Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8509

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
NL20.8197
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Eerste aanvraag. Turkije. Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Inreisverbod. Eiser heeft in Turkije van 1987 tot 2014 voor de politie gewerkt. Van 1990 tot 2010 was hij in verschillende functies werkzaam voor de inlichtingendienst van de Turkse politie (de IDB). Volgens verweerder kan eiser in verband worden gebracht met het faciliteren van marteling/foltering en zware mishandeling in de periode van 1991-1996, waardoor artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op dit standpunt heeft gesteld. Hoewel partijen van mening verschillen over de exacte rol die eiser heeft gespeeld, bieden de eigen verklaringen van eiser voldoende grond voor deze conclusie. Verweerder stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Weliswaar is sprake van tijdsverloop en van een mogelijke gedragsverandering, maar deze wegen niet op tegen de ernst van de gepleegde misdrijven waar eiser mee in verband wordt gebracht en de omstandigheid dat eiser geen openheid van zaken geeft over zijn precieze rol. Ook betrekt verweerder niet ten onrechte dat er mogelijk mensen in Nederland verblijven die slachtoffer zijn geweest van de misdrijven en dat moet worden voorkomen dat zij met de aanwezigheid van eiser in Nederland worden geconfronteerd. Daarbij is van belang dat eiser een bekende hoge politiefunctionaris en vertegenwoordiger van de Turkse overheid in Oost-Turkije is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8197


uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Runhaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.R.D. Leene).


Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft verder bepaald dat dit besluit tevens geldt als een terugkeerbesluit. Ook is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL20.8198, op 24 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze uitspraak over?

1. Eiser is van Turkse nationaliteit en geboren op [datum] 1964. Eiser heeft in Turkije van 1987 tot 2014 voor de politie gewerkt. Van 1990 tot 2010 was hij in verschillende functies werkzaam voor de İstihbarat Dairesi Başkanlığı (IDB), de inlichtingendienst van de Turkse politie. Van 1991 tot en met 1996 werkte eiser voor de IDB in de stad [plaatsnaam] in Oost-Turkije. Eiser is in deze periode opgeklommen van brigadier tot de functie van inspecteur. In 1997 is eiser gepromoveerd tot hoofdinspecteur en is hij ook aangesteld als hoofd van een driekoppig onderzoeksteam in een zaak waarbij de banden tussen de maffia en verschillende onderdelen van de overheid werden onderzocht. Daarna was eiser hoofd van de eenheid voor georganiseerde misdaad, financiële misdaad en narcotische misdaad van de IDB, welke hij in 1998 zelf heeft opgezet. Van 2007 tot 2010 was eiser [functie] . Eiser werd vervolgens in 2010 aangesteld als hoofdcommissaris van de politie van de stad [plaatsnaam] en in september/oktober 2012 als hoofdcommissaris in de stad [plaatsnaam] , beide in Oost-Turkije. In januari 2014 is eiser overgeplaatst naar het [organisatie] in Ankara.

1.1.

Eiser heeft aan zijn aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Op [datum] 2015 heeft eiser in een interview tegenover het landelijke blad [titel blad] kritiek geuit op de Turkse regering. Op [datum] 2015 is hij aangehouden en in detentie gezet op beschuldiging van lidmaatschap van een terreurorganisatie. Op [datum] 2015 is eiser op last van de rechtbank vrijgelaten, waarna hij is ondergedoken. Na de presidentsverkiezingen in 2018 concludeerde eiser dat er niets zou veranderen in het land en heeft hij besloten Turkije te verlaten.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Verweerder acht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv)1 op eiser van toepassing. Volgens verweerder kan eiser in verband worden gebracht met het faciliteren van marteling/foltering en zware mishandeling in de periode van 1991-1996. Deze gedragingen zijn volgens verweerder aan te merken als misdrijven tegen de menselijkheid, ernstige niet-politieke misdrijven en handelingen in strijd met de beginselen en doelstellingen van de VN, als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Vv. Eiser kan volgens verweerder persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor deze misdrijven op grond van ‘personal and knowing participation’. Mede omdat eiser zijn betrokkenheid bij deze misdrijven ontkent, vormt hij volgens verweerder een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde, op grond waarvan aan eiser ook een inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar.

1.3.

Eiser betoogt dat geen sprake is van ‘personal and knowing participation’. Eiser stelt dat hij er destijds niet van op de hoogte was dat er binnen de politie op grote schaal stelselmatig mensenrechtenschendingen plaatsvonden. Volgens eiser is er ook geen sprake van enig oorzakelijk verband tussen zijn werkzaamheden in de periode van 1991-1996 en de martelingen, welke binnen de afdeling terreurbestrijding plaatsvonden.

Wat vindt de rechtbank?

2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat artikel 1(F) van het Vv op eiser van toepassing is. Om die reden concludeert verweerder terecht dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Ook ziet verweerder hierin niet ten onrechte aanleiding om aan eiser een inreisverbod op te leggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Dit doet zij aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank geeft eerst het relevante toetsingskader weer (onder 3). Daarna bespreekt de rechtbank achtereenvolgens of sprake is van ‘personal participation’ (onder 4), of sprake is van ‘knowing participation’ (onder 5) en of eiser een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt (onder 6).

Wat is het toetsingskader?

3. Op grond van artikel 1(F) van het Vv zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

  1. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  2. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

  3. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

3.1.

Op grond van artikel 3.17, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv mede verstaan een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden.

3.2.

Om te bepalen of een vreemdeling individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv, wordt de zogenoemde ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Dit is neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Beoordeeld wordt of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’) door het plegen van dergelijke misdrijven, het opdracht geven daartoe of het faciliteren daarvan.

Er is volgens dit beleid in ieder geval sprake van “knowing participation” bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

  1. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan verweerder heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vv;

  2. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep waarop in de regel artikel 1(F) van het Vv van toepassing is; of

  3. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vv.

Volgens dit beleid is sprake van “personal participation” in tenminste één van de volgende situaties:

  1. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv gepleegd;

  2. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv gepleegd;

  3. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv gefaciliteerd; of

  4. e vreemdeling behoort tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep die in de regel artikel 1(F) van het Vv tegengeworpen krijgt.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vv, heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vv betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd.2

Is bij eiser sprake van ‘knowing participation’?

4. Eiser betwist niet dat er in de periode 1991-1996 sprake was van wijdverbreide mensenrechtenschendingen door de Turkse politie. Eiser betoogt echter dat hij er destijds niet van op de hoogte was dat dit stelselmatig en systematisch gebeurde. Volgens eiser was het ook niet zo dat het stelselmatig en systematisch martelen door de Turkse politie in Turkije een feit van algemene bekendheid was. Eiser weerspreekt ook dat er sprake was van een nauwe samenwerking tussen de IDB, waar hij werkzaam was, en de afdeling terreurbestrijding.

4.1.

Verweerder stelt dat in de besluitvorming voldoende is onderbouwd dat in Turkije sprake was van systematische, wijdverbreide en ernstige schendingen van mensenrechten door de politie gedurende de periode dat eiser daar werkzaam was, meer in het bijzonder de periode 1991-1996. De verklaringen van eiser over zijn loopbaan binnen de politie zijn daarbij betrokken. Verweerder wijst er op dat hetgeen aan eiser is tegengeworpen, is onderbouwd met verwijzing naar openbare en gezaghebbende bronnen, terwijl eiser enkel ontkent en geen bronnen heeft aangewezen die andere informatie bevatten. Verweerder stelt dat eiser de samenwerking tussen de IDB en de afdeling terreurbestrijding ook zelf heeft bevestigd.3 Verweerder handhaaft daarom zijn standpunt dat eiser zich bewust moet zijn geweest van zijn bijdrage aan martelingen/folteringen en (zware) mishandelingen.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er bij eiser sprake is van ‘knowing participation’. Verweerder heeft met verwijzing naar algemene bronnen voldoende onderbouwd dat er in de betreffende periode sprake was van systematische en wijdverbreide mensenrechtenschendingen door toedoen van de Turkse politie in met name Oost-Turkije, waaronder in de stad [plaatsnaam] . Zo blijkt uit het rapport van Human Rights Watch (HRW) van 1 januari 1990 dat eind jaren ’80 ruim 90% van de politieke gevangenen en meer dan 50% van de andere gevangenen in Turkije werd gemarteld. Uit de rapporten van HRW van 1 januari 1991 en 1 januari 1993 komt naar voren dat de situatie, ondanks aangekondigde hervormingen, nog verder verslechterde voor zowel politieke als andere gevangenen. Ook uit andere door verweerder aangehaalde rapportages van onder meer de VN, de European Committee for the Prevention of Torture (CPT) en meerdere NGO’s waaronder Amnesty International blijkt dat de Turkse politie zich tot zeker halverwege de jaren ’90 schuldig heeft gemaakt aan marteling/foltering en (zware) mishandeling.

4.2.1.

Gelet op de grote schaal waarop dit plaatsvond, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat op het moment dat eiser voor een carrière bij de politie koos en in dat verband naar de politieacademie ging, het in Turkije reeds algemeen bekend was en eiser moet hebben geweten dat door de Turkse politie werd gemarteld, gefolterd en (zwaar) mishandeld. Uit gezaghebbende bronnen blijkt verder dat de Turkse regering zich eind jaren ’80 en begin jaren ’90 heeft uitgesproken tegen martelpraktijken door de politie en dat ze in 1991 circulaires deed uitgaan aan alle onderdelen van het veiligheidsapparaat over de juiste methode om informatie te vergaren, te weten zonder te martelen en folteren. Ook de functies als (hoofd-) brigadier en inspecteur en omdat eiser werkzaam was voor de IDB op het politiebureau van [plaatsnaam] , waar blijkens de rapporten van CPT wijdverbreid en/of systematisch gemarteld, gefolterd en zwaar mishandeld werd door de politie, geven grond voor het oordeel dat eiser moet hebben geweten van marteling en mishandeling. Eiser werkte op het politiebureau van [plaatsnaam] voorts op dezelfde verdieping als de antiterreureenheid, waarvan HRW in haar rapport van 1 maart 1997 heeft gezegd dat deze eenheid marteling, foltering en (zware) mishandeling methodisch heeft opgenomen in haar dagelijkse operaties en werkwijze, waarbij steeds meer naar verfijning van de methodes is gezocht om zo min mogelijk zichtbare sporen achter te laten bij de slachtoffers. Eisers verklaring dat dit een afgeschermde afdeling betreft, volgt verweerder terecht niet. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat, wanneer hij naar de wc liep, hij het kon zien als arrestanten werden gebracht of opgehaald.4

4.2.2.

De ontkenningen van eiser en de stellingname dat verweerder een aantal van eisers verklaringen onjuist heeft geïnterpreteerd, zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. Eisers betoog slaagt daarom niet.

Is bij eiser sprake van ‘personal participation’?

5. Eiser betoogt dat hij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het martelen van verdachten omdat er geen rechtstreeks verband is tussen zijn werkzaamheden voor de IDB en het opsporen/arresteren van individuele verdachten door de afdeling terreurbestrijding. Volgens eiser heeft verweerder dit op geen enkele wijze aangetoond. Er was volgens eiser geen sprake van nauwe samenwerking tussen de IDB en de afdeling terreurbestrijding. Eiser hield zich bezig met het niet missen van mogelijke dreigingen en niet met opsporing en vervolging. Zijn afdeling verstrekte enkel ruwe informatie aan de operationele politiediensten en het was aan die andere diensten om te beslissen welke informatie relevant was en op welke wijze verder onderzoek gedaan moest worden. Volgens eiser is het besluit grotendeels gebaseerd op subjectieve veronderstellingen van de zijde van verweerder. Voor wat betreft de hoge bewijslast aan de zijde van verweerder verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Duitsland t. B. en D.5 en het Ezokola-arrest van het Supreme Court of Canada6.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderzoek naar de mogelijke toepassing van artikel 1(F) van het Vv voldoet aan de vereisten van het arrest B. D. en de maatstaf uit het Ezokola-arrest. Bij het nader en aanvullend gehoor is

uitgebreid onderzocht welke rol eiser heeft gehad tijdens zijn werkzaamheden bij

de politie. Eisers verklaringen daarover zijn in de beoordeling betrokken. Verweerder stelt verder dat de omstandigheden van eiser wezenlijk anders zijn dan die zich voordeden in

de zaak Ezokola. Verweerder is niet van mening dat bij eiser sprake is van ‘guild by association’, maar dat eiser rechtstreeks betrokken is geweest bij de mensenrechtenschendingen. Evenmin is sprake van 'rank-based complicity' als bedoeld in het Ezokola-arrest, omdat niet alleen de rangen maar ook de eigen verklaringen van eiser zijn betrokken. Verweerder handhaaft daarom zijn standpunt dat eiser rechtstreeks betrokken is geweest bij mensenrechtenschendingen, waardoor sprake is van ‘personal participation’.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er bij eiser sprake is van ‘personal participation’, omdat hij met zijn werkzaamheden de hier bedoelde mensenrechtenschendingen heeft gefaciliteerd.

5.2.1.

Niet in geschil is dat eiser vanuit de functies, die hij in de betreffende periode naar eigen zeggen heeft vervuld, informatie heeft verzameld en geanalyseerd dan wel dat zijn ondergeschikten dat hebben gedaan. Ook is niet in geschil dat hij deze informatie al dan niet via zijn meerderen heeft doorgespeeld aan andere afdelingen, waaronder de afdeling terreurbestrijding. Door het doorspelen van de informatie heeft eiser mensen in een situatie gebracht waarin zij het aanmerkelijke risico liepen slachtoffer te worden van marteling, foltering en (zware) mishandeling. De stelling van eiser, dat die informatie geen directe informatie zou betreffen om als bewijs tegen een verdachte te kunnen dienen, heeft verweerder niet ten onrechte niet gevolgd. Uit de verklaringen van eiser volgt immers dat informatie die door de IBD werd verstrekt direct tot actie van een operationele afdeling kon leiden en ook heeft geleid. Verweerder heeft in dit verband terecht op de volgende verklaringen van eiser gewezen7:

“Hebben er arrestaties plaatsgevonden naar aanleiding van die tapgesprekken voor

zover u weet?

Dat moet zeker wel.8

Heeft u wel eens gehoord of mensen gearresteerd werden naar aanleiding van uw

informatie?

Ja. En dat bepaalde dingen voorkomen waren .

Er werden ook leden van de PKK opgepakt vanwege uw informatie?

Natuurlijk.

Wat gebeurde met die mensen?

Die werden ondervraagd en voor de rechter geleid.

De anti-terreur afdeling kwam in actie tegen groepen, zoals de PKK. Was dat op

basis van inlichtingen die de inlichtingendienst aan hen gaf?

Meestal wel. Maar ze hebben hun eigen teams. Die kunnen ook informatie

verschaffen. Er kunnen bij controles op straat mensen zijn opgepakt.” 9

5.2.2.

Eisers betoog dat verweerder niet aan de hand van concrete gevallen aannemelijk heeft gemaakt dat eiser met de door hem, of door zijn ondergeschikten, verzamelde informatie heeft bijgedragen aan de arrestatie van personen die vervolgens aan martelingen zijn blootgesteld, treft geen doel. Het gaat er immers om dat het, met de door of namens eiser verzamelde informatie, mogelijk werd voor andere diensten om de verdachten op te sporen en te arresteren, wat zonder die desbetreffende informatie niet mogelijk zou zijn geweest. Datzelfde geldt voor eisers betoog dat het aan de operationele diensten was om te beslissen welke van de aangeleverde informatie voldoende relevant was om te gebruiken.

5.2.3.

Eisers ontkenning dat medewerkers van de IDB zelf verhoren zouden bijwonen, zijn kanttekeningen bij de door verweerder aangehaalde informatie over een rechtszaak in 2010, waar eiser als getuige zou hebben opgetreden, eisers stelling dat uit de informatie niet blijkt dat elke Turkse politieofficier bij martelingen betrokken zou zijn geweest en eisers reactie op de door verweerder genoemde tegenstrijdigheden met verklaringen van eisers voormalige collega, treffen ook geen doel. Dit betoog doet namelijk niet af aan de hierboven verwoorde conclusie dat verweerder reeds op basis van eisers eigen verklaringen heeft kunnen concluderen dat sprake is van ‘personal participation’ omdat eiser met het verzamelen en daarna doorgeven van informatie heeft bijgedragen aan de arrestatie van personen die vervolgens aan martelingen zijn blootgesteld.

5.2.4.

Uit het voorgaande volgt verder dat verweerder de toets, op grond waarvan hij artikel 1(F) van het Vv op eiser van toepassing heeft verklaard, voldoende heeft geïndividualiseerd. Verweerder heeft niet uitsluitend artikel 1(F) van het Vv tegengeworpen enkel omdat eiser heeft gewerkt bij de Turkse politie. Verweerder heeft namelijk de verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn eigen werkzaamheden integraal beoordeeld en aan zijn besluit ten grondslag gelegd en daarmee de handelingen die eiser zelf heeft verricht gekwalificeerd. De rechtbank ziet dan ook geen enkele strijd met genoemde arresten in de zaken Ezokola en Duitsland t. B. en D. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Vormt eiser een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde?

6. Eiser betoogt dat, ook als verweerder gevolgd moet worden dat eiser in verband kan worden gebracht met 1(F)-misdrijven, er geen sprake is van een actuele bedreiging. Eiser wijst daarbij op het tijdsverloop. Eiser heeft weliswaar geen berouw getoond, maar omdat eiser de misdrijven niet zelf heeft gepleegd kan dit hem niet worden tegengeworpen. Ook houdt verweerder er ten onrechte geen rekening mee dat eiser zich, ten koste van zijn eigen veiligheid, jarenlang heeft ingezet voor Koerdische bevolking en andere minderheden in Oost-Turkije. Ten koste van grote persoonlijke consequenties heeft eiser in 2015, door middel van een interview in [titel blad], publiekelijk gewaarschuwd voor een nieuwe aanval door de Turkse overheid op de Koerdische bevolking. Dit interview heeft geleid tot zijn arrestatie en detentie.

6.1.

Verweerder meent dat de in beroep genoemde factoren, medische omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel, reeds kenbaar zijn betrokken in het besluit. Verweerder stelt zich op het standpunt dat is getoetst conform het arrest K. en H.F. van het Hof van Justitie10 en dat in het besluit en het voornemen dat daar deel van uitmaakt voldoende gemotiveerd uiteen is gezet waarom eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

6.2.

In arrest K. &. H.F. heeft het Hof van de Justitie kort gezegd geoordeeld dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vv er niet automatisch toe leidt dat aan het Unierechtelijke openbare ordecriterium is voldaan, maar dat de lidstaten altijd een individuele beoordeling moeten maken van het gedrag van de betrokken persoon.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de ernst van de misdrijven waar eiser mee in verband wordt gebracht. Ook betrekt verweerder niet ten onrechte dat er mogelijk mensen in Nederland verblijven die slachtoffer zijn geweest van de misdrijven en dat moet worden voorkomen dat zij met de aanwezigheid van eiser in Nederland worden geconfronteerd. Daarbij is van belang dat eiser een bekende hoge politiefunctionaris en vertegenwoordiger van de Turkse overheid in Oost-Turkije is geweest.

6.3.1.

Ook betrekt verweerder niet ten onrechte dat eiser die misdrijven nu ontkent althans zijn rol daarin bagatelliseert.11 Gelet op eisers carrièreverloop, de opleiding die hij heeft gehad en de omstandigheid dat eiser juist naar de IDB was overgestapt om carrière te maken, is niet aannemelijk dat eiser zich in de periode 1991-1996 enkel met de door hem gestelde werkzaamheden bezig heeft gehouden.

Die gestelde werkzaamheden verhouden zich ook niet met zijn verklaring dat hij in 1997 werd benoemd als hoofd van het onderzoeksteam in een zeer belangrijk en politiek gevoelige onderzoek. Niet valt in te zien dat hij deze functie zonder verdere noemenswaardige ervaring zou hebben gekregen. Eisers enkele verklaring dat hij betrouwbaar was en één van de weinigen was die zich met de betreffende onderzoekstechnieken bezighield is daarvoor onvoldoende.

Pas op zitting stelt eiser dat dit niet zou kloppen, althans dat het door verweerder verkeerd zou zijn geïnterpreteerd. Dat hij in dat onderzoeksteam slechts een eenvoudige taak uitvoerde valt echter niet te rijmen met zijn verklaringen dat hij door de landelijke directeur van de IDB was gevraagd12 en direct rapporteerde aan de voorzitter van de onderzoekscommissie, [naam voorzitter]13. Hij heeft ook verklaard dat hij “het hoofd [was] van het team dat onder andere deze maffiabazen heeft opgepakt.”14. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser na dat onderzoek in 1997 in korte tijd verder werd bevorderd tot belangrijke functies in de bestrijding van de georganiseerde misdaad in Turkije. Eiser heeft immers verklaard dat hij in 1998 hoofd werd van de eenheid voor georganiseerde misdaad, financiële misdaad en narcotische misdaad van de IDB, terwijl hij 2007 is benoemd als [functie] . Dit alles valt niet te rijmen met zijn verklaring dat hij tot en met 1997 slechts onbeduidende werkzaamheden verrichtte. Verweerder kan er dus in gevolgd kan worden dat eiser een belangrijkere rol speelde dan hij heeft doen voorkomen.

6.3.2.

Het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen en de omstandigheid dat eiser later handreikingen naar de Koerdische bevolking heeft gedaan acht verweerder, gelet op zijn huidige houding, niet ten onrechte onvoldoende om anders te concluderen.15 Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

7. Eiser is volgens verweerder op grond van artikel 3 van het EVRM niet uitzetbaar naar Turkije. Eiser betoogt dat verweerder, bij de toets in het kader van het evenredigheidsbeginsel, deze omstandigheid niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Uit het standpunt van verweerder blijkt niet dat de belangen van eiser in aanmerking zijn genomen bij de beslissing om aan hem een terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen.

7.1.

Het beleid van verweerder om, naast andere vereisten, pas na tien jaar, te rekenen van de datum van de eerste asielaanvraag, aan te nemen dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen uitzetting verzet is volgens vaste rechtspraak niet onredelijk.16 Eiser heeft verder geen concrete belangen aangevoerd die zich tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod zouden verzetten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Wat betekent dit voor het beroep?

8. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft verweerder terecht een inreisverbod opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 31 maart 2020 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.M.C. Schuurman - Kleijberg, leden, in aanwezigheid van mr.R.P.H. Evers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76).

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684.

3 Verweerder wijst daarbij op pagina’s 4, 17 en 36 van het Rapport aanvullend gehoor 1F.

4 Pagina 44 van het Rapport aanvullend gehoor 1F.

5 HvJEU 9 november 2010, ECLI:EU:C:2010:661.

6 Ezokola v. Canada (Citizenship and Immigration), 2013 SCC 40, [2013] 2 S.C.R. 678.

7 Cursivering betreft de vraag van de hoormedewerker van verweerder. Deze wordt gevolgd door het antwoord van eiser.

8 Pagina 17 van het Rapport aanvullend gehoor 1F.

9 Pagina 35 en 36 van het Rapport aanvullend gehoor 1F.

10 Arrest van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296.

11 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:820.

12 Pagina 27 van het Rapport aanvullend gehoor 1F.

13 Pagina 6 van het Rapport nader gehoor.

14 Pagina 5 van het Rapport nader gehoor.

15 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017, punt 9.4.

16 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684.