Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8808

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
20/7237
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, traplift, geen woonvoorziening wordt verstrekt indien inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperking op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/7237


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgmeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Thoen).

Procesverloop

In het besluit van 27 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een maatwerkvoorziening, in de vorm van een traplift, op grond van de

Wet maatschappelijke opvang (Wmo) afgewezen.

In het besluit van 8 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus heeft er met toestemming van partijen geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit de van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres is al enige jaren bekend met klachten aan het bewegingsapparaat en zij heeft begin 2019 de diagnose MS gekregen. Als gevolg van deze medische aandoening ervaart eiseres krachtverlies. Op 24 oktober 2019 heeft eiseres verweerder benaderd voor een ondersteuningsaanvraag. Naar aanleiding van die aanvraag heeft op 12 december 2019 een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Op basis hiervan is een ondersteuningsverslag gemaakt. Het door eiseres ondertekende ondersteuningsverslag is door verweerder aangemerkt als een aanvraag om toekenning van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. De aanvraag betreft een woonvoorziening in de vorm van een traplift.

1.2

Op 27 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Als reden voor de afwijzing wordt genoemd dat met het plaatsen van een traplift geen langdurig geschikte situatie gecreëerd kan worden. De deurdoorgangen zijn te smal om met een rolstoel doorheen te kunnen. Daarbij is ook de badkamer klein en niet geschikt om met grote hulpmiddelen te werken. Eiseres is in 2018 verhuisd naar de huidige woning (met trap), ondanks de reeds bestaande klachten aan het bewegingsapparaat en tegen het advies van de gemeente in.

2. Verweerder heeft het advies van de commissie voor bezwaarschriften gevolgd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder baseert zijn beslissing op artikel 10.1.2, tweede lid, aanhef en onder g van de Verordening maatschappelijke ondersteuning (Verordening). Op basis van dit artikel wordt geen woonvoorziening verstrekt indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperking op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college. In het besluit van 17 april 2014 heeft verweerder geadviseerd om uit te kijken naar een gelijkvloerse woonruimte op de begane grond of bereikbaar met de lift. Eiseres is vervolgens in 2018 verhuisd naar een woning met een trap. In 2019 blijkt dat traplopen te zwaar is en dat zij slechts eenmaal per dag naar boven en naar beneden kan. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 augustus 2018 stelt verweerder dat de Wmo ruimte biedt om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of verhuizing, rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. Van eiseres had dus verwacht kunnen worden dat zij vanwege haar lichamelijke beperkingen op zoek was gegaan naar een gelijkvloerse woning. De gevolgen van het niet rekening houden met haar beperkingen en dus kiezen voor een woning met een trap, kunnen niet worden afgewenteld op de overheid. Voorafgaand aan de verhuizing heeft eiseres evenmin toestemming gekregen van het college om voor een woning met een trap te kiezen. Verweerder is daardoor gehouden de gevraagde woonvoorziening te weigeren.

3. Op wat eiseres daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij haar hulpvraag redelijkerwijs had kunnen voorzien en daarmee bij de verhuizing rekening had moeten houden. Eiseres meent dat zij het advies van 17 april 2014 om bij een verhuizing uit te kijken naar een gelijkvloerse woning, nooit heeft ontvangen. Volgens eiseres is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat hij het advies heeft verzonden en dat het ook is ontvangen. Indien eiseres de brief van 17 april 2014 had ontvangen, had zij op zoek gegaan naar een adequate woning en had zij niet haar huidige woning betrokken.

Eiseres voert voorts aan dat de behoefte aan de aangevraagde woonvoorziening pas is ontstaan na de verhuizing. Pas in 2019 is de ziekte MS gediagnosticeerd. Sindsdien is eiseres lichamelijk veel slechter geworden en is traplopen veel moeilijk geworden. Vóór 2019 kon eiseres nog trappen lopen. Eerder was namelijk alleen sprake van artrose. Traplopen werd hierdoor niet onmogelijk, slechts moeilijker. Voordat eiseres de MS-aanval kreeg, had zij volgens haar fysiotherapeut en reumatoloog nog jaren kunnen traplopen.

4.2

Uit wetgeschiedenis en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat voorzieningen in het kader van de Wmo kunnen worden geweigerd indien een burger tot een aanschaf of verhuizing overgaat zonder rekening te houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. De gevolgen van een dergelijke handelwijze kunnen niet worden afgewenteld op de overheid (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2015:3881 en ECLI:NL:CRVB:2018:2603). In de memorie van toelichting bij de Wmo (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr.3, p.148) staat hierover dat het college geen maatwerkvoorziening behoeft te verstrekken “ als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen […]”.

4.3

Uit de rapportage van 6 maart 2014 blijkt dat eiseres lichamelijke klachten ervaart als gevolg van fibromyalgie. Ook heeft zij reumatische klachten aan de knieen, is een aantal maal door de knieën gezakt. Ook heeft eiseres destijds aangegeven dat zij kampt met overgewicht, hartklachten en dat langdurig staan en lopen niet mogelijk is. Daarnaast is traplopen een probleem als gevolg van de reumatische klachten in combinatie met het overgewicht. Uit het ondersteuningsverslag van 18 mei 2017 blijkt dat er problemen met de rug, schouder, polsen, enkels en knie zijn. En dat er sprake is van een ernstige vorm van artrose en een reumatische aandoening. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat een verslechtering van de beperkingen van eiseres niet was te voorzien op het moment dat eiseres de huidige woning betrok. Met het verhuizen naar een woning met een trap heeft eiseres onvoldoende rekening gehouden met de destijds al aanwezige beperkingen en een mogelijke verslechtering daarvan. Dat de diagnose MS pas na de verhuizing is vastgesteld, neemt niet weg dat veel beperkingen al aanwezig waren en traplopen al problematisch was voordat eiseres verhuisde naar de huidige woning. De vraag of eiseres op de hoogte was van het advies uit 2014 om uit te kijken naar een gelijkvloerse woning en in het kader daarvan de vraag of eiseres dat advies wel heeft ontvangen, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking. Ook zonder de wetenschap van het advies had van eiseres verwacht mogen worden dat zij bij haar verhuizing in 2018 rekening had gehouden met haar beperkingen en een mogelijke verslechtering daarvan.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiseres dan ook terecht niet in aanmerking gebracht voor een traplift.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.S.J. van Kooij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
6 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.