Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8789

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
c/09/605475 / 20-9577
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

wijziging kinderalimentatie staken omgang verval zorgkorting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 20/9577

Zaaknummer: C 09/605475

Datum beschikking: 10 augustus 2021

Alimentatie

Beschikking op het op 6 januari 2021 ingekomen verzoek van:

[X]

de vrouw,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. R. de Falco te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats 2] (Italië),

advocaat: mr. M. Bowmer te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het F9-formulier van 18 januari 2021 met bijlage (geboorteakte) van de vrouw:

  • -

    het F9-formulier van 2 februari 2021 met bijlage (uittreksel RNI) van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het F9-formulier van 11 mei 2021 met de akte uitlating producties, tevens akte

overlegging producties van de vrouw;

- het F9- formulier van 28 mei 2021 met akte uitlating en reactie van de man;

De minderjarige [minderjarige] gelet op zijn leeftijd niet in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek te geven.

Bij F9-formulieren van 29 april 2021 hebben partijen toestemming gegeven om de zaak zonder mondelinge behandeling af te doen, waarna zij in de gelegenheid zijn gesteld nog nadere stukken in te dienen, die hierboven zijn vermeld.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – met wijziging van de beschikking van -naar de rechtbank begrijpt – 22 oktober 2019– met ingang van 18 juni 2020, danwel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift dan wel een door de rechtbank te bepalen datum,

de man te veroordelen tot betaling van:

- een kinderalimentatie van € 2.422,- danwel € 1.160,- per maand dan wel een door de rechtbank te bepalen bedragen, bij vooruitbetaling te voldoen;

- de volledige jaarlijkse inschrijfkosten van de school [naam school en plaats] ter keuze aan de man rechtstreeks aan de school of aan de vrouw;

- te verklaren dat de wettelijke indexering geldt, voor het eerst ingaande op 1 januari 2022, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank zal vermenen te behoren;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [huwelijksdatum] 2003 tot [datum echtscheiding] 2019.

- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [woonplaats 2] (Italië).

- [minderjarige] heeft zijn hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

- De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Italiaanse nationaliteit.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2019 is het door partijen op 28 januari 2019 ondertekende ouderschapsplan aangehecht.

- In het ouderschapsplan is ten aanzien van de bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige] (hierna: de kinderalimentatie) voor zover relevant het volgende opgenomen:

Article 8 Child Alimony

8.1

Commencing on the date on which the divorce is registered in the Civil Registry, the Father shall pay a contribution to the cost of care and upbringing amounting to € 850,- per month, payable in advance to the Mother. This child alimony shall be subject to the statutory indexation as referred to in art. 1:402a Dutch Civil Code, for the first time at 1 January 2019;

The aforementioned amount includes the extracurricular activities and school trips of the child and excludes the school tuition and school transportation costs and is bases on the following facts an d circumstances. Firstly, the parents have determined the needs of the child on grounds of the table ‘Costs of children’ 2018 to be € 935,- per month (based on 0 points and the one child table). This is bases on the Net Disposable Income (NDI) per month of the parents during their marriage of € 9.517. Based on the NDI of the parents, there was no entitlement to the child budget (kindgebonden budget).

In accordance with the agreed care division, a care discount of 25% is applied in accordance with the agreed care division, a care discount of 25% is applied which makes the fathers monthly contribution to the Childs’s costs € 702,-.

Next to that amount, the father will make an additional contribution of € 148,- per month to the extracurricular activities including school trips.

As the child attends an international school the child’s need increases with the school tuition and the school transportation costs. These costs are deemed as child alimony, even when they are directly paid to the school.

For the academic year of 2018/2019, the parents have agreed that the child will be registered at the [naam school] and the Father has paid the school tuition directly to the school.

From 2019/20 onwards the child will follow secondary education at the [naam school en plaats] The Father will cover the cost of the School Bus and from 2020 onwards he will pay for the public transport costs between home and the school.

8.2

As long as the child lives with the Mother, the child alimony will be transferred to her bank account. That will also be the case if the child is still living with his mother once he reached his eighteenth birthday, unless the child is opposed to that. Only once the child starts to live independently will the contribution towards the cost of living and course of study be transferred directly to the account of the child.

8.3

In accordance with the registration in the Municipal Personal Records Database, the child benefit for will be paid to the Mother.

8.4

As soon as a substantial change in the current income of one of the parents which change in the opinion of one of the parents should lead to a change in the aforementioned financial arrangements relating to the child, and as soon as there is a change in the place of residence of the child, the parents will discuss such changes with each other and, on the basis of the aforementioned basic principles, will determine the contribution to be paid by each of them once again.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2021 € 897,39 per maand.

Beoordeling

Rechtsmacht en het toepasselijke recht

[minderjarige] heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter komt daarom rechtsmacht toe en past Nederlands recht toe op het verzoek.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Volgens de vrouw wordt de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man niet meer uitgevoerd. De reden hiervoor houdt verband met een reeks ruzies en onbegrip tussen hen. Omdat [minderjarige] nog steeds niet naar zijn vader wil en de vader inmiddels voor zijn werk naar Polen is verhuisd meent de moeder dat de zorgkorting vervalt en de man hierdoor een hogere kinderalimentatie moet voldoen. Ook stelt dat de vrouw zich op het standpunt dat de man meer is gaan verdienen, van welke stijging van inkomen [minderjarige] moet kunnen meeprofiteren.

De man betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hij voert aan dat zijn hogere inkomen niet leidt tot een wijziging in de behoefte van [minderjarige] zoals de vrouw lijkt voor te staan. Verder meent de man dat de ouders onderling het recht en de plicht tot omgang jegens hun kinderen hebben zodat het staken van de zorgregeling niet tot wijziging van de kinderalimentatie leidt. Daarnaast wijst de man er op dat er al enige maanden voor de eindbeschikking geen omgang met [minderjarige] was en dat dit voor de vrouw geen reden is geweest om het ouderschapsplan aan te passen. Tot slot meent de man dat er een verkeerd signaal uitgaat naar [minderjarige] als de zorgkorting op nihil wordt gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en legt dit als volgt uit.

Vast staat dat partijen het ouderschapsplan op 28 januari 2019 hebben ondertekend. In artikel 4 van het ouderschapsplan is bepaald dat [minderjarige] één weekend per veertien dagen, iedere woensdag vanaf 17.30 uur danwel een andere doordeweekse-avond, en de helft van de vakanties bij de man is. In de overeengekomen kinderalimentatie hebben partijen rekening gehouden met een zorgkorting van 25%.

Vast staat ook dat de zorgregeling sinds de zomer van 2019 niet meer wordt uitgevoerd. [minderjarige] wil niet meer naar de man toe. Tot die zomer is er door partijen uitvoering gegeven aan de zorgregeling. Hieruit volgt dat partijen de zorgkorting hebben vastgesteld op het moment dat [minderjarige] een deel van de tijd bij de man verbleef en de zorgkorting tegemoet kwam aan de kosten die de man maakt wanneer [minderjarige] bij hem verblijft.

De rechtbank acht het niet relevant dat de zorgregeling niet meer werd uitgevoerd op het moment dat het ouderschapsplan aan de beschikking van 22 oktober 2019 werd gehecht. Partijen hebben beiden geen aanleiding hebben gezien een wijziging van het ouderschapsplan te vragen. Hieruit leidt de rechtbank af dat partijen er beiden van uitgingen dat het contact tussen [minderjarige] en de man, dat nog maar kort was gestopt, zou herstellen. Nu na (inmiddels) twee jaar de zorgregeling nog niet is hersteld en er geen zicht lijkt op een verandering daarin op korte termijn, lijkt er inmiddels helaas sprake van een bestendige situatie. Daarbij komt dat de man op 1 september 2020 naar Polen is verhuisd, wat een aanleiding zou kunnen zijn geweest tot aanpassing van de weekend en doordeweekse dag-regeling. De situatie wat betreft de zorg voor [minderjarige] en de daarmee verband houdende kosten is dan ook gewijzigd. De rechtbank zal de vrouw dan ook in haar wijzigingsverzoek ontvangen. Of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden van dien aard dat zij tot wijziging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie moet leiden, zal de rechtbank hierna beoordelen.

De behoefte

De vrouw stelt dat de behoefte van [minderjarige] moet worden herberekend omdat het netto inkomen van de man is gestegen en de man daarnaast inkomen uit de verhuur van zijn woning in Nederland geniet. De vrouw meent dat [minderjarige] van dit hogere netto inkomen moet kunnen profiteren. De man betwist dat zijn inkomen is gestegen en voert verder aan dat de behoefte van [minderjarige] al conform de hoogste categorie is vastgesteld.

De rechtbank volgt de man in zijn betoog. Partijen zijn in de berekening van de behoefte van [minderjarige] uitgegaan van een NBI van € 9517,- en hebben de behoefte vastgesteld op € 935,- (de hoogste inkomenstabel (NBI 6000 of meer). Zo de man al meer is gaan verdienen dan leidt dit niet tot een andere behoefte van [minderjarige] . Deze blijft conform het hoogste tabelbedrag.

De vrouw heeft producties 18 tot en met 55 overgelegd betreffende de kosten die verband houden met de zorg en opvoeding van [minderjarige] . Voor zover zij hiermee heeft bedoeld te betogen dat de behoefte van [minderjarige] moet worden gecorrigeerd wegens bijzondere kosten, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De door de vrouw opgevoerde kosten zoals onder meer de schoolfotograaf, museum- toneelvoorstellingen met school, steunzolen – die over het algemeen door ziektekostenverzekeraars plegen te worden vergoed – OV-reizen, hobby’s, glutenvrijeproducten, homeopatische zalf- en zonnebrandproducten, computer, Netflix-, spotify- mobiele telefoonabonnementen, boeken, DVD’s, gitaarles, een fiets en het onderhoud daaraan, sport- en scoutinglidmaatschappen, vakanties en kleding zijn verdisconteerd in het normbedrag kosten kinderen en de school- en additionele kosten die door de man worden betaald.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behoefte van [minderjarige] opnieuw te berekenen en stelt de behoefte – inclusief de extra curricular activities – vast op € 1.083,- geïndexeerd naar heden (afgerond) € 1.166,- per maand.

Nu de behoefte van [minderjarige] niet opnieuw wordt vastgesteld, blijft ook de verdeling van de kosten van de kinderen buiten beschouwing. De man had dit standpunt ingenomen indien de behoefte zou worden herberekend.

Zorgkorting

Normaal gesproken krijgt de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit is de ‘zorgkorting’.

Vast staat dat de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling niet wordt uitgevoerd. Uit wat partijen in hun stukken naar voren brengen lijkt het erop dat hierin op korte termijn helaas geen verandering komt, zodat er ook geen aanleiding is om een zorgkorting toe te passen.

Ingangsdatum

De man voert geen draagkracht verweer. De rechtbank stelt de alimentatie daarom vast op €1.166,- per maand. De rechtbank neemt als ingangsdatum 1 juli 2020, te weten een redelijke termijn na de brief van 18 juni 2020 waarin de vrouw de man verzocht om de zorgkorting te laten varen en er toen reeds bijna een jaar was verstreken sinds [minderjarige] voor het laatst bij de man was geweest.

Betaling van het schoolgeld

De rechtbank wijst dit verzoek bij gebrek aan belang af. In de beschikking van 22 oktober 2019 is het ouderschapsplan, met daarin de verplichting van de man om de schoolkosten (rechtstreeks) aan de school te voldoen, aangehecht en beschikt de vrouw daarmee al over een titel om die ten uitvoer te leggen mocht de man het schoolgeld niet voldoen.

Indexering

Ook dit verzoek wordt bij gebrek aan belang afgewezen. De jaarlijkse indexering van de bijdrage vloeit al rechtstreeks uit de wet.

Proceskosten

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. De omstandigheid dat de vrouw een grote hoeveelheid producties heeft overgelegd, geeft geen aanleiding om tot een andere verdeling van de proceskosten over te gaan.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2019 – :

bepaalt de door de man met ingang van 1 juli 2020 te betalen alimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [woonplaats 2] (Italië) op € 1.166,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Post als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2021.