Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8439

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2773
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Artikel 11 (hardheidsclausule) geeft geen aanspraak op vergoeding kosten rechtsbijstand. Niet gebleken van ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de staatsecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Engels Linssen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om vergoeding van kosten voor een juridisch deskundige afgewezen.

Bij besluit van 4 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021 via een videoverbinding.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser ontvangt een militair invaliditeitspensioen. Hij heeft verweerder gevraagd om vergoeding van de kosten van een juridisch deskundige in verband met een aantal juridische- en tuchtrechtelijke procedures die hij heeft lopen tegen zijn vroegere werkgever. Hij is psychisch en lichamelijk niet in staat zichzelf te verdedigen in deze procedures en kan de noodzakelijk te maken kosten van juridische bijstand zelf niet dragen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Voorzieningenregeling) geen grondslag biedt voor vergoeding van kosten van juridische bijstand. Ook heeft verweerder geen aanleiding gezien om artikel 11 van de Voorzieningenregeling toe te passen.

Wat zijn de regels?

3. De toepasselijke regels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt dat verweerder artikel 11 van de Voorzieningenregeling onjuist citeert en interpreteert. Eiser heeft deze beroepsgrond uitvoerig toegelicht. Ook verzoekt eiser de rechtbank verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt dan wel zal gaan lijden ten gevolge van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit.

5. Verweerder blijft bij wat hij in het bestreden besluit heeft overwogen. In zijn verweerschrift heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden gegeven.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank is van oordeel dat in wat eiser naar voren heeft gebracht geen grond is gelegen om tot de conclusie te komen dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de Voorzieningenregeling geen grondslag biedt om over te gaan tot de vergoeding van de kosten juridische bijstand van eiser.

De vraag is dan alleen nog of verweerder eiser ondanks dat eiser op grond van de Voorzieningenregeling geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten met toepassing de in artikel 11 van de Voorzieningenregeling opgenomen hardheidsclausule voor de verzochte voorziening in aanmerking had moeten brengen. De rechtbank overweegt dat verweerder artikel 11 van de Voorzieningenregeling op de juiste wijze interpreteert. Zoals verweerder ook in zijn verweerschrift heeft toegelicht dient voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule eerst sprake te zijn van kosten die redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene kunnen komen. Daarnaast moet er sprake zijn van één van de twee volgende situaties veroorzaakt door het niet-toekennen van de gevraagde vergoeding, te weten: 1) ernstige bestaansverschraling of 2) psychische decompensatie.

7. De rechtbank heeft zeker oog voor de moeilijke situaties waarin eiser zich bevindt. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank echter terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat het niet toekennen van de vergoeding van de kosten leidt tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie van eiser. Het beroep op de hardheidsclausule van artikel 11 van de Regeling gaat alleen daarom al niet op. Dat eiser, naar hij stelt, de kosten van juridische bijstand niet kan dragen maakt hem niet tot een bijzonder geval in de zin van artikel 11 van de Voorzieningenregeling.

8. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat artikel 12 en artikel 15 van de Voorzieningenregeling de mogelijkheid bieden om tot maatwerk te kunnen komen. Artikel 12 voorziet in de mogelijkheid vooruitlopend op de uitkomsten van een nader onderzoek de gewenste voorziening op voorschotbasis toe te kennen indien in verband met de ernst van de invaliditeit en de persoonlijke situatie van de betrokkene onverwijld een voorziening in de zin van de Voorzieningenregeling is geboden. Van zo’n situatie is in dit geval geen sprake. Verweerder heeft zich nu juist op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen grondslag in de Voorzieningenregeling bestaat voor toekenning van de gevraagde vergoeding van de kosten van juridische bijstand. Verder gaat het niet om een voorziening die ten tijde van de inwerkingtreding van de Voorzieningenregeling nog niet bekend dan wel niet voorzienbaar was, zodat ook artikel 15 eiser niet kan helpen.

9. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, speelt de aard van de dienstverbandaandoening (verergerend of oorzakelijk) en het al dan hebben bereikt van een medische eindtoestand geen rol bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening op grond van de Voorzieningenregeling.

10. Van strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel is geen sprake. Waarom het bestreden besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft eiser niet toegelicht. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt al om die reden.

Conclusies

11. Het beroep is ongegrond.

12. Omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

[…]

b. invaliditeit: de invaliditeit met dienstverband, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, ook indien sprake is van een invaliditeit van minder dan 10%;

c. voorziening: het middel dat direct dan wel indirect de nadelige gevolgen van de beperkingen die de betrokkene ten gevolge van zijn invaliditeit ondervindt, opheft of vermindert dan wel voorziet in een financiële tegemoetkoming in of een financiële vergoeding van de kosten die daarvan een gevolg zijn;

[…]

Artikel 2

Voorzieningen worden verleend in de vorm van:

a. leefvoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3;

deze voorzieningen kunnen betrekking hebben op:

1. verplaatsing per taxi of auto;

2. verplaatsing binnenshuis en buitenshuis per rolstoel;

3. wonen;

4. kosten verbonden aan op zich normale huishoudelijke uitgaven;

5. ontspanning of ontwikkeling;

6. conditietraining;

7. verplaatsing per fiets;

8. kosten verbonden aan alarmeringstoestellen;

9. algemene dagelijkse levensverrichtingen;

10. kinderopvang;

11. Gezinsbegeleiding.

b. werkvoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 4;

c. voorzieningen ter zake van de kosten van geneeskundige verzorging als bedoeld in hoofdstuk 4a;

d. bijzondere voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 5.

Artikel 3

Een voorziening als bedoeld in artikel 2 wordt slechts verleend indien:

a. de verstrekking daarvan in verband met de aanwezige invaliditeit om medische dan wel sociaal-medische redenen aangewezen is;

b. deze in overwegende mate op het individu gericht is;

c. deze voor langere tijd noodzakelijk is;

d. deze voor de betrokkene niet algemeen gebruikelijk is;

e. deze door betrokkene vooraf is aangevraagd. Ambtshalve toekenning kan plaatsvinden indien tijdens een medisch onderzoek in verband met de invaliditeit van betrokkene de medische noodzaak komt vast te staan;

f. deze de meest goedkope adequate is. De verstrekking kan hierdoor afwijken van de aangevraagde voorziening.

Artikel 11

In bijzondere gevallen kan de betrokkene in aanmerking komen voor een voorziening, verband houdende met zijn invaliditeit, indien hierin niet door een andere regeling wordt voorzien. Van een bijzonder geval is sprake indien niet toekenning van de bijzondere voorziening voor de betrokkene tot kosten zou leiden die redelijkerwijs niet ten laste van hem dienen te komen en bovendien zou leiden tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie van de betrokkene.

Artikel 12

1. Indien in verband met de ernst van de invaliditeit en de persoonlijke situatie van de betrokkene onverwijld een voorziening in de zin van deze regeling geboden is kan vooruitlopend op de uitkomsten van een nader onderzoek aan de betrokkene de gewenste voorziening op voorschotbasis worden toegekend.

2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien naderhand blijkt dat daarop geen recht bestaat.

Artikel 15

In individuele gevallen, waarin de regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, kan zo nodig in afwijking van het bepaalde in deze regeling een beslissing worden genomen, voor zover het betreft voorzieningen, die ten tijde van het in werking treden van deze regeling nog niet bekend zijn dan wel niet voorzienbaar waren en waarvan toevoeging aan deze regeling opportuun wordt geacht.