Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 228
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot invordering dwangsommen na opgelegde last vanwege geluidsovertredingen. Het verzuim om eiseres voorafgaand aan het primaire besluit te horen, is in bezwaar hersteld. Dat verweerder eiseres niet voorafgaand aan het invorderingsbesluit in kennis heeft gesteld van de overtredingen geeft geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van invordering had moeten worden afgezien. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/228


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam] V.O.F., te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.A. Loenen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R.M. Vos).

Procesverloop

In het besluit van 19 december 2018 (primair besluit) heeft verweerder dwangsommen ten bedrage van € 9.000,- van eiseres ingevorderd.

In het besluit van 26 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van H. Bakker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 26 oktober 2018 heeft verweerder een last onder dwangsom aan eiseres opgelegd wegens overtreding van de geluidsnormen van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Deze last hield in dat eiseres met onmiddellijke ingang de geluidsnormen van dit artikel moest naleven. Aan deze last is een dwangsom verbonden van € 3.000,- per geconstateerde overtreding, met een submaximum van € 3.000,- per etmaal en een maximum van € 9.000,-. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 oktober 2018, waardoor dit besluit onherroepelijk is geworden.

1.2.

Naar aanleiding van meldingen van geluidsoverlast heeft verweerder in de nacht van 7 op 8 november 2018 tussen 00:00 uur en 01:30 uur, in de nacht van 9 op 10 november 2018 tussen 23:45 uur en 00:45 uur en in de nacht van 17 op 18 november 2018 tussen 23:50 uur en 01:30 uur geluidsonderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in drie rapporten van de Omgevingsdienst Haaglanden van respectievelijk 28 november 2018 (1 rapport) en 3 december 2018 (2 rapporten). Uit elk van deze rapporten volgt dat tijdens de controles de normwaarde van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit is overschreden. Naar aanleiding van deze rapporten heeft verweerder bij het primaire besluit de maximale dwangsom van € 9.000,- ingevorderd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder is hierbij afgeweken van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (de Commissie) van 17 augustus 2019, waarin verweerder werd geadviseerd om het primaire besluit te herroepen omdat eiseres voorafgaand aan dit besluit had moeten worden gehoord. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzuim om eiseres voorafgaand aan het primaire besluit te horen in bezwaar is hersteld, nu eiseres in de bezwaarfase alsnog is gehoord. Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de invordering moet worden afgezien.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat zij voorafgaand aan het primaire besluit gehoord had moeten worden en dat het ten onrechte achterwege laten hiervan niet kon worden hersteld in de bezwaarfase. Eiseres stelt verder dat zij geen schriftelijke kennisgevingen heeft ontvangen waaruit blijkt dat zij dwangsommen heeft verbeurd. Zij is eerst bij het primaire besluit op de hoogte gesteld van het feit dat zij in korte tijd driemaal de geluidsnormen had overschreden en dat als gevolg daarvan dwangsommen waren verbeurd. Als gevolg daarvan heeft zij niet tussentijds kunnen ingrijpen en heeft zij niet de kans gehad om volgende overtredingen te voorkomen, aldus eiseres.

Daarnaast voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het is eiseres niet gebleken dat haar belangen door verweerder zijn meegewogen. Eiseres verwijst in dat verband naar het direct opleggen van een last naar aanleiding van een enkele geconstateerde overtreding in juli 2018, het ontbreken van kennisgevingen van de nadien vastgestelde overtredingen en het in het geheel niet horen van eiseres voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit. Verweerder gaat volgens eiseres voorbij aan de strenge eisen die gelden voor het vaststellen van de feiten bij een invorderingsbeschikking. Verweerder heeft de door haar verrichte inspanningen en getroffen maatregelen na oplegging van de last bovendien ten onrechte niet meegewogen, aldus eiseres.

Onder verwijzing naar de conclusie van staatsraad-advocaat generaal Wattel van 4 april 20181 stelt eiseres voorts dat de vraag of de last onder dwangsom, als deze was aangevochten, stand zou hebben gehouden, moet worden betrokken bij beantwoording van de vraag of het redelijk is om verbeurde dwangsommen in te vorderen. Eiseres heeft verder op een veelheid aan omstandigheden gewezen, waaronder de financiële gevolgen van de invordering en het feit dat eiseres de lastoplegging van begin af aan serieus heeft genomen en ook aanvullende maatregelen heeft getroffen. Volledige invordering van de dwangsom vindt eiseres daarom onevenredig.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat het een beschikking geeft waartegen de belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende treffen en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

4.2.

Op grond van artikel 5:33 van de Awb wordt een dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

4.3.

Op grond van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Het niet horen van eiseres

5. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 september 20182 overweegt de rechtbank dat een bestuursorgaan een belanghebbende op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb voorafgaand aan een invorderingsbesluit in de gelegenheid moet stellen om een zienswijze naar voren te brengen. Die zienswijze is niet van belang voor het antwoord op de vraag of verweerder bevoegd is om tot invordering over te gaan, maar kan door de belanghebbende worden gebruikt om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen waarvan het bestuursorgaan niet al op de hoogte is of had moeten zijn.

5.1.

Vaststaat dat verweerder eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld om voorafgaand aan het primaire besluit een zienswijze naar voren te brengen, zodat dit besluit in zoverre gebrekkig tot stand is gekomen. Het is vaste rechtspraak dat het verzuim om een belanghebbende voorafgaand aan het primaire besluit te horen in bezwaar kan worden hersteld. Verweerder heeft eiseres naar aanleiding van haar bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Eiseres heeft hiervan gebruik gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om eventuele bijzondere omstandigheden aan te dragen waarmee verweerder rekening had moeten houden. Nu eiseres haar standpunt over het invorderingsbesluit en over de door haar gestelde bijzondere omstandigheden naar voren heeft kunnen brengen in de bezwaarschriftprocedure, bestaat in zoverre geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit. In dit kader acht de rechtbank van belang dat artikel 4:8, eerste lid, van de Awb niet de strekking heeft eiseres bekend te maken met het feit dat zij een overtreding heeft begaan om het verbeuren van een volgende dwangsom te voorkomen.

Invordering van de dwangsommen

6. Bij een besluit omtrent invordering van een dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb.3 Hierin is vermeld dat een toereikende handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.4

6.1.

Dat eiseres de geconstateerde overtredingen heeft begaan, is door haar niet gemotiveerd betwist. Dit betekent dat eiseres van rechtswege drie dwangsommen heeft verbeurd, die in beginsel door verweerder ingevorderd dienen te worden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het bestreden besluit vernietigd moet worden nu verweerder haar niet na elke geconstateerde overtreding in kennis heeft gesteld van het feit dat een dwangsom is verbeurd. Hoewel het de voorkeur verdient dat verweerder zo spoedig mogelijk na de constatering van iedere overtreding de overtreder daarvan in kennis stelt, zodat nieuwe overtredingen en verbeurte van verdere dwangsommen voorkomen kunnen worden, geeft het nalaten hiervan geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Evenmin geeft dit aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden van invordering af te zien. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018.5 De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat haar met deze handelwijze van verweerder de gelegenheid is ontnomen in te grijpen en de overtreding te beëindigen. Het is immers de verantwoordelijkheid van eiseres om zich – ook zonder tussentijdse kennisgevingen van verweerder – te houden aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, temeer nu het haar bekend was dat overschrijding van die geluidsnormen in haar geval tot verbeurte van dwangsommen zou leiden.

6.2.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiseres dat verweerder haar financiële belangen onvoldoende heeft meegewogen, nu eiseres deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Voor zover eiseres heeft gewezen op de door haar verrichte inspanningen om geluidsoverlast te voorkomen, de uitgevaardigde strafbeschikking en de in januari 2019 opgelegde nieuwe last onder dwangsom, overweegt de rechtbank dat dit geen van alle bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan van invordering had moeten worden afgezien. Voor zover eiseres zich in beroep heeft gekeerd tegen het opleggen van de last onder dwangsom bij besluit van 26 oktober 2018, overweegt de rechtbank dat eiseres in de procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die ook tegen het opleggen van de last onder dwangsom naar voren gebracht hadden kunnen worden. Dat is slechts anders in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of de betrokkene geen overtreder is.6 Een uitzonderlijk geval als hier bedoeld doet zich in deze zaak niet voor.

6.3.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

7. Voor zover eiseres ter zitting gronden naar voren heeft gebracht die zien op de in januari 2019 opgelegde nieuwe last onder dwangsom, overweegt de rechtbank dat dit besluit niet ter beoordeling voorligt. Als eiseres meent dat met betrekking tot dat besluit sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5:34, tweede lid, van de Awb, ligt het op haar weg om verweerder te verzoeken dit besluit in te trekken.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1152.

2 ECLI:NL:RVS:2018:2956.

3 Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115.

4 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1012.

5 ECLI:NL:RVS:2018:894.

6 Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.