Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8847

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2661
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

CHW. Tussenuitspraak. Vaststelling projectplan ophoging kade. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de esdoorn op de kade niet behouden kan blijven. Verweerder moet nader onderzoeken of de esdoorn bestand is tegen het aan te brengen grondpakket.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/2661


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Sabur),

en

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. van der Gouw).

Procesverloop

In het besluit van 27 juli 2020 (primair besluit) heeft verweerder het projectplan “Wijziging regionale kade Pastoor Verburchweg 8 te Rijswijk” vastgesteld.

In het besluit van 19 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van ing. [A] en [B].

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij het primaire besluit heeft verweerder het projectplan “Wijziging regionale kade Pastoor Verburchweg 8 te Rijswijk” (het projectplan) vastgesteld. Het projectplan regelt, samengevat weergegeven, de ophoging van een waterkering langs de Noordhoornsewatering op het perceel van eiser aan de Pastoor Verburchweg 8 in Rijswijk tot een hoogte van 0,25 meter boven NAP. In de kernzone van deze waterkering staan vier bomen, waaronder een treurwilg en een esdoorn. Met betrekking tot deze bomen heeft verweerder bij het vaststellen van het projectplan gebruik gemaakt van het rapport van boomtaxateur drs. V.G. van Amerongen (Van Amerongen) van 21 november 2019, waarin onder meer de gevolgen van de ophoging van de waterkering voor de treurwilg en de esdoorn op het perceel zijn onderzocht. Uit dit rapport volgt dat het aanbrengen van de binnenbeschoeiing van de kade tot gevolg heeft dat alle boomwortels die daar groeien dienen te worden verwijderd, omdat zij anders door de binnenbeschoeiing worden doorsneden. Hierdoor komt bij beide bomen de stabiliteit in gevaar en bij met name de esdoorn ook zijn vitaliteit. Voor de esdoorn zou een geleidelijke ophoging van de kade in combinatie met een kroondunning een oplossing kunnen zijn om de boom te behouden. Voor de treurwilg zijn verschillende oplossingen denkbaar als het kadeontwerp wordt aangepast.

In het projectplan heeft verweerder ervoor gekozen van de aanwezige bomen alleen de treurwilg te behouden. Hiertoe is een technische oplossing gekozen die onder meer inhoudt dat de binnenbeschoeiing van de waterkering ter plaatse van deze boom wordt aangepast, zodat het wortelpakket wordt ontzien. De esdoorn en de andere twee bomen op de kade zullen worden gekapt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, eigenaar van het betreffende perceel, tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder is hierbij afgeweken van het advies van de Bezwaarschriftencommissie Awb Delfland (de Commissie) om het bezwaar gegrond te verklaren en nader onderzoek te doen naar de noodzakelijke hoogte van het aan te brengen grondpakket ter plaatse van de esdoorn, om op basis daarvan te bezien of het dijklichaam in combinatie met het aanbrengen van een binnentalud of een andere voorziening die de esdoorn kan sparen, adequaat kan worden verstrekt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het projectplan aanvankelijk voorzag in het aanbrengen van een binnentalud, maar dat dit op eisers verzoek is vervangen door binnenbeschoeiing. Tegen de binnenbeschoeiing is door eiser slechts aangevoerd dat die te diep in de grond wordt aangebracht. Deze bezwaargrond acht verweerder met de Commissie ongegrond. Een andere voorziening is een damwand, welke door verweerder te kostbaar is bevonden. De Commissie heeft in haar advies vermeld dat zij hiervoor begrip kan opbrengen. Gelet op het voorgaande ziet verweerder geen aanleiding het primaire besluit te herroepen en nader onderzoek te doen naar de hoogte van het grondpakket ter plaatse van de esdoorn.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en betoogt dat de esdoorn behouden kan en moet blijven. Verweerder is volgens hem zonder deugdelijke motivering afgeweken van het advies van de Commissie om nader onderzoek te doen naar de noodzakelijke hoogte van het aan te brengen grondpakket ter plaatse van de esdoorn. Eiser acht dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast is eiser van mening dat de binnenbeschoeiing in de voorziene vorm niet nodig is gelet op de noodzakelijke ophoging van de kade. Ook kan volgens eiser worden volstaan met een geringere ophoging van de kade. Eiser is tot slot van mening dat de metingen waarop het projectplan is gebaseerd niet geheel correct zijn.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op het bestreden besluit is afdeling 1.2 van de Crisis- en Herstelwet (Chw) van toepassing, omdat artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet is genoemd in categorie 7.3 van bijlage I bij de Chw.

4.2.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet, is – voor zover van belang – de toepassing van deze wet gericht op voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen.

In artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen.

In artikel 1 van de Waterwet is bepaald dat onder 'waterstaatswerk' een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk wordt verstaan.

Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet dient de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder te geschieden overeenkomstig een door hem vast te stellen projectplan. Op grond van het tweede lid bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder bij het vaststellen van een projectplan beleidsruimte toekomt. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient bij de toetsing van het projectplan aan de hand van de aangevoerde gronden, zich te beperken tot de vraag of verweerder, binnen de doelstellingen van de Waterwet, in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit tot vaststelling van het projectplan. Dat betekent dat de rechtbank de gemaakte keuzes terughoudend dient te toetsen. Een en ander laat onverlet dat verweerder zijn besluitvorming zorgvuldig dient voor te bereiden en deugdelijk dient te motiveren. Verweerder dient de belangen van de ingelanden op een kenbare wijze bij de besluitvorming te betrekken en af te wegen tegen het algemene veiligheidsbelang.

De hoogte van de kade en de diepte van de binnenbeschoeiing

6. De rechtbank volgt eiser niet voor zover hij betoogt dat verweerder kan volstaan met een geringere ophoging van de kade dan is voorzien in het projectplan. Dat verweerder is uitgegaan van onjuiste meetgegevens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de door verweerder gehanteerde dwarsprofielen. Eiser heeft geen deskundigenrapport ingebracht die de meetgegevens van verweerder weerleggen. Eisers eigen metingen overtuigen in dit verband niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de benodigde verhoging van de kade voldoende heeft gemotiveerd, inclusief het aanhouden van een overhoogte van 15 cm met het oog op zetting van het aan te brengen grondpakket. Deze standaard overhoogte zorgt er volgens verweerder voor dat verweerder gemiddeld niet vaker dan eens per vijftien jaar buitengewoon onderhoud aan de kering hoeft uit te voeren. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om dit standpunt van verweerder onjuist te achten. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het aanbrengen van een dergelijke overhoogte om te voorkomen dat jaarlijks onderhoud noodzakelijk is, reeds eerder in de rechtspraak is aanvaard. 1

6.1.

De rechtbank gaat eveneens voorbij aan de stelling van eiser dat verweerder kan volstaan met een binnenbeschoeiing die minder dan 80cm diep de bodem ingaat, reeds omdat deze stelling niet nader is onderbouwd.

Het kappen van de esdoorn

7. In het projectplan verwijst verweerder naar zijn beleid met betrekking tot beeldbepalende of waardevolle bomen Uit dit beleid volgt dat bij complex buitengewoon onderhoud van waterkeringen – zoals in dit geval – met betrekking tot reeds aanwezige bomen op de waterkering een afweging wordt gemaakt tussen risico-aanvaarding en behoud van de bomen. Als uit de beoordeling blijkt dat een boom niet voldoet aan de criteria en de veiligheid van de kade in het geding is, dan wordt de boom gekapt. Een uitzondering daarop wordt gemaakt voor beeldbepalende of waardevolle bomen. Met betrekking tot die bomen spant verweerder zich in om de risico’s op windworp, lekkages, inspecteerbaarheid en uitvoerbaarheid weg te nemen. Hierbij spelen ook de kosten een rol.

8. Niet in geschil is dat de esdoorn – evenals de treurwilg die behouden blijft - een waardevolle boom is. Uit (bijlage 2 bij) het projectplan blijkt dat de esdoorn past in het landschap en markant in het landschap en ecologisch waardevol is. In het projectplan heeft verweerder toegelicht dat de esdoorn in redelijke staat is, maar dat de voorziene ophoging dermate schadelijk is voor het wortelpakket dat het risico op windworp toeneemt door sterfte van essentiële wortels. Er is daarom voor gekozen geen technische oplossing uit te werken voor de esdoorn en over te gaan tot het kappen van deze boom. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de esdoorn het aan te brengen grondpakket ten behoeve van de dijkverhoging niet zal overleven en in dat verband verwezen naar pagina 9 van het rapport van Van Amerongen, waarin met betrekking tot de esdoorn het volgende is opgenomen:

“Het beslismodel volgend is het vrijwel onmogelijk de boom te sparen zonder grote aanpassingen aan het kadeontwerp […]. In principe is gewenst dat de kluit van de boom tot tenminste 200 cm uit het hart van de boom gehandhaafd blijft. Afgezien van een damwand (te duur) lijkt de enige mogelijkheid om de ophoging van de kade gefaseerd te laten verlopen, zodat de wortels wennen aan de ophoging. Hierbij wordt gedacht aan elke drie jaar 10 cm ophogen, gezien de niet optimale vitaliteit van de boom. De kroon kan dan wat uitgedund worden, waarbij maximaal 15% van de bladmassa verwijderd mag worden. Dat dient dan elke keer herhaald te worden bij een verdere ophoging. Het wordt dan ook tijdig duidelijk of de esdoorn hier goed op reageert of niet. De kans op (onverwacht) omvallen is dan ook vrijwel nihil.”

Anders dan verweerder leidt de rechtbank uit deze passage niet af dat vaststaat dat het aan te brengen grondpakket fataal is voor de esdoorn. Het bestreden besluit is in zoverre niet voldoende gemotiveerd. Voor zover in het verweerschrift – in afwijking van het bestreden besluit – is uiteengezet dat het niet van belang is of de esdoorn het grondpakket al dan niet overleeft omdat de aan te brengen binnenbeschoeiing sowieso tot sterfte van de boom zal leiden vanwege het doorsnijden van de wortels, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Als de esdoorn het aanbrengen van het bodempakket overleeft, ontstaat naar het oordeel van de rechtbank een situatie die in hoge mate vergelijkbaar is met die van de treurwilg. In dat geval valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom bij de treurwilg voor een technische oplossing is gekozen die het wortelpakket – en daarmee de boom – spaart, terwijl die oplossing kennelijk niet voor de esdoorn is onderzocht. Voor zover verweerder het standpunt heeft ingenomen dat de esdoorn minder waardevol is dan de treurwilg, overweegt de rechtbank dat dit niet uit het bestreden besluit volgt. In de bijlage bij het projectplan worden voor de treurwilg en de esdoorn precies dezelfde antwoorden gegeven op vragen naar waarde en beeldbepalendheid.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het standpunt dat de esdoorn niet behouden kan blijven omdat het aan te brengen grondpakket tot sterfte van de boom zal leiden, onvoldoende heeft onderbouwd. Het bestreden besluit berust daarmee niet op een draagkrachtige motivering.

10. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit te herstellen. Uitgaande van de voorgenomen omvang van het grondpakket dient verweerder nader te onderzoeken of de esdoorn hiertegen naar verwachting bestand is en, zo ja, waarom voor de esdoorn niet eenzelfde technische oplossing is onderzocht als voor de treurwilg. Verweerder kan het gebrek herstellen door het nemen van een nieuw besluit op bezwaar dan wel met een aanvullende motivering door het overleggen van een reactie van een ter zake deskundige.

11. Als verweerder gebruik wenst te maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen geldt hiervoor een termijn van zes weken. Indien verweerder meer tijd nodig heeft voor een verbeterde motivering dan dient hij vóór ommekomst van deze termijn gemotiveerd aan de rechtbank om verlenging hiervan te verzoeken.

12. Gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb verzoekt de rechtbank verweerder zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Indien verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser op grond van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb de gelegenheid geven te reageren op de herstelpoging van verweerder.

13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om, indien hij daarvan gebruik maakt, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 ECLI:NL:RVS:2018:236.