseweg) te Boskoop. Bij dit ongeval was de verdachte betrokken, die als bestuurster van een Toyota Aygo over een dubbele doorgetrokken streep is gereden, waarna zij tegen de haar tegemoetkomende vrachtwagen van [slachtoffer 1] is gebotst.

Uit het dossier volgt daarnaast dat [slachtoffer 1] vrijwel direct na deze eerste botsing in botsing is gekomen met de hem tegemoetkomende vrachtwagen van [slachtoffer 2] . Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben hierdoor fors letsel opgelopen.

Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW?

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW. Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW te kunnen komen, is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Daarbij is het criterium van de ‘redelijke toerekening’ maatgevend. De vraag is dan of het verkeersongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan de schuld van de verdachte. De rechtbank zal bij de beoordeling een onderscheid maken tussen de eerste confrontatie, te weten de botsing tussen de auto van de verdachte en de vrachtwagen van [slachtoffer 1] , en de tweede confrontatie, te weten de botsing tussen de vrachtwagens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Over de toedracht van de eerste confrontatie, tussen de verdachte en [slachtoffer 1] , stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte vervoerde op de passagiersstoel een krat met kittens. Hierdoor raakte zij op enig moment afgeleid, omdat één van de kittens een onverwachte beweging maakte en van de stoel dreigde te vallen. De verdachte probeerde te voorkomen dat de kitten zou vallen en heeft daartoe met haar rechterhand geprobeerd de kitten op te vangen, waarbij zij de controle over haar auto heeft verloren en niet meer voldoende rechts heeft gehouden. Zij is naar links, over de dubbele doorgetrokken streep, gereden en op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. Op deze weghelft is zij vervolgens tegen de linker voorzijde van de vrachtwagen van [slachtoffer 1] gebotst. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verdachte op zijn minst genomen gevaarzettend heeft gehandeld en dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en de botsing die tussen haar auto en de vrachtwagen van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of ook de tweede confrontatie, tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , onder de hiervoor genoemde omstandigheden in redelijkheid is toe te rekenen aan het verkeersgedrag van de verdachte. Over de toedracht van deze tweede confrontatie overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij de auto van de verdachte op zich af zag komen en zoveel mogelijk naar rechts heeft gestuurd om deze te ontwijken. Aan de rechterzijde van de weg bevond zich een vangrail. Om niet tegen de vangrail te botsen, heeft [slachtoffer 1] vervolgens - na de botsing met de auto van de verdachte - weer naar links gestuurd, waarna hij in botsing kwam met de vrachtwagen van [slachtoffer 2] .

Uit de verkeersongevallenanalyse en het vervolgonderzoek blijkt dat op het wegdek geen sporen aanwezig waren die duidelijkheid kunnen verschaffen over de plaats van de betrokkenen op de weg ten tijde van de botsing tussen de Toyota en de vrachtwagen van [slachtoffer 1] . Ook is door de schade aan de vrachtwagen van [slachtoffer 1] na de tweede confrontatie de schade ten gevolge van de eerste confrontatie niet meer vast te stellen en is niet meer te onderzoeken of, en zo ja, welke gevolgen de eerste botsing heeft gehad op de bestuurbaarheid van de vrachtwagen van [slachtoffer 1] . Uit onderzoek van de politie blijkt weliswaar dat de bestuurder van de Ginaf mogelijk de controle over zijn voertuig is verloren door de schade die hieraan is ontstaan door de botsing met de auto van de verdachte, maar of dit daadwerkelijk zo was, is niet gebleken, omdat nader onderzoek niet meer mogelijk was. Dit klemt temeer nu uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat hij, zoals hierboven weergegeven, heeft verklaard de vrachtwagen weer naar links te hebben gestuurd.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, nu er geen duidelijkheid is over de gevolgen van de botsing van de auto van de verdachte (de eerste confrontatie) op de bestuurbaarheid van de vrachtwagen van [slachtoffer 1] , en deze heeft verklaard naar links te hebben gestuurd, de gevolgen van de tweede confrontatie de verdachte daarom niet in redelijkheid kunnen worden toegerekend.

De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Overtreding van artikel 5 WVW?

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW door haar voertuig onvoldoende onder controle te houden en niet voldoende rechts te houden, waardoor zij over de dubbele doorgetrokken streep is gereden en op de verkeerde weghelft is beland, als gevolg waarvan zij tegen de vrachtwagen van [slachtoffer 1] is gebotst.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

zij op 11 september 2019 te Boskoop als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de N207 ( [straatnaam] ), als volgt heeft gehandeld:

zij, verdachte, heeft/is:

  • -

    haar voertuig niet voldoende onder controle gehouden en

  • -

    niet zoveel mogelijk rechts gehouden en

  • -

    een dubbele doorgetrokken streep overschreden en vervolgens

  • -

    gereden op het gedeelte van de rijbaan dat bestemd is voor tegemoetkomend verkeer en vervolgens

  • -

    op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomend verkeer tegen een haar tegemoetkomende vrachtauto gebotst,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de strafoplegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De aard en ernst van de feiten

De verdachte is als bestuurster van een personenauto afgeleid geraakt door een onverwachte beweging van één van de kittens die zij vervoerde, waardoor zij op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen en aldus een gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Dit heeft geresulteerd in een botsing tussen de auto van de verdachte en een haar tegemoetkomende vrachtwagen en een daaropvolgende botsing tussen twee vrachtwagens met aanzienlijke schade. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij de kittens op een dergelijke, voor mens en dier onveilige, manier heeft vervoerd en zij er niet voor heeft gezorgd dat zij niet tijdens het rijden door de kittens kon worden afgeleid.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Daarnaast weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat zij, zoals ter terechtzitting is gebleken, verantwoordelijkheid neemt voor haar gedrag en zich zeer goed bewust is van de gevolgen van haar handelen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verdachte heeft met beiden contact gezocht, haar spijt betoond en heeft beiden attenties gestuurd voor Kerst en Pasen. Voorts weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat de verdachte zelf gewond is geraakt door de aanrijding. Zij heeft hierbij onder meer haar borstbeen en een nekwervel gebroken en heeft bijna zes maanden in de Ziektewet gelopen. Tot op de dag van vandaag moet zij haar werkzaamheden in de thuiszorg op aangepaste wijze uitvoeren. Ook het tijdsverloop sinds het ongeval zal door de rechtbank worden meegewogen.

Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, acht zij een lagere straf passend dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om voor verkeersfouten als deze, waarvan de verdachte zich zeer schuldbewust is en waarna bijna twee jaren zijn verstreken, een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Wel zal de rechtbank, om de ernst van het feit te benadrukken en de verdachte ervan te doordringen dat zij zich in de toekomst niet meer laat afleiden in het verkeer, aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor een periode van zes maanden, beide met een proeftijd van twee jaren, opleggen.

7 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering, omdat op het voegingsformulier geen bedragen zijn ingevuld.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich om dezelfde reden op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in de vordering, omdat de benadeelde partij geen schadebedrag op het voegingsformulier heeft ingevuld en dus feitelijk geen sprake is van een vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van subsidiaire feit:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 20 (twintig) dagen;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. A.M. Gruschke, rechter,

mr. D.L.S. Ceulen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2021.