Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8643

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
SGR 19/6740
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

19/6740

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6740


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.F. de Groot),

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, verweerder

(gemachtigde: B. Zeeman).

Procesverloop

Bij brief van 19 maart 2018 hebben eiser en mevrouw Rahusen aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de overlast die het gevolg is van het feit dat de bouw van de woning aan de [weg] [huisnummer] te [plaats] sinds 2008 niet is voltooid.

In het besluit van 29 maart 2018 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen.

Bij besluit van 13 september 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser en mevrouw Rahusen ongegrond verklaard.

Eiser en mevrouw Rahusen hebben vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 27 juni 2019 het beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 september 2018 vernietigd.

In het besluit van 9 september 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en beslist dat aan de omgevingsvergunning van de heer Van der Veer (vergunninghouder) het voorschrift wordt verbonden dat hij verplicht is om de vergunde activiteiten binnen een termijn van twee jaar volledig te voltooien.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een reactie op dit verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben toestemming verleend voor een schriftelijke behandeling van het beroep.

Overwegingen

1. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 27 juni 2019 het beroep van eiser en mevrouw Rahusen tegen het besluit van 13 september 2018 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank overwoog daartoe het volgende:

Zoals ter zitting door eisers is gesteld en door verweerder niet is betwist ervaren eisers al ruim 11 jaar dagelijks overlast (…). Het ruim 11 jaar door een standaard bouwproject dagelijks blootstaan aan dergelijke overlast in de directe woonomgeving is naar het oordeel van de rechtbank een zeer ernstig gevolg voor de fysieke leefomgeving, zodat sprake is van een uitzonderlijke situatie. (…) De rechtbank overweegt dat aan de omgevingsvergunning gelet op de ontstane situatie een voorschrift had moeten worden verbonden waarin vergunninghouder wordt verplicht om binnen een redelijke termijn, bijvoorbeeld 2 jaar, de aangevraagde activiteiten volledig te voltooien.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en een vergunningvoorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning van vergunninghouder. Het vergunningvoorschrift houdt in dat de vergunde activiteiten voltooid moeten zijn binnen twee jaar na de datum van verzending van het bestreden besluit.

3. Eiser kan zich hier niet in vinden. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet conform de uitspraak van 27 juni 2019 heeft beslist. In de uitspraak is overwogen dat ten tijde van het besluit van 13 september 2018 een redelijke termijn van twee jaar had moeten worden verbonden aan de vergunning. Daarom ligt het volgens eiser in de rede dat bij het bestreden besluit geen langere termijn dan ongeveer een jaar kan worden gesteld. Sinds het vernietigde besluit van 13 september 2018 is er, aldus eiser, immers alweer een jaar verstreken. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder zonder toereikende motivering of zichtbare belangenafweging voor een termijn van twee jaar heeft gekozen. Het bestreden besluit is daarmee volgens eiser innerlijk inconsistent, onbegrijpelijk gemotiveerd, onzorgvuldig voorbereid en in strijd met zowel het rechtszekerheidsbeginsel als het evenredigheidsbeginsel tot stand gekomen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Wanneer een beslissing op bezwaar wordt vernietigd door de rechter moet het bestuursorgaan in beginsel een nieuw besluit nemen. Het bestuursorgaan moet dat doen met inachtneming van de uitspraak. Bij het nemen van een nieuwe beslissing moet het bestuursorgaan echter ook rekening houden met nieuwe feiten en omstandigheden (zie de memorie van toelichting bij de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II, 2009-2010, 32 450, nr. 3, p. 55).

4.2.

Verweerder moest dus, nadat de rechtbank het besluit van 13 september 2018 had vernietigd, een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van de feiten en omstandigheden op dat moment. Dat de rechtbank bij wijze van voorbeeld heeft overwogen dat een termijn van twee jaar redelijk zou zijn geweest ten tijde van het besluit van 13 september 2018 verandert dit niet. De feiten en omstandigheden kunnen in de tussentijd immers zijn gewijzigd. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dan ook niet dat er vanaf 13 september 2018 als het ware een redelijke termijn van twee jaar is gaan lopen waar verweerder aansluiting bij moest zoeken door bij het bestreden besluit aan de omgevingsvergunning het voorschrift te verbinden dat de werkzaamheden binnen een jaar moesten worden afgerond.

4.3.

Uit het voorgaande volgt wel dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit, op basis van een belangenafweging en de op dat moment relevante feiten en omstandigheden, moest bepalen wat een redelijke termijn zou zijn waarbinnen de vergunde activiteiten door vergunninghouder moesten zijn voltooid.

4.4.

In het bestreden besluit is alleen gemotiveerd dat gelet op de staat waarin de afbouw van de woning zich op dat moment bevond een termijn van twee jaar voldoende zou moeten zijn om de afbouw van de woning volledig te realiseren. Uit de motivering valt niet op te maken waarom de staat van de afbouw een termijn van twee jaar rechtvaardigde en waarom, gelet op de belangen van eiser, niet kon worden volstaan met een kortere termijn. Zeker nu de rechtbank heeft overwogen dat het ten tijde van het besluit van 13 september 2018 redelijk was geweest om een termijn van twee jaar op te nemen, had het op de weg van verweerder gelegen om te motiveren waarom het zo goed als een jaar later nog steeds nodig was om vergunninghouder een termijn van twee jaar te geven. Verweerder heeft nagelaten dit inzichtelijk te maken. Aan het bestreden besluit kleeft dan ook een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit komt daarmee in aanmerking voor vernietiging.

4.5.

Het beroep is gegrond.

4.6.

De rechtbank ziet aanleiding om de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Daarvoor is redengevend dat de termijn die verweerder vergunninghouder heeft gegeven om de vergunde activiteiten te voltooien inmiddels bijna ten einde is. Deze termijn loopt af op 9 september 2021. Vanaf dan biedt het vergunningvoorschrift dat verweerder bij het bestreden besluit heeft verbonden aan de omgevingsvergunning een grondslag voor verweerder om handhavend op te treden tegen vergunninghouder. Wanneer de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand zou laten, zou deze grondslag om te handhaven verloren gaan. Dat staat haaks op het belang van eiser.

4.7.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

4.8.

Vanwege de gegrondverklaring van het beroep krijgt eiser tevens een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt een vergoeding toegekend voor beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding komt in dit geval neer op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 748,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.