Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8644

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6301
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel verlaging bijstand wegens niet verschijnen op werk. Verwijtbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: I.M. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bij wijze van maatregel de bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de maand juni 2019 met 100% verlaagd.

Bij besluit van 2 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2021 door middel van een digitale verbinding middels Skype. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft de rechtbank geïnformeerd zich op zitting niet te zullen laten vertegenwoordigen.

Naar aanleiding van het gemotiveerde standpunt van de gemachtigde van eiser ter zitting, heeft de rechtbank besloten het onderzoek niet te sluiten en verweerder in de gelegenheid te stellen om schriftelijk een aanvullende vraag te beantwoorden.

De rechtbank heeft voornoemde vraag per brief van 18 mei 2021 aan verweerder doen toekomen. Nadat de gemachtigde van verweerder in eerste instantie om verlenging van termijn van antwoorden heeft verzocht, is zij, ten gevolge van persoonlijke omstandigheden, uiteindelijk niet in de gelegenheid geweest de vraag te beantwoorden.

Verweerder heeft tegen deze achtergrond aangegeven de uitspraak van de rechtbank af te wachten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en per heden uitspraak gedaan.

Overwegingen

  1. Eiser en zijn partner ontvangen sinds 18 januari 2015 bijstand. Daar is van rechtswege een arbeidsverplichting aan verbonden. Hij heeft in februari en maart 2019 twee gesprekken voor de baan van algemene tramschoonmaker bij schoonmaakbedrijf ISS (de werkgever) gevoerd. Hij is vervolgens niet op zijn eerste werkdag op 21 maart 2019 verschenen, wat voor de werkgever aanleiding is geweest om niet met eiser verder te gaan. Vervolgens heeft een hoor-/wederhoorgesprek plaatsgevonden. Daarna heeft verweerder het primaire besluit genomen.

  2. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat eiser algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd en dat hem dit te verwijten valt. Volgens de accountmanager heeft de werkgever bij het tweede gesprek eiser verteld dat ze hem in het project wilden en dat hij op 21 maart 2019 kon beginnen en wanneer en waar hij zich moest melden. Eiser heeft dat niet gedaan. Bovendien heeft één van de personen die namens de werkgever aanwezig was bij het tweede gesprek hem verteld dat hij op 21 maart 2019 kon beginnen. Hij had die informatie serieus moeten nemen, aldus verweerder. Bij eiser is geen sprake van de situatie dat verwijtbaarheid volledig ontbreekt.

  3. Eiser voert in beroep eerst aan dat hem geen voldoende concreet werkaanbod is gedaan omdat de exacte inhoud en het werkaanbod niet op schrift zijn gesteld. Verder is hij van mening dat hem niet verweten kan worden dat hij niet op de afspraak van 21 maart 2019 is verschenen. Hij had immers geen bevestigingsmail van de accountmanager ontvangen, zoals was afgesproken.

  4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden.

4.2

Artikel 18, negende lid, van de Pw bepaalt dat het college afziet van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3

Ingevolge artikel 3.6 van de Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2015 wordt voordat een maatregel wordt opgelegd in alle gevallen onderzocht of er sprake is van dringende of zeer dringende redenen die, gelet op bijzondere individuele omstandigheden, noodzaken tot het opleggen van een minder zware maatregel, afgestemd op de omstandigheden van de belanghebbende.

5. In geschil is of verweerder aan eiser terecht een maatregel van 100% heeft opgelegd. Gelet op de beroepsgronden moet de rechtbank eerst beoordelen of eiser een concreet werkaanbod is gedaan en vervolgens of hem een verwijt kan worden gemaakt dat hij niet op de afspraken is verschenen.

6. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het besluit tot het opleggen van een maatregel een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het verlagen van de bijstand is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.1

6.1

De rechtbank overweegt tegen die achtergrond het volgende. Eiser heeft op basis van de dossierstukken in het kader van een hoor-/wederhoorgesprek in verband met een andere gedraging verklaard dat hij op 21 maart 2019 kon gaan ‘proef’ werken bij de HTM als tramschoonmaker. Bij het hoor-/wederhoorgesprek voor deze zaak heeft hij aangegeven dat hij contact heeft opgenomen met ‘ [A] ’ omdat hij verhinderd was op 21 maart 2019. Van ‘ [A] ’ mocht hij de volgende dag of vrijdag verschijnen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat eiser na het tweede gesprek had gehoord dat hij was aangenomen. Eiser heeft aangegeven dat hij met ‘ [A] ’ heeft gesproken en dat ‘ [A] ’ hem heeft verteld dat hij op 21 maart moest beginnen. Volgens de in het bestreden besluit opgenomen verklaring van de accountmanager is bij het tweede gesprek namens de werkgever aangegeven dat hij eiser graag in het project wilde en dat hij op 21 maart kon beginnen, waarbij hij dan de donderdag en de vrijdag zou gaan werken. Eiser is verteld wanneer en waar hij zich moest melden. De accountmanager was bij dit gesprek aanwezig.

6.2

De rechtbank ontleent hieraan dat eiser ervan op de hoogte was dat hij, aanvankelijk op proef, in dienst zou treden bij de werkgever, dat hij tewerkgesteld zou worden bij de HTM en dat hij op 21 of anders op 22 of 26 april 2019 zou beginnen. Naar het oordeel van de rechtbank is aan eiser dan ook een concreet werkaanbod gedaan. Eiseres verwijzing naar de rechtspraak kan hem in dit verband niet baten omdat in de situatie van eiser uit meerdere bronnen blijkt dat hij daadwerkelijk aan de slag kon.

7.1

Eiser is niet bij de HTM verschenen. De rechtbank moet daarom vervolgens de vraag beantwoorden of eiser hiervan een verwijt kan worden gemaakt. De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat betrokkene geen enkel verwijt treft, rust op de betrokkene. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18, negende lid, van de Pw.2 Eiser heeft aangevoerd dat al zijn afspraken via zijn accountmanager liepen en zij hem telkens een bevestiging van afspraken via de email heeft gestuurd. Naar aanleiding van het tweede gesprek zou zij hem opnieuw een bevestiging sturen. Weliswaar had ‘ [A] ’ hem verteld dat hij op 21 maart 2019 moest beginnen, maar eiser heeft dat niet serieus genomen omdat hij slechts een collega was, aldus eiser. Ter zitting is dit standpunt namens eiser nader toegelicht waarbij is benadrukt dat, anders dan onder verwijzing naar de e-mail van mevrouw Van Booheemen van 8 augustus 2019 wordt gesteld, niet mondeling is afgesproken waar en wanneer eiser zich zou moeten melden. Dat hij op 21 maart 2019 zou starten met werken is volgens eiser inderdaad besproken, maar concreet hoe laat en waar hij zich zou moeten melden, was eiser naar eigen zeggen dus niet bekend. Tegen deze achtergrond zou mevrouw [B] aan eiser hebben toegezegd nog een bevestigingsmail te zullen sturen met (onder andere) specifiek die informatie. Omdat eiser deze e-mail niet heeft ontvangen, ontstond bij hem de verwarring die ertoe heeft geleid dat hij die datum niet is gestart.

7.2

Verweerder heeft, desgevraagd, in beroep niet gereageerd op dit standpunt van eiser. Nu dit standpunt de e-mail van mevrouw [B] gemotiveerd weerspreekt, zal de rechtbank er, als onvoldoende weersproken, vanuit gaan dat bij eiser in de communicatie inderdaad verwarring is ontstaan. Hiervan uitgaande heeft naar het oordeel van de rechtbank evenwel nog steeds te gelden dat onder de gegeven omstandigheden geen situatie is ontstaan dat hem geen enkel verwijt treft. Zij wijst erop dat ‘ [A] ’ niet ‘slechts een collega’ was, maar één van de twee personen die bij het tweede gesprek aanwezig was en daarmee een serieus contactpersoon wiens woord hij op waarde diende te schatten. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk gebleven waarom eiser niet heeft geacteerd naar aanleiding van het telefoongesprek met ‘ [A] ’ op 21 maart 2019, zoals in de hoorzitting benoemd. In aanmerking genomen de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en hetgeen met eiser daaromtrent blijkens het dossier is besproken, acht de rechtbank het, onder de gegeven omstandigheden, niet verschijnen op 21 maart 2019, noch daarna, daarom weldegelijk verwijtbaar. Gelet op de door de rechtbank als vast staand aangenomen communicatieve verwarring, past evenwel een maategel van 100% verlaging niet. Het bestreden besluit is, onder die omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank aldus niet deugdelijk gemotiveerd.

8. Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit dus voor vernietiging in aanmerking vanwege strijdigheid met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij aan eiser een maatregel van 100% verlaging van de uitkering heeft opgelegd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en de maatregel opnieuw vast te stellen. In aanmerking genomen de aard van de gedraging en de door eiser genoemde omstandigheden komt de rechtbank een maatregel in de vorm van een verlaging van de bijstandsuitkering vanaf 1 juni 2019, met 30% gedurende een maand, als passend voor.

9. De rechtbank ziet tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door alsnog te beslissen op het verzoek om een proceskostenvergoeding in bezwaar. Gelet op de herroeping van de primaire besluit ziet de rechtbank aanleiding een vergoeding toe te kennen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

10. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Tevens draagt de rechtbank verweerder op om de betaalde griffiekosten aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de hoogte van de terugvordering en het verzoek om proceskosten in bezwaar;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij is beslist dat de maatregel is bepaald op 100 % verlaging van de bijstandsuitkering gedurende een maand, bepaalt de maatregel op 30% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende een maand vanaf 1 juni 2019 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder € 1.068,- aan proceskosten vergoedt voor de behandeling van het bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 1.496,-.

.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Centrale Raad van Beroep (CRvB) 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3945 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3945).

2 CRvB 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3259 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:3259).