Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:856

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
AWB 20-5172 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf en nieuwe weigeringsgrond

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de weigering van het visum kort verblijf een nieuwe afwijzingsgrond ten grondslag gelegd, namelijk bescherming van de volksgezondheid in verband met de COVID-19 pandemie. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht is geschonden omdat op voorhand niet door verweerder met zekerheid vastgesteld kon worden dat op eiser een uitzonderingssituatie van toepassing was op grond waarvan aan hem ondanks de COVID-19 pandemie toch een visum kort verblijf verleend moest worden. De rechtbank passeert dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder wordt veroordeeld in de gemaakte proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/5172

V-nummer: [V-nummer]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 13 februari 2020 tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 29 juni 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank (hierna te noemen: rechtbank) onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep openstaat.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Overwegingen

1.1

In geschil is de afwijzing van eisers aanvraag voor een visum kort verblijf. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat het beroep enkel gaat over de mogelijkheid dat de afwijzing van de voorliggende aanvraag in de toekomst bij een eventuele nieuwe aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf aan hem kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft daarop toegezegd dat dit niet het geval zal zijn en dat een eventuele volgende aanvraag van eiser op zijn eigen merites zal worden beoordeeld.

1.2

De rechtbank heeft verder begrepen dat eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is omdat op voorhand niet door verweerder met zekerheid vastgesteld kon worden dat op eiser een uitzonderingssituatie van toepassing was op grond waarvan aan hem ondanks de COVID-19 pandemie toch een visum kort verblijf verleend moest worden. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Wegens het geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 534,-). Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. E.D. Dalman mr. H.J. Doets

griffier

rechter

afschrift verzonden op:

Conc.: ED

D:

VK

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.