Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8843

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
C/09/601764 / FA RK 20-7694
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

echtscheiding met nevenvoorzieningen: hoofdverblijfplaats, zorgregeling, informatieregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie en verdeling naar Italiaans recht "separazione dei beni"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 20-7694 (echtscheiding)

FA RK 21-1068 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/601764 (echtscheiding)

C/09/607519 (verdeling)

Datum beschikking: 12 augustus 2021

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 28 oktober 2020 ingekomen verzoek van:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. D.G. Bertsch te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats 2]

advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van 28 oktober 2020, met bijlagen, namens de man;

  • -

    het F9-formulier van 24 november 2020, met bijlagen, namens de man;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift van 9 december 2020, met bijlagen, namens de vrouw;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 3 februari 2021, met bijlagen, namens de man;

- het F9-formulier van 9 maart 2021, met als bijlage het formulier Verdelen en

verrekenen, namens de vrouw;

- het F9-formulier van 16 maart 2021, met als bijlage het formulier Verdelen en

verrekenen, namens de man;

- het F9-formulier van 1 juli 2021, met bijlagen, namens de vrouw inhoudende een

(aangepaste) behoefteberekening, onderbouwd met stukken;

- het F9-formulier van 5 juli 2021, met bijlagen, namens de man.

Op 15 juli 2021 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel deze zaken als het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen (JE RK 21-955 en C/09/610954). Op dit laatste verzoek heeft de rechtbank op de zitting mondeling beslist, waarbij het verzoek is toegewezen. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is bij afzonderlijke beschikking vastgesteld.

Op de gecombineerde zitting zijn verschenen:

- [medewerker RvdK] namens de Raad;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [naam tolk 1] , tolk in Engels;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam tolk 2] tolk in Italiaans/Engels;

- [medewerker JBW] en [medewerker JBW] namens Jeugdbescherming West (hierna: Jbw).

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2014 te [huwelijksplaats] (Maleisië).

- Zij zijn de ouders van de volgende, thans nog minderjarige, kinderen:

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] (Australië),

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] (Australië).

- De kinderen verblijven bij de vrouw.

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- De man en de kinderen hebben de Italiaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Oekraïense nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 30 september 2020 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende:

- dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

- een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen, waarbij de

man gerechtigd is [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij zich te hebben:

- eerst twee keer in de ene week van zaterdag 10.00 uur (na het ontbijt) tot zondag 18.00 uur (voor het eten) en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag 10.00 uur (na het ontbijt);

- vervolgens twee keer in de ene week van zaterdag 10.00 uur (na het ontbijt) tot maandagochtend naar school en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag 10.00 uur (na het ontbijt);

- daarna in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag 10.00 uur (na het ontbijt);

- één week in de kerstvakantie;

- één week met Pasen;

- twee weken in de zomervakantie;

- dat de man en de kinderen op woensdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur met

elkaar zullen videobellen;

- dat de man aan de vrouw, met ingang van 30 september 2020, een voorlopige

kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 517,- per maand, per kind zal betalen,

telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- dat de man aan de vrouw, met ingang van 30 september 2020, een voorlopige

partneralimentatie van € 1.857,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te

voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man – zoals dat thans luidt – strekt tot:

I het uitspreken van de echtscheiding;

II vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen van partijen bij de vrouw;

III vaststelling van de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling):

• waarbij de kinderen om het weekend van donderdag tot maandag bij de man zijn;

• waarbij de man de kinderen tijdens schooldagen op donderdag uit school ophaalt

en maandag weer naar school brengt;

• waarbij de vrouw de kinderen tijdens niet-schooldagen op donderdag tussen 15.00

en 15.15 uur naar de man brengt en de man op maandag tussen 10.00 en 10.15

naar de vrouw brengt;

• waarbij de man in de week waarin hij de kinderen niet in het weekend heeft op

donderdag en zondag tussen 18.00 uur en 18.30 uur (voor het eten) met de

kinderen kan beeldbellen;

• waarbij de kinderen één week in de herfstvakantie (7 hele dagen en 7 nachten) bij

de man zijn;

• waarbij de kinderen één week in de kerstvakantie (7 hele dagen en 7 nachten) bij

de man zijn;

• waarbij de kinderen één week in de kerstvakantie (7 dagen en 7 nachten) bij de

vrouw zijn;

• waarbij de kinderen één week in de paas/meivakantie (7 hele dagen en 7 nachten)

bij de man zijn;

• waarbij de kinderen twee weken in de zomervakantie (14 dagen en 14 nachten,

die kunnen worden verdeeld in twee blokken) bij de man zijn;

• waarbij de kinderen drie weken (21 dagen en 21 nachten) aaneengesloten in de

zomervakantie bij de vrouw zijn, waarbij de kinderen het weekend erop bij de

man zullen verblijven;

• waarbij de kinderen ieder jaar één week in de voorjaars- of junivakantie (7 dagen

en 7 nachten) alternerend bij de man zijn;

• waarbij de kinderen van 21 tot en met 27 oktober 2021 met de man naar Italië

kunnen in verband met het huwelijk van de broer van de man;

• waarbij de feestdagen alternerend en bij helfte tussen partijen worden verdeeld;

• waarbij de kinderen op de verjaardag van de man tot de volgende ochtend bij de

man verblijven;

• waarbij de ouder bij wie de kinderen het laatst verbleven, de kinderen naar de

andere ouder brengt wanneer er gewisseld moet worden, tenzij de kinderen uit

school worden opgehaald of naar school worden gebracht; en

zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat de vrouw de

zorg- en contactregeling overtreedt;

IV bepaling dat de door de rechtbank vast te stellen zorg- en contactregeling doorloopt in de vakanties waarin partijen geen afspraken hebben gemaakt over de vakanties en/of uw rechtbank geen beslissing over neemt;

V bepaling dat de kinderen alleen, dus zonder dat de vrouw daarbij aanwezig is, met de man kunnen beeldbellen op hun tablet via één medium, te weten WhatsApp en als dat medium niet mogelijk blijkt via Skype;

VI vervangende toestemming voor het vernieuwen van het Italiaanse paspoort van [minderjarige 2] ;

VII vervangende toestemming voor het aanvragen van Italiaanse ID-kaarten voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] ;

VIII bepaling dat de man het beheer zal hebben over de Italiaanse paspoorten van de kinderen en de vrouw het beheer zal hebben over de Italiaanse ID-kaarten;

IX bepaling dat de vrouw haar informatieverplichting jegens de man ten aanzien van de kinderen nakomt. Meer specifiek:

- dat de vrouw informatie verstrekt over de Nederlandse ziektekostenpolis van de

kinderen, het verzekerdennummer daarvan verstrekt en de man een kopie van de

zorgpas toestuurt;

- dat de vrouw actuele informatie verstrekt ten aanzien van de allergieën van de

kinderen;

- dat de vrouw de man informeert over de (sport)activiteiten van de kinderen; en

- dat de vrouw de man informeert zodra er belangrijke gebeurtenissen hebben

plaatsgevonden;

X bepaling dat de vrouw geen contact meer mag opnemen met de collega’s van de man; en

XI bepaling dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld vanaf 2027; en

XII indien uw rechtbank een partneralimentatieverplichting aan de man oplegt, te bepalen dat deze partneralimentatieverplichting wordt afgebouwd zoals de man heeft uiteengezet, dan wel zodanige afbouwregeling als de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert – onder referte van het verzoek tot echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw, thans nog, zelfstandig verzocht om:

I de echtscheiding uit te spreken;

II vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen van partijen bij de vrouw;

III vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen van partijen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven:

- om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school;

- één week in de kerstvakantie;

- één week met Pasen;

- twee weken in de zomervakantie;

en tevens te bepalen dat de man met de kinderen kan videobellen op woensdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur;

IV bepaling dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen, met ingang van de datum dat de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand, een bedrag van € 659,- per maand per kind, bij vooruitbetaling aan de vrouw, zal voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

V bepaling dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, met ingang van de datum dat de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand, een bedrag van € 4.000,- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;

VI Primair

de man te gelasten inzage te verstrekken in zijn c.q. het gemeenschappelijke

vermogen van partijen zoals bedoeld onder punt 27 van dit verweerschrift, waarna

de vrouw in de gelegenheid dient te worden gesteld haar vermogensrechtelijke

aanspraken nader te onderbouwen;

Subsidiair

partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van die goederen die

gemeenschappelijk zijn ten overstaan van een notaris en met benoeming van

boedelnotaris en van onzijdige personen als bedoeld in de wet;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de man en de vrouw zich op het moment van de indiening van het verzoekschrift in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Ontvankelijkheid/ouderschapsplan

De rechtbank stelt vast dat geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van beide ouders over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en de behandeling op de zitting voldoende naar voren gekomen dat de ouders redelijkerwijs niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen, omdat het de ouders niet lukt om - ondanks de begeleiding van de preventief jeugdbeschermer – volledige overeenstemming te bereiken over de zorgregeling en de kinderalimentatie. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv.

Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de man en de vrouw ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De man en de vrouw stellen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoeken beiden om de echtscheiding uit te spreken. De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk staat dus in rechte vast, zodat de rechtbank de daarop steunende wederzijdse verzoeken tot echtscheiding, als op de wet en de feiten gegrond, zal toewijzen.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling.

Inhoudelijke beoordeling

Hoofdverblijfplaats

Op de zitting is gebleken dat de man en de vrouw zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Desgevraagd heeft de man op de zitting bevestigd dat zijn verzoek bij verweer op het zelfstandig verzoek van 3 februari 2021 tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem als ingetrokken kan worden beschouwd. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van de kinderen toewijzen.

Zorgregeling

Op de zitting is door alle betrokkenen bevestigd, dat de man en de vrouw samen – en in overleg met de preventief jeugdbeschermer – grotendeels overeenstemming hebben bereikt over een definitieve zorg- en contactregeling. Over een aantal punten verschillen de ouders van mening en verzoeken ze een beslissing van de rechtbank.

De ouders zijn de volgende zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen

overeengekomen:

Reguliere zorgregeling

• de kinderen zijn om het weekend bij de man;

• de man haalt de kinderen tijdens schooldagen op donderdag uit school en brengt de

kinderen op maandag weer naar school; en

• de vrouw brengt de kinderen tijdens niet-schooldagen op donderdag tussen 15.00 en

15.15

uur naar de man en de man brengt de kinderen op maandag tussen 10.00 en 10.15

uur naar de vrouw.

Partijen hebben op de zitting aanvullend afgesproken dat, als er geen school is, de ouder bij wie de kinderen het laatst verblijven de kinderen naar de andere ouder zal brengen als er gewisseld moet worden.

Videobelmomenten

• in de week dat de man de kinderen niet in het weekend heeft, zullen er met de man

belmomenten zijn op donderdag en zondag tussen 18.00 uur en 18.30 uur (voor het eten);

• in het weekend dat de kinderen bij de man zijn zal er op zaterdag een belmoment met de

vrouw zijn.

Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de kinderen alleen, dus zonder dat de vrouw

daarbij aanwezig is, met de man kunnen beeldbellen op hun tablet via één medium, te weten

WhatsApp en als dat medium niet mogelijk blijkt via Skype. Nu dit verzoek zich niet leent voor opname in het dictum en samenhangt met de leeftijd en rijpheid van de kinderen, gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders onder begeleiding van de jeugdbeschermer tot een voor de kinderen geschikte manier van communicatie met hun vader komen.

Vakanties

Ten aanzien van de vakanties zijn de man en de vrouw overeengekomen dat:

• de kinderen twee weken in de zomervakantie (14 dagen en 14 nachten, die

kunnen worden verdeeld in twee blokken) bij de man zijn;

• de kinderen drie weken (21 dagen en 21 nachten) aaneengesloten in de zomervakantie bij

de vrouw zijn, waarbij de kinderen het weekend erop bij de man zullen verblijven;

• de kinderen één week in de kerstvakantie (7 hele dagen en 7 nachten) bij de man zijn;

• de kinderen één week in de kerstvakantie (7 dagen en 7 nachten) bij de vrouw zijn; en

• de kinderen één week in de paas/meivakantie (7 hele dagen en 7 nachten) bij de man zijn.

De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu niet is gebleken dat de belangen van de kinderen zich hiertegen verzetten.

Uit de stukken en dat wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank gebleken

dat de ouders nog geen afspraken hebben kunnen maken over de voorjaars- en de junivakantie en dat ook de herfstvakantie (opnieuw) in geschil is. Alles afwegende zal de rechtbank de herfst-, voorjaars- en junivakantie alternerend één week aan iedere ouder toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat tijdens het bespreken van het verzoek tot ondertoezichtstelling naar voren is gekomen dat de rust voor de kinderen nu moet worden gewaarborgd, wat bereikt wordt door de frequentie en de wisselingen voor de kinderen te beperken.

Concreet betekent dit, dat de rechtbank deze vakanties als volgt zal verdelen en zal bepalen dat de kinderen bij de volgende ouder zijn:

in het schooljaar 2021-2022:

- herfstvakantie: één week bij de man;

- voorjaarsvakantie: één week bij de vrouw;

- junivakantie: één week bij de man;

in het schooljaar 2022-2023:

- herfstvakantie: één week bij de vrouw;

- voorjaarsvakantie: één week bij de man;

- junivakantie: één week bij de vrouw;

en daarna het schooljaar 2023-2024 zoals in het schooljaar 2021-2022 en verder.

Daarnaast heeft de vrouw er op de zitting mee ingestemd dat de kinderen de aankomende herfstvakantie 2021 van 21 oktober 2021 tot en met 27 oktober 2021 bij de man zullen verblijven in plaats van 23 oktober 2021 tot en met 29 oktober 2021. De man wenst alsdan met de kinderen naar Italië te reizen in verband met de bruiloft van zijn broer. De vrouw heeft aangegeven ermee akkoord te zijn dat de man met de kinderen naar de bruiloft van zijn broer gaat, mits er op het moment van vertrek geen sprake is van een negatief reisadvies voor Italië. De rechtbank kan in deze procedure enkel bepalen dat de kinderen van 21 oktober 2021 tot en met 27 oktober 2021 bij de man zullen verblijven en kan niet beslissen over de reis van de kinderen naar Italië, nu daartoe geen verzoek is geformuleerd. Deze tussen de ouders gemaakte afspraak leent zich dan ook niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in het belang van de kinderen deze afspraak zullen nakomen en daarbij in hetzelfde belang van de kinderen rekening zullen houden met de dan geldende richtlijnen omtrent reizen naar Italië.

Nu de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de man dat in de vakantie(weken) waarover in de beschikking niets wordt opgenomen, de reguliere zorg- en contactregeling blijft doorlopen, zal de rechtbank dit verzoek als onweersproken en in het belang van de kinderen toewijzen.

Feestdagen

Ten aanzien van de feestdagen (zoals Pasen, Pinksteren, Koningsdag en

Hemelvaartsdag) hebben de ouders onder begeleiding van de preventief jeugdbeschermer geen afspraken kunnen maken. Om die reden verzoekt de man te bepalen dat deze feestdagen alternerend en bij helfte zullen worden verdeeld.

Gelet op de extra wisselmomenten die mogelijk bij een verdeling van de feestdagen ontstaan bovenop de in deze beschikking bepaalde regeling en de huidige slechte onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen en de verdeling – gezien de uitgesproken ondertoezichtstelling – overlaten aan de jeugdbeschermer. Bij een goed verloop van de ondertoezichtstelling kunnen de ouders in onderling overleg en in samenspraak met de jeugdbeschermer hierover afspraken maken. Dit leidt ertoe dat de rechtbank dit verzoek van de man zal afwijzen.

Bijzondere dagen

De rechtbank is gebleken dat de ouders afspraken hebben kunnen maken over de verjaardagen van de kinderen, namelijk dat die samen zullen worden gevierd. Echter, de man en de vrouw verschillen van mening over hun eigen verjaardagen. Om die reden verzoekt de man te bepalen dat de kinderen op zijn verjaardag tot de volgende ochtend bij hem verblijven. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de kinderen op zijn verjaardag voor een paar uurtjes naar de man gaan, maar dat zij niet wenst dat de kinderen dan bij hem overnachten.

De rechtbank wijst het verzoek van de man toe, nu de rechtbank het in het belang van de kinderen acht om de verjaardag van hun ouders op een ontspannen manier met hen te kunnen vieren, dus inclusief een overnachting.

Overige afspraken

Uit de stukken blijkt dat de man en de vrouw hebben afgesproken dat beslissingen over de extra curriculaire activiteiten door hen samen zullen worden gemaakt aan het begin van ieder schooljaar/semester en dat zij maandelijks samen met de kinderen zullen eten op woensdag of donderdag. Nu geen van partijen in het petitum heeft verzocht om deze afspraken in de beschikking op te nemen, zal de rechtbank deze afspraken niet in het dictum opnemen, waarbij de rechtbank ten overvloede opmerkt dat deze afspraken zich ook niet lenen voor opname in het dictum. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in het belang van de kinderen hun afspraken desondanks ook wat dit betreft zullen nakomen.

Dwangsom

De man verzoekt aan de zorg- en contactregeling een dwangsom van € 250,- per overtreding aan de vrouw op te leggen. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de man zich ervan bewust te zijn dat het verbinden van een dwangsom aan een zorgregeling die door de ouders gezamenlijk is overeengekomen niet gebruikelijk is. De man meent echter voldoende belang te hebben bij een dwangsom, omdat in het afgelopen halfjaar het maar liefst zes keer is voorgekomen dat de man de kinderen niet heeft kunnen zien, omdat de vrouw de voorlopige zorgregeling niet na kwam. De vrouw verzet zich tegen het opleggen van een dwangsom.

De rechtbank is het met de vader eens dat het in het belang van de kinderen is dat de moeder zich aan de opgelegde zorgregeling houdt. Als de moeder dat niet doet, dan leidt dit namelijk tot teleurstellingen en verdriet bij de kinderen. Echter, nu de vrouw op de zitting heeft toegezegd de thans met vader overeengekomen dan wel (aanvullend door deze rechtbank) opgelegde zorg- en contactregeling te zullen nakomen en de kinderen inmiddels onder toezicht zijn gesteld, ziet de rechtbank nu geen aanleiding het verzoek van de man toe te wijzen. De rechtbank geeft de vrouw wel uitdrukkelijk mee dat ze zich dient te houden aan de zorg- en contactregeling, omdat bij het wederom niet nakomen van de regeling het opleggen van een dwangsom wel degelijk aan de orde kan zijn.

Paspoorten en ID-kaarten

Vernieuwen paspoort/aanvragen ID-kaarten

De rechtbank stelt voorop dat de verzoeken van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor het vernieuwen van het Italiaanse paspoort van [minderjarige 2] , alsmede voor het aanvragen van Italiaanse ID-kaarten voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] niet als nevenvoorzieningen in de zin van artikel 827 lid 1 Rv kunnen worden opgevat. De verzochte voorzieningen kunnen naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden opgevat als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 sub f Rv, nu deze verzoeken onvoldoende samenhang vertonen met het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal de man ten aanzien van deze verzoeken dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Overigens heeft de vrouw op de zitting toegezegd dat zij wel wil meewerken aan het vernieuwen van het paspoort van [minderjarige 2] alsmede het aanvragen van de Italiaanse ID-kaarten voor beide kinderen. Er is door de man een afspraak gemaakt bij de Italiaanse ambassade op 21 september 2021 en de vrouw heeft toegezegd te verschijnen op deze afspraak om dit gezamenlijk te regelen. Gelet op deze uitdrukkelijke toezegging gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw deze toezegging zal nakomen, mede gelet op het feit dat het beschikken over een paspoort dan wel ID-kaart in het belang van de kinderen is.

Beheer paspoorten/ID-kaarten

Aangezien de ouders geen afspraken hebben kunnen maken over wie welke

identiteitsdocumenten behoudt, handhaaft de man zijn verzoek te bepalen dat de man het beheer zal hebben over de Italiaanse paspoorten en de vrouw het beheer over de Italiaanse ID-kaarten.

Hoewel ook dit verzoek van de man geen nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 Rv is en de man daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard, geeft de rechtbank partijen mee het wel redelijk te vinden – nu er zowel voor beide kinderen Italiaanse paspoorten als Italiaanse ID-kaarten ter beschikking zijn – dat de paspoorten in beheer bij de man zullen zijn en de ID-kaarten bij de vrouw, zoals de man heeft verzocht.

Informatieverplichting

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een specifieke informatieplicht richting hem heeft. De rechtbank volgt de onweersproken stelling van de man dat iedere gezaghebbende ouder de verplichting heeft de andere ouder te informeren over het welzijn van zijn/haar kind. Gebleken is dat de vrouw belangrijke informatie over de kinderen niet of onvoldoende met de man deelt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen. Wel wijst de rechtbank de ouders erop dat gelet op de uitgesproken ondertoezichtstelling zij onder begeleiding van de jeugdbeschermer zullen moeten werken aan het verbeteren van het onderling delen van belangrijke informatie over de kinderen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de kinderen – de onderhoudsgerechtigden – in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Ingangsdatum

De vrouw verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze datum als ingangsdatum zal bepalen.

Behoefte van de kinderen

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op het moment van uit elkaar gaan in augustus 2020 € 1.390,- per maand bedroeg Geïndexeerd is dat per

1 januari 2021 € 1.432,- per maand voor beide kinderen samen. De rechtbank zal van deze behoefte uitgaan.

De behoefte van de kinderen wordt niet verhoogd met de kosten van de Britse school van de kinderen, omdat deze kosten nog steeds volledig door de werkgever van de man worden vergoed.

Draagkracht beide ouders

De man en de vrouw dienen in de behoefte van de kinderen te voorzien naar rato van ieders draagkracht. De rechtbank zal hierna de draagkracht van beide ouders beoordelen. Dit doet de rechtbank aan de hand van ieders Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) in 2021. Vervolgens dient het bedrag aan draagkracht volgens de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen in 2021 berekend te worden aan de hand van de formule

70% x [NBI – (0,3 NBI + 1000)]. Voor de lagere inkomens beneden een NBI van

€ 1.700,- zijn vaste bedragen van toepassing.

NBI en draagkracht vrouw 2021

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw op dit moment geen inkomen uit arbeid heeft en dat zij ook geen bedrag aan Duits kinderbijslag (meer) ontvangt. Uitgaande van het in de aangehechte berekening opgenomen kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw voor kinderalimentatie op € 456,- per maand (tarief 2021-2) en haar draagkracht voor kinderalimentatie op € 50,- per maand voor beide kinderen samen in 2021.

NBI en draagkracht man 2021

In geschil is de vraag van welke inkomsten bij de berekening van het NBI van de man in het kader van de draagkracht moet worden uitgegaan.

De man heeft sinds februari 2019 een vast dienstverband bij [bedrijfsnaam] in Duitsland. Nadat hij eerst voor dit bedrijf op een vestiging in [plaatsnaam in Nederland] heeft gewerkt, is hij sinds 1 oktober 2020 werkzaam bij [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam 1] , Duitsland. De man is enkel in Duitsland belastingplichtig. Uit de door de man als productie 18 overgelegde brief van een Duitse advocaat blijkt dat zijn inkomen vanaf die datum, rekening houdende met het Duitse belastingstelstel, € 7.390,73 netto per maand is. Evenals partijen zal de rechtbank dit bedrag als uitgangspunt nemen.

Uit de brief van de Duitse advocaat blijkt dat de man daarnaast voor een periode van twee jaar (onweersproken is dat het de periode betreft van 1 oktober 2020 – 30 september 2022) recht heeft op € 1.000,- per maand aan (double) household allowance. Tussen partijen is niet in geschil dat het maandinkomen van de man vermeerderd moet worden met deze aanvullende toeslag, maar wel met welk bedrag. De man en de vrouw verschillen van mening of het bedrag van € 1.000,- per maand een bruto- of nettobedrag betreft. De vrouw stelt dat dit een nettobedrag betreft en dat het maandsalaris vermeerderd moet worden met het volledige bedrag van € 1.000,-. De man heeft dit gemotiveerd betwist. Met de man is de rechtbank van oordeel dat voldoende uit de als productie 16 overgelegde brief van de werkgever blijkt dat sprake is van een brutobedrag en dat – zoals de man stelt – zijn netto maandsalaris moet worden vermeerderd met € 650,- netto per maand, tot 1 oktober 2022. Nu de man slechts recht heeft op de (double) household allowance tot oktober 2022 zal de rechtbank hierna twee berekeningen maken: voor de periode tot 1 oktober 2022 en voor de periode vanaf 1 oktober 2022.

De vrouw stelt dat bij de berekening van het NBI van de man ook rekening moet worden gehouden met een jaarlijkse bonus. Volgens de vrouw ontving de man in het verleden ieder jaar een bonus. Zij vindt het redelijk rekening te houden met een bonus van € 12.000,- per jaar.

De man begrijpt dat een bonus invloed heeft op zijn draagkracht, maar hij verzet zich ertegen om in de berekening van zijn draagkracht op voorhand rekening te houden met een bonus. De man verzoekt hem te veroordelen elk jaar een percentage van 25% van zijn netto te ontvangen bonus aan de vrouw over te maken.

Anders dan de man verzoekt, zal de rechtbank nu al met een bonus rekening houden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de door de man als productie 38 overgelegde brief van zijn werkgever blijkt dat de man dit jaar een bonus van € 19.130,- bruto, dat wil zeggen € 12.469,89 netto, heeft ontvangen. De man heeft onbetwist gesteld dat dit een bonus van 114% betreft. Verder heeft de man gesteld dat hij ieder jaar een bonus tussen de 60% tot 120% kan verdienen. De rechtbank acht het redelijk om rekening te houden met een gemiddeld percentage van 90% per jaar aan bonus en neemt daarbij als uitgangspunt de bonus van afgelopen jaar. Concreet betekent dit dat de rechtbank rekening zal houden met een bedrag van afgerond € 9.845,- netto per jaar (€ 12.469,89 :114 x 90), ofwel € 820,- netto per maand.

Verder stelt de vrouw dat bij de berekening van het NBI van de man ook rekening moet worden gehouden met de inkomsten van verhuur van onroerend goed. De man heeft diverse onroerende goederen in Dubai en Italië, die hij verhuurt en waaruit hij inkomsten heeft.

Bij brief van 5 juli 2021 heeft de man inzage gegeven in zijn inkomsten van verhuur van de onroerende goederen in Dubai en Italië. Uit deze brief blijkt dat het netto inkomen uit onroerend goed in Italië € 693,12 per maand bedraagt en het netto inkomen uit onroerend goed in Dubai € 1.355,42 per maand bedraagt. Tezamen is dat € 2.048,54. De man stelt hierbij gemotiveerd dat de huurprijs van een van de onroerende zaken in Dubai naar beneden bijgesteld moet worden. Deze bijstelling is onweersproken door de man gesteld op € 191,67 per maand. Het netto inkomen van verhuur van onroerend goed dient zodoende te worden gesteld op € 1.856,87 per maand.

Primair betwist de man dat bij de berekening van zijn draagkracht met de inkomsten van verhuur van onroerend goed rekening moet worden gehouden, omdat de vrouw nooit van deze inkomsten heeft geprofiteerd. De inkomsten en uitgaven ten behoeve van het onroerend goed van de man in Italië en Dubai werden altijd gedaan van rekeningen die niet door de vrouw, noch door partijen, werden gebruikt tijdens het huwelijk. De man acht het dan ook onrechtvaardig als zijn inkomsten uit onroerend goed nu wel worden meegenomen bij het berekenen van zijn draagkracht. Daarnaast heeft de man deze gelden vorig jaar gebruikt om een woning in Den Haag te kopen, waardoor zijn woonlasten lager zijn, wat tot een hogere draagkracht leidt in het voordeel van de vrouw. Tot slot zijn de inkomsten uit onroerend goed onzeker. Zo vertrekt per 1 augustus 2021 een huurder van een appartement in Dubai en heeft de man - onder meer ook in verband met corona - nog geen nieuwe huurder gevonden. Subsidiair verzoekt de man om met een bedrag van € 1.000,- netto per maand rekening te houden.

De rechtbank zal bij de berekening van het NBI van de man rekening houden met het bedrag van € 1.856,87 netto per maand aan huurinkomsten en overweegt daartoe als volgt. Pas kort voor de zitting heeft de man een overzicht verstrekt van zijn (huidige) huurinkomsten. Hieruit blijkt zoals hiervoor aangegeven dat zijn inkomsten uit onroerend goed in Italië en Dubai totaal € 1.856,87 netto per maand bedragen. Anders dan de man betoogt, ziet de rechtbank geen reden deze huurinkomsten buiten beschouwing te laten nu deze gelden inkomsten betreffen waarover je vrijelijk kunt beschikken. Het feit dat partijen tijdens huwelijk geen gebruik maakten van dit geld, doet daaraan niet af. Evenmin zal de rechtbank rekening houden met de gestelde toekomstige vermindering aan huurinkomsten. De rechtbank overweegt dat dit een onzekere gebeurtenis betreft. Het had bovendien op de weg van de man gelegen om inzicht te geven in zijn gemiddelde huurinkomsten over een langere periode van bijvoorbeeld vijf jaar, omdat inkomsten uit verhuur in het algemeen aan enige fluctuatie onderhevig zijn. Nu hij dit heeft nagelaten, rest de rechtbank niet anders dan uit te gaan van de nu vaststaande inkomsten.

Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank hierna twee berekeningen maken over twee verschillende periodes.

Periode tot 1 oktober 2022 (met aanvullende toeslag huisvesting)

Concluderend berekent de rechtbank het NBI van de man tot 1 oktober 2022 totaal op afgerond € 10.718,-, te weten:

€ 7.390,73 inkomen

€ 650,- aanvullende toeslag huisvesting

€ 820,- bonus

€ 1.856,87 huurinkomsten

€ 10.717,60

De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten in plaats van de forfaitaire woonlasten, aangezien hij dubbele woonlasten heeft. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat bij het berekenen van de draagkracht wordt uitgegaan van de forfaitaire woonlasten ter hoogte van 0,3 maal het NBI. Dit geldt temeer, nu de rechtbank het NBI van de man aanzienlijk hoger heeft berekend dan waarvan de man in zijn berekeningen is uitgegaan met als gevolg dat als de werkelijke woonlasten niet meer hoger zijn dan de forfaitaire woonlast.

Volgens de formule bedraagt de draagkracht van de man voor kinderalimentatie afgerond

€ 4.552,- per maand, te weten 70% x [10.718 – ((0,3 x 10.718) + 1000)].

Verdeling van de draagkracht

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt nu in totaal € 4.602,- per maand.

De verdeling van de kosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule, ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 4.552/4.602 x 1432 = € 1.416,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50/4.602 x 1432 = € 16,-

€ 1.432,-

Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.416,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 16,- per maand voor rekening van de vrouw.

Periode vanaf 1 oktober 2022

De rechtbank berekent het NBI van de man vanaf 1 oktober 2022 op afgerond € 10.068,-,

te weten:

€ 7.390,73 inkomen

€ 820,- bonus

€ 1.856,87 huurinkomsten

€ 10.067,60

Zoals hiervoor overwogen, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding af te wijken van de forfaitaire woonlasten. De draagkracht van de man voor kinderalimentatie bedraagt volgens de formule afgerond € 4.233,- per maand, te weten 70% x [10.068 – ((0,3 x 10.068) + 1000)].

Verdeling van de draagkracht

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt nu in totaal € 4.283,- per maand.

De verdeling van de kosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule, ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 4.233/4.283 x 1432 = € 1.415,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50/4.283 x 1432 = € 17,-

€ 1.432,-

Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.415,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 17,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Van het eigen aandeel van de man dient vervolgens de zorgkorting in aftrek te worden genomen.

De man betoogt dat een zorgkorting van 35% dient te worden toegepast, althans in elk geval een percentage van 25%. Weliswaar dient op basis van de vast te stellen zorgregeling een percentage van 25% te worden toegepast, maar er dient daarnaast ook rekening gehouden te worden met de verblijfsoverstijgende kosten die hij voldoet. Zo betaalt de man de buitenschoolse activiteiten van de kinderen, zoals de gym voor beide kinderen, pianoles voor [minderjarige 1] en de museum- en dierentuinjaarkaarten. De vrouw verweert zich en stelt dat de man recht heeft op een zorgkorting van 15%.

Gelet op de door de rechtbank vast te stellen zorgregeling, zoals hiervoor overwogen, past de rechtbank een zorgkorting van 25% voor de man toe. Voor het bepalen van de hoogte van het zorgkortingspercentage wordt namelijk gekeken naar hoeveel dagen de kinderen per week bij de man verblijven. Dat de man daarnaast, in ieder geval in het verleden, bepaalde verblijfsoverstijgende kosten heeft betaald, doet daaraan niet af.

De rechtbank benadrukt dat de vrouw – als de ouder waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats hebben – in beginsel alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals de kosten van sport, kleding en jaarkaarten behoort te betalen. Uiteraard staat het de man vrij deze kosten te blijven voldoen, maar hiertoe is hij niet verplicht. Hiernaast dragen beide ouders ieder voor zich de verblijfkosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wanneer zij bij hem of haar zijn.

Een zorgkorting van 25% leidt ertoe dat 25% van de behoefte, dat wil zeggen € 358,- (25% van € 1.432,-) per maand in mindering komt op het eigen aandeel van de man.

Dat betekent dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van € 1.058,-, te weten

(€ 1.416/€ 1.417,- -/- € 358) per maand, ofwel (afgerond) € 529,- per maand per kind.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke Stand aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van € 529,- per maand per kind.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot partneralimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt om een partneralimentatie te bepalen van € 4.000,- bruto per maand. De man heeft verweer gevoerd.

Behoefte vrouw

De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van een (laatste) behoeftelijst (bijlage bij haar brief van 1 juli 2021) gesteld op € 2.528,- netto per maand. De man betwist de hoogte van deze (laatste) behoefte niet. Nu de vrouw een bijdrage van € 4.000,- bruto heeft verzocht, zal de rechtbank voor de behoefte het bedrag van € 4.000,- bruto als uitgangspunt nemen.

Behoeftigheid vrouw

De vrouw heeft op dit moment geen inkomen uit arbeid. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de vrouw verdiencapaciteit heeft om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij de man altijd voor zijn carrière is gevolgd naar verschillende landen en daardoor geen eigen carrière heeft kunnen opbouwen. Zij bezit de Oekraïense nationaliteit en is pas sinds 2019 in Nederland. Zij spreekt Russisch, Oekraïens en Engels en heeft tenminste passieve kennis van de Italiaanse en de Duitse taal. Haar Oekraïense diploma wordt wel in Nederland erkend, maar voldoet niet aan de voorwaarden om in Nederland les te geven. De vrouw is op zoek naar een baan, maar dit blijkt lastig te zijn.

De man heeft op dit punt gesteld dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij vanaf 2023 minimaal € 1.500,- bruto kan verdienen en dat zij vanaf 2027 met haar inkomen volledig in haar behoefte kan voorzien. De vrouw heeft in Oekraïne haar zogenoemde language bachelor graad gehaald en heeft 4 jaar als docent Engelse taal gewerkt.

De rechtbank vindt het redelijk om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit. Hoewel de vrouw sinds haar huwelijk niet meer heeft gewerkt en zich heeft gericht op de zorg voor de kinderen en het huishouden, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om een betaalde baan te vinden, zodat zij, in ieder geval deels, in haar eigen levensonderhoud kan gaan voorzien. De vrouw is nog jong, 36 jaar, goed (academisch) opgeleid en naar het oordeel van de rechtbank hoeft de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de vrouw niet te beperken in het vinden van (parttime) werk. De vrouw heeft tijdens de zitting zelf ook aangegeven dat zij wil gaan werken en ook al aan het solliciteren is. De sollicitatiepogingen die de vrouw heeft ondernomen, hebben volgens de vrouw nog geen resultaat opgeleverd, maar de rechtbank is van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich verder hiervoor blijft inspannen. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank het – evenals de man – niet redelijk om meteen rekening te houden met een verdiencapaciteit, maar de vrouw enige tijd te gunnen om een inkomen te verwerven. De rechtbank acht het redelijk om vanaf 1 januari 2023 rekening te houden met een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.250,- bruto per maand, nu de vrouw ook de hoofdverzorger van de kinderen is en de Nederlandse taal (nog) niet machtig is. Dit betekent dat de rechtbank als uitgangspunt neemt dat de vrouw op dit moment nog onverminderd behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud van € 4.000,- bruto per maand. Vanaf 1 januari 2023 heeft de vrouw nog een aanvullende behoefte van € 2.750,- bruto per maand (€ 4.000,- minus € 1.250,-).

Draagkracht man

De rechtbank verwijst voor het NBI van de man naar dat wat hiervoor bij de berekening van de draagkracht van de man voor de kinderalimentatie is overwogen. De rechtbank zal ook hierna twee berekeningen maken, te weten over de periode tot 1 oktober 2022 waarin het NBI van de man € 10.718,- (inclusief € 650,- per maand (double) household allowance) bedraagt en de periode vanaf 1 oktober 2022 waarin het NBI van de man € 10.068,- (exclusief (double) household allowance) bedraagt.

Verder sluit de rechtbank aan bij de door de man als productie 41 overgelegde draagkrachtberekening, nu deze niet of onvoldoende is betwist door de vrouw, met inachtneming van het volgende.

De rechtbank neemt de volgende niet of onvoldoende betwiste maandelijkse lasten van de man in aanmerking:

- hypotheekaflossing/premie levensverzekering [adres en plaatsnaam woning] € 595,- per

maand;

- forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand;

- premie basisverzekering ZVW van € 111,- per maand;

- verplicht eigen risico € 32,- per maand.

De rechtbank brengt op voormelde kosten in mindering de in de bijstandsnorm verdisconteerde nominale premie ziektekosten en de gemiddelde basishuur.

Verder zal de rechtbank rekening houden met de door de man opgevoerde huurlasten van zijn woning in [plaatsnaam in Duitsland] tot een bedrag van € 1.115,- per maand aan kale huur, zoals blijkt uit de door de man overgelegde productie 20. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat, uitgaande van deze kale huur, het bedrag van € 250,- aan aanvullende kosten gas/water/licht en abonnementen ook kan worden meegenomen in de draagkrachtberekening, zodat de rechtbank hiermee rekening zal houden.

Voor de man geldt een bijstandsnorm voor een alleenstaande en in het kader van de partneralimentatie een draagkrachtpercentage van 60. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van (afgerond) € 529,- per kind per maand, te vermeerderen met de zorgkorting van € 358,-, dat wil zeggen in totaal met een bedrag van € 1.416,-. Nu de man bij de berekening van zijn NBI al onweersproken rekening heeft gehouden met het maximale bedrag aan partneralimentatie dat hij in Duitsland kan aftrekken (€ 13.805,- per jaar/€ 1.150 per maand), volgt de rechtbank dit gegeven en gaat de rechtbank ervan uit dat onderstaande bedragen zijn bruto draagkracht betreft.

Conclusie partneralimentatie over de verschillende periodes

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de volgende bedragen aan partneralimentatie redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven zijn:

- de periode vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de Burgerlijke Stand tot 1 oktober 2022 een bedrag aan partneralimentatie van € 3.210,- bruto per maand;

- de periode van 1 oktober 2022 tot 1 januari 2023 een bedrag aan partneralimentatie van

€ 2.819,- bruto per maand;

- de periode vanaf 1 januari 2023 een bedrag aan partneralimentatie van € 2.750,- bruto per

maand, nu de vrouw vanaf deze periode nog een aanvullende behoefte van € 2.750,- per

maand heeft in verband met de aan haar toegekende verdiencapaciteit.

De rechtbank verwijst hiertoe naar de aan deze beschikking gehechte en daarvan deel uitmakende berekeningen van de draagkracht van de man voor de partneralimentatie.

De rechtbank zal aldus beslissen.

Verzoek tot nihilstelling/limitering

De man verzoekt de partneralimentatie na 2027 op nihil te stellen. Volgens de man kan gelet op de leeftijd, het opleidingsniveau en de werkervaring van de vrouw redelijkerwijs worden verwacht dat zij vanaf die periode zelf in haar levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren of na 2027 op nihil te stellen. De rechtbank overweegt daartoe dat het limiteren van partneralimentatie een ingrijpende beslissing is, nu dit voor de vrouw praktisch een einde maakt aan het recht op een bijdrage in haar levensonderhoud. Vanwege de ingrijpende gevolgen van limitering worden hoge eisen gesteld aan de door de alimentatieplichtige te stellen, en zo nodig te bewijzen, bijzondere omstandigheden die limitering zouden rechtvaardigen. De man heeft niet voldaan aan de zware stelplicht die geldt voor een beslissing die praktisch een einde maakt aan het recht op levensonderhoud. Weliswaar is voor een nihilstelling op termijn een minder zware stelplicht aan de zijde van de man vereist, maar ook hiervoor heeft de man onvoldoende gesteld. De rechtbank heeft bovendien met dat wat de man op dit punt aanvoert al op andere wijze rekening gehouden, namelijk door de vrouw vanaf 2023 een bepaalde verdiencapaciteit toe te kennen. Wanneer mocht blijkt dat de inkomensverhoudingen tussen partijen in de toekomst aanmerkelijk veranderen, kunnen zij altijd in onderling overleg een regeling treffen of, indien zij hierin niet slagen, een verzoek tot wijziging van de partneralimentatie bij de rechtbank indienen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man tot limitering c.q. nihilstelling van de partneralimentatie na 2027 dan ook afwijzen.

Huwelijksvermogensrecht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2014 te [huwelijksplaats] (Maleisië) met elkaar gehuwd, zodat het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Op het moment van de huwelijkssluiting had de man de Italiaanse nationaliteit en had de vrouw de Oekraïense nationaliteit. Daarna hebben partijen op [datum] 2014 op de Italiaanse ambassade te [huwelijksplaats] (Maleisië) een huwelijksovereenkomst “Convenzione di separazione dei beni”, dat wil zeggen een overeenkomst van een scheiding van goederen, getekend.

De man heeft gesteld dat partijen hiermee tijdens het huwelijk een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht en het Italiaanse recht hebben aangewezen als toepasselijk recht op hun huwelijksvermogensregime. Deze overeenkomst, die de man als productie 23 heeft overgelegd, voldoet volgens de man aan de vereisten zoals vermeld in het Verdrag en deze overeenkomst is qua inhoud en vorm naar Italiaans rechtsgeldig. Gelet hierop wordt het huwelijksvermogensregime op grond van artikel 6 van het Verdrag beheerst door het Italiaans recht.

De vrouw heeft betwist dat er sprake is van een geldige rechtskeuze voor het Italiaans recht en meer specifiek voor de “separazione dei beni”, zijnde een scheiding van goederen. Op de zitting heeft de vrouw echter erkent dat partijen op [datum] 2014 – enkele weken na de huwelijkssluiting – op de Italiaanse ambassade een overeenkomst hebben gesloten, “omdat de man zijn vermogen voor zichzelf wilde houden”. Dit is ook juist het gevolg van de huwelijksovereenkomst naar Italiaans recht, zoals de man stelt.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de rechtskeuze voor Italiaans recht aan de eisen die daaraan door enerzijds het Verdrag en anderzijds het Italiaanse recht worden gesteld, nu door partijen zowel op grond van artikel 6 van het Verdrag als op grond van artikel 162 van het Italiaans Burgerlijk Wetboek ook na de huwelijksvoltrekking een rechtskeuze gemaakt kan worden. Het door de man overlegde document is notarieel bekrachtigd in aanwezigheid van twee getuigen. Uit de door de man overlegde en onweersproken legal opinion van professor aan de Universiteit van [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] (Italië), de heer [naam] , blijkt dat op grond van artikel 28 van D.Lgs. (Decreto Legislativo = wetgevend besluit) van 3 februari 2011 no. 71 in dit geval ook het hoofd van, in dit geval, de Italiaanse ambassade de functie van notaris kan uitoefenen. Dit betekent dat partijen met ingang van [datum] 2014 – in afwijking van het Italiaanse stelsel van “comunione dei beni” (gemeenschap van goederen) – hebben gekozen voor het huwelijksvermogensregime “separazione dei beni”. Op grond van artikel 215 en 217 van het Italiaans Burgerlijk Wetboek houdt dit regime in dat sprake is van een scheiding van goederen, waarbij iedere echtgenoot de exclusieve eigendom over goederen behoudt en het recht om vermogen voorafgaand aan en tijdens het huwelijk wordt verworven, te gebruiken en beheren, zonder uitzondering, en voldoet zijn/haar eigen schulden met zijn/haar eigen vermogen. Op grond van artikel 219 van het Italiaans Burgerlijk Wetboek worden alleen roerende goederen waarvan de exclusieve eigendom niet is bewezen, beschouwd als gemeenschappelijke goederen. Niet gesteld of gebleken is van gemeenschappelijke goederen sinds de huwelijksovereenkomst.

Nu partijen op [huwelijksdatum] 2014 met elkaar zijn gehuwd en pas op [datum] 2014 de huwelijksovereenkomst “ Convenzione di separazione dei beni” zijn aangegaan, is de vraag nog onbeantwoord welk recht gedurende de periode van bijna 4 weken tussen [huwelijksdatum] 2014 en [datum] 2014 van toepassing is. Indien in deze relatief korte periode een gemeenschap van goederen is ontstaan, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse algehele gemeenschap van goederen naar het recht van voor 1 januari 2018, dan zou immers naar de stellingen van de vrouw alsnog iets te verdelen kunnen zijn.

Voor de rechtbank staat evenwel vast dat in de periode van [huwelijksdatum] 2014 tot [datum] 2014 Nederlands recht niet van toepassing was, aangezien partijen destijds in het geheel geen band met Nederland hadden. Dit betekent dat van een algehele gemeenschap van goederen geen sprake is en er dus tussen partijen niets te verdelen valt. De man heeft immers ook anderszins onweersproken gesteld dat er in deze periode geen sprake is geweest van (de aanschaf van) gemeenschappelijke goederen.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank zowel het primaire als subsidiaire verzoek van de vrouw af.

Het verzoek van de man dat de vrouw geen contact meer mag opnemen met de collega’s van de man.

De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in dit verzoek, omdat dit verzoek geen nevenvoorziening betreft in de zin van artikel 827 lid 1 Rv.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd te [huwelijksplaats] (Maleisië) op [huwelijksdatum] 2014;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] (Australië),

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] (Australië),

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

*

bepaalt de volgende zorg- en contactregeling:

Reguliere zorgregeling

• de kinderen verblijven om het weekend bij de man;

- waarbij de man de kinderen tijdens schooldagen op donderdag uit school ophaalt

en maandag weer naar school brengt; en

- waarbij de vrouw de kinderen tijdens niet-schooldagen op donderdag tussen 15.00

en 15.15 uur naar de man brengt en de man op maandag tussen 10.00 en 10.15 uur

naar de vrouw brengt;

Videobelmomenten

bepaalt dat in de week dat de man de kinderen niet in het weekend heeft, de man op donderdag en zondag tussen 18.00 uur en 18.30 uur (voor het eten) met de kinderen kan videobeeldbellen;

Vakanties

de kinderen verblijven:

• twee weken in de zomervakantie (14 dagen en 14 nachten, die

kunnen worden verdeeld in twee blokken) bij de man;

• drie weken (21 dagen en 21 nachten) aaneengesloten in de zomervakantie bij

de vrouw, waarbij de kinderen het weekend erop bij de man zullen verblijven;

• één week in de kerstvakantie (7 hele dagen en 7 nachten) bij de man;

• één week in de kerstvakantie (7 dagen en 7 nachten) bij de vrouw; en

• één week in de paas/meivakantie (7 hele dagen en 7 nachten) bij de man;

• alternerend één week in de herfst-, voorjaars- en junivakantie bij de man dan

wel de vrouw, conform het volgende schema:

in het schooljaar 2021-2022:

- herfstvakantie: één week bij de man;

- voorjaarsvakantie: één week bij de vrouw;

- junivakantie: één week bij de man;

in het schooljaar 2022-2023:

- herfstvakantie: één week bij de vrouw;

- voorjaarsvakantie: één week bij de man;

- junivakantie: één week bij de vrouw;

en daarna het schooljaar 2023-2024 zoals in het schooljaar 2021-2022 en verder, met de kanttekening dat voor het schooljaar 2021-2022 geldt dat de kinderen in de herfstvakantie in plaats van 23 tot en met 29 oktober 2021 van 21 tot en met 27 oktober 2021 bij de vader verblijven;

Bijzondere dagen

bepaalt dat de kinderen op de verjaardag van de man tot de volgende ochtend bij de man zullen verblijven;

Algemeen

bepaalt dat de ouder bij wie de kinderen het laatst verblijven de kinderen naar de andere ouder brengt wanneer er gewisseld moet worden, tenzij de kinderen uit school worden opgehaald of naar school worden gebracht;

bepaalt dat de reguliere zorg- en contactregeling zal doorlopen in de vakanties waarover de rechtbank geen beslissing heeft genomen;

*

bepaalt dat de vrouw met ingang van heden de man regelmatig schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de hiervoor genoemde minderjarigen,

meer in het bijzonder:

- informatie over de Nederlandse ziektekostenpolis van de kinderen, het

verzekerdennummer daarvan verstrekt en de man een kopie van de

zorgpas toestuurt;

- actuele informatie ten aanzien van de allergieën van de kinderen;

- informatie over de (sport)activiteiten van de kinderen;

- informatie over belangrijke gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden;

*

bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de Burgerlijke Stand aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van € 529,- per maand per kind, nu maandelijks telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de Burgerlijke Stand:

  • -

    tot 1 oktober 2022 een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 3.210,- bruto per maand,

  • -

    over de periode van 1 oktober 2022 tot 1 januari 2023 een bedrag aan partneralimentatie van € 2.819,- bruto per maand en

  • -

    vanaf 1 januari 2023 een bedrag aan partneralimentatie van € 2.750,- bruto per maand, nu maandelijks telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot het verlenen van vervangende toestemming voor het vernieuwen van een Italiaans paspoort voor [minderjarige 2] en voor het aanvragen van Italiaanse ID-kaarten voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alsmede tot het in beheer hebben van de paspoorten en ID-kaarten en in zijn verzoek dat de vrouw geen contact meer mag opnemen met de collega’s van de man;

*

verklaart deze beschikking tot zover -met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding- uitvoerbaar bij voorraad;

en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Dam, C.S.F. de Nijs en M.E. Visser, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2021.