Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8431

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2235
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorzieningenregeling militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Somatische symptoom stoornis geen te objectiveren aandoening aan het bewegingsapparaat. Geen aanspraak op ADL- voorziening rolstoel en sportrolstoel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2235

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.L. Knoben).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om vergoeding van de aan de aanschaf- en onderhoudskosten van een ADL rolstoel en een sportrolstoel afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021 via een videoverbinding.

Eiser is verschenen. Verweerder is heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is uitgezonden geweest naar Afghanistan en daar ziek geworden. Verweerder heeft dienstverband aanvaard voor persisterende rectum ulceraties na een shigella infectie (wo. incontinentia alvi) inclusief een cognitieve stoornis nao en fibromyalgie. De aanvraag om vergoeding van de kosten van een ADL rolstoel en sportrolstoel is afgewezen omdat op grond van eisers dienstverbandaandoeningen geen medische indicatie aanwezig is voor een ADL rolstoel en een sportrolstoel. Bij het bestreden besluit is de afwijzing gehandhaafd.

Wat zijn de regels?

2. De toepasselijke regels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3. Eiser brengt naar voren dat hij zich gekwetst voelt over de manier waarop het ABP namens verweerder met hem is omgegaan. Ook vindt hij het bijzonder teleurstellend dat zijn voormalig commandant hem het gevoel of in ieder geval het idee heeft gegeven dat hij hem zou helpen. Eiser stelt dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

Verder heeft eiser, gelet op het feit dat er vanuit de Sint Maartenskliniek al in december 2017 een advies voor een rolstoel is afgegeven vanwege de fysieke (functionele) beperkingen in zijn onderlichaam, dat er een aanvullende verwijskaart van de huisarts is en het ABP in het bezit is van de medische expertise van orthopedisch chirurg P.T.D. Kingma van 9 augustus 2017, het vermoeden dat de aanvraag goedgekeurd had moeten worden. Daarnaast vindt hij het erg naar dat bureau HDP weigert de hardheidsclausule in de voorzieningenregeling toe te passen. Hierdoor dwingt bureau HDP hem in een juridische procedure terwijl dit vanwege de behandeling van zijn PTSS te belastend is. De (medische) feiten geven voldoende weer dat hij om medische redenen moet kunnen beschikken over een (lichtgewicht) ADL rolstoel.

Aan de basis van zijn aanvraag liggen de functionele beperkingen in zijn onderlijf. De functionele beperkingen zijn onderzocht en beschreven in het onderzoeksrapport van Kingma. Verweerder weigert echter een militair invaliditeitspensioen toe te kennen op basis van de functionele beperkingen van zijn onderlijf omdat hij in 1994 twee hersenbloedingen heeft gehad tijdens zijn militaire dienst bij de Koninklijke Marine. Hij is geopereerd en heeft langdurig gerevalideerd. Sinds augustus 1995 draagt hij een knie-brace. Volgens het ABP had eiser toen ook al een functionele beperking in zijn benen. Dit is echter niet juist en doet volgens hier ook niet ter zake.

Eiser verzoekt de rechtbank verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt dan wel zal gaan lijden ten gevolge van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit in het geval zij het beroep gegrond verklaard.

4. Verweerder blijft bij het bestreden besluit. Bij wijze van verweer heeft verweerder de reactie van (bezwaar)verzekeringsarts R.A. Goedhard van 19 augustus 2020 ingediend. Goedhard stelt dat er geen medisch inhoudelijk geen nieuwe gronden zijn aangevoerd zodat hij niet inhoudelijk kan reageren. Het beroepschrift geen hem geen aanleiding zijn eerder ingenomen standpunt te herzien.

5. In het aanvullend beroepschrift van 24 juni 2021 stelt eiser dat verweerder inmiddels dienstverband heeft aanvaard voor de functionele beperkingen van zijn benen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser pagina’s 1 tot en met 4 en 32 tot en met 38 van onderzoeksrapport van medisch adviseur-verzekeringsarts A.M. Koop met de bevindingen van het geneeskundig onderzoek van 8 februari 2021. Eiser verzoekt de rechtbank de uitkomst van dit onderzoek mee te laten wegen en hem de voorziening van een (lichtgewicht) ADL-rolstoel toe te wijzen.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de bevindingen van dat onderzoek verkeerd interpreteert. Hij verwijst naar het commentaar van Goedhard van 11 mei 2021 dat hij in de bezwaarprocedure van eiser tegen het afwijzen van verschillende mobiliteitsvoorzieningen (aankoppelfiets, driewielfiets en handbike) heeft geleverd. Goedhard blijft er bij dat er geen sprake is van aan de uitoefening van de militaire dienst te relateren functionele beperkingen van het bewegingsapparaat. Dat bij de herbeoordeling in plaats van fybromyalgie wordt gesproken van een somatoforme stoornis maakt dit niet anders omdat het ook in dat geval gaat om subjectief ervaren klachten.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Komt eiser in aanmerking voor de gevraagde voorzieningen?

7. Het standpunt van verweerder dat op basis van de dienstverbandaandoeningen geen medische indicatie aanwezig is voor de gevraagde voorzieningen berust op het advies de verzekeringsarts R. Bhaggoe. Hij heeft er op gewezen dat Kingma geen objectieve orthopedische aandoeningen en geen beperkingen in het bewegingsapparaat heeft vastgesteld. Goedhard heeft dit advies onderschreven. In zijn advies van 5 november 2011 heeft Goedhard in reactie op het bezwaarschrift toegelicht dat het syndroom fibromyalgie is beschouwd als een gevolg van de eerder vastgestelde dienstverbandaandoening na de shigella infectie en uitgelegd dat het begrip functionele beperkingen een begrip is in de geneeskunde waarmee beperkingen (in bijvoorbeeld de beweeglijkheid van ledematen) worden aangeduid die niet te objectiveren zijn, maar wel een bepaald doel kunnen hebben. Hij heeft daarbij aangegeven dat bij eiser aan de benen geen beperkingen ten aanzien van de functie zijn vast te stellen door de orthopeed en er zelfs geen spieratrofie is vast te stellen wat er op wijst dat de (spieren in de) benen voldoende gebruikt worden. Ook op andere wijze kon de orthopeed geen afwijkingen op zijn vakgebied vaststellen. Hetzelfde geldt voor de neuroloog en de reumatoloog. Zou de reumatoloog wel objectief afwijkingen kunnen vaststellen, dan had de reumatoloog niet aan kunnen geven dat eiser lijdt aan het syndroom fibromyalgie. Dat syndroom wordt immers bepaald door de klachten van de betrokkene en niet door objectief vast te stellen afwijkingen. Goedhard wijst erop dat bij de beoordeling van de claim inzake het militair invaliditeitspensioen niet de ernst van de klachten wordt gewogen, maar de ernst van de objectief vast te stellen afwijkingen als gevolg van een dienstverbandaandoening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het standpunt dat de gevraagde voorzieningen medisch niet noodzakelijk zijn voor eisers aandoeningen waarvoor dienstverband is aanvaard aan de hand van de uitgebreide commentaren van Goedhard van 5 november 2011en 6 februari 2020 voldoende onderbouwd. Daarbij is het andersluidende standpunt van eiser meegewogen. Omdat eiser geen medische contra-expertise heeft ingebracht is er voor de rechtbank geen grond het standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

8. De bevindingen van Koop brengen hier geen verandering in. Nog steeds zijn er geen beperkingen van het bewegingsapparaat vastgesteld. Koop schrijft onder andere in haar onderzoeksrapport: “De huidige onderste extremiteitsklachten worden geïnterpreteerd als een combinatie van zowel restverschijnselen als gevolg van status na subarachnoïdale bloeding (‘94) vwb het rechterbeen als wel somatoforme klachten, passend bij het ernstige PTSS beeld in linker- maar waarschijnlijk ook in het rechterbeen.

Voor de restverschijnselen als gevolg van status na subarachnoïdale bloeding (‘94) vwb het rechterbeen is geen invaliditeit toe te kennen daar het geen dienstverbandaandoening betreft.

Omdat de overige beenklachten meest waarschijnlijk te verklaren zijn middels een SSS (en inactiviteit) en dus in het kader van een PTSS verklaard kunnen worden kan hiervoor dienstverband worden aanvaard. De mate van invaliditeit ten gevolge van deze dienstverbandaandoening wordt vastgesteld via het PTSS protocol, subrubriek 10, stresscoping. […]

In het verleden is voor een aandoening van het bewegingsapparaat, fibromyalgie 20% aanvaard conform de WPC schaal. Er is eindsituatie aanvaard. 20% voor de mate van invaliditeit ten gevolge van de SSS is een overmatige waardering.

Aangezien er eindsituatie is aanvaard, zal de mate van invaliditeit ten gevolge van de

dienstverbandaandoening ongewijzigd blijven. Feitelijk zou de mate van invaliditeit dienen te worden vastgesteld conform het PTSS protocol, maar dat is niet toegepast, de WPC schaal is toegepast.

Echter de mate van invaliditeit dient volgens het PTSS protocol te worden vastgesteld, maar omdat het invaliditeits% al vaststaat, kunnen deze SSSklachten dan niet opnieuw worden beoordeeld: Immers een aandoening kan op geen enkele wijze ooit twee keer tot een mate van invaliditeit leiden. In het PTSS protocol zou deze SSS vallen onder de stresscoping.

Derhalve is onderzoekster van mening dat bij toepassing van het PTSS protocol de subrubriek stress (10) te laten vervallen, zo wordt betrokkene bij de vaststellen van de invaliditeit betrokkene in ieder geval niet te kort gedaan.”

9. Goedhard heeft in zijn brief commentaar van 11 mei 2021 uitgelegd dat er bij eiser zeker sprake is van beperkingen ten aanzien van de mobiliteit, maar niet op basis van te objectiveren afwijkingen aan het bewegingsapparaat. Hierbij verwijst hij naar de bevindingen van Kingma. De klachten van eiser betreffende het bewegingsapparaat zijn geduid als functioneel. Dat wil zeggen dat de klachten voor eiser een bepaalde voor hem van belang zijnde functie hebben. Dat impliceert echter niet dat er sprake is van een functiestoornis van het bewegingsapparaat op basis van een te objectiveren aandoening. Het ‘hebben’ van fibromyalgie of zelfs het accepteren van dienstverband daarvoor, als vervolg op de eerder aangegeven dienstverbandaandoening ‘status na shigella besmetting’, doet daar volgens Goedhard niets aan af. Het ‘vaststellen’ van fibromyalgie is puur en alleen te baseren op de subjectief ervaren klachten, na het uitsluiting van alle mogelijke aandoeningen die dergelijke klachten zouden kunnen veroorzaken. Het kan daarom volgens Goedhard niet zo zijn dat eiser, zoals hij stelt, fibromyalgie heeft opgelopen door voedselvergiftiging in Afghanistan. Voor fibromyalgie is immers per definitie geen oorzaak aan te geven.

10. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder de reacties die Goedhard op het aanvullend beroepschrift per e-mail heeft gegeven voorgelezen. Na de zitting heeft hij deze e-mailberichten aan eiser en de rechtbank gezonden. Goedhard schrijft om zijn e-mailbericht van 5 juli 2021: “[…]. Uit het rapport blijkt dat Annette niet meer om de in het verleden vastgestelde fibromyalgie heen kan, maar de klachten van betrokkene betreffende (oa) zijn benen en darmen beter onder SSS zou passen. Het zijn uitingen van zijn manier van omgaan met stress. Omdat dit reeds is gescoord mbv de WPC schaal heeft ze de score op subrubriek 10 laten vervallen. Er is dus geen functiestoornis in de benen en dus ook geen medische verklaring waarom hij niet in staat zou zijn om meer dan 100m lopend af te kunnen leggen, behoudens deconditionering. Dat is echter geen gevolg van een aandoening, maar van zijn coping. Er zijn dus wel te objectiveren beperkingen (je kunt zien dat hij maar beperkt kan lopen), maar dat is niet toe te schrijven aan een te objectiveren aandoening. SSS is inderdaad een betere beschrijving van de bij hem spelende problematiek dan fibromyalgie..

En in het daarop volgende e-mailbericht schrijft hij: “Het gaat hier om zijn perceptie van beperkingen, niet om beperkingen die op een te objectiveren afwijking gestoeld kunnen worden. Er is, PTSS of niet, aan de benen namelijk geen sprake van enige vorm van een motorische beperking, anders dan de als rest na de CVA, waarvoor geen dienstverband is geaccepteerd. Pijn is bovendien een subjectief gegeven. […]”.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dat de conclusies die eiser uit het onderzoeksrapport heeft getrokken, getuigt van een verkeerde interpretatie van wat in het rapport is vermeld. Het feit blijft dat bij eiser geen sprake is van een te objectiveren aandoening aan het bewegingsapparaat.

11. Dit is de reden waarom eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde voorziening. Dat verweerder de voorwaarde hanteert dat sprake moet zijn van te objectiveren beperkingen ten gevolge van een dienstverbandaandoening vindt de rechtbank niet onredelijk. Ook vindt de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder als uitgangspunt hanteert dat in geval een aanvraag om een voorziening op grond van de Voorzieningenregeling niet voor toewijzing in aanmerking komt een beroep moet worden gedaan op de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Daarbij merkt de rechtbank op dat in het kader van de WMO eisers naar eisers gehele medische situatie wordt gekeken, terwijl in het kader van de onderhavige aanvraag alleen eisers dienstverbandaandoeningen van belang zijn. In eisers situatie zou hij de kosten van de aanschaf en onderhoud van de rolstoel en sportrolstoel mogelijk ook in de schadevergoedingsprocedure aan de orde kunnen stellen.

12. Dat de ergotherapeut van de Sint Maartenskliniek een handbewogen rolstoel heeft geadviseerd en de huisarts ten behoeve van de verzekering een verwijzingsformulier voor een rolstoel heeft ingevuld en ondertekend, maakt niet dat aan eiser daarom op grond van de Voorzieningenregeling een tegemoetkoming in de kosten van een rolstoel en een sportrolstoel zou moeten worden verstrekt. Zoals hiervoor is overwogen dient hiervoor sprake te zijn van objectiveerbare beperkingen en daarvan is hier geen sprake.

Kan eiser een geslaagd beroep op artikel 11 van de Voorzieningenregeling doen?

13. Voor zover eiser zich beroept op artikel 11 van de Voorzieningenregeling, kan dit beroep niet slagen. Artikel 11 heeft betrekking op de situatie dat de betrokkene in aanmerking kan komen voor een voorziening waarin niet door een andere regeling wordt voorzien. Voor de voorzieningen waarvoor eiser een aanvraag heeft ingediend bestaan echter andere regelingen, zoals de WMO.

14. Overigens is het al dan niet toepassen van de in artikel 11 van de Voorzieningenregeling neergelegde hardheidsclausule niet aan de Hoofddirecteur Personeel (HDP) zoals eiser veronderstelt, maar aan verweerder. Het is immers de bevoegdheid van verweerder te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een leefvoorziening en het is daarmee ook zijn bevoegdheid om al dan niet gebruik te maken van de hardheidsclausule.

Is het vertrouwensbeginsel geschonden?

15. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

16. Uit de vraag van zijn voormalig commandant “En [eiser] , is het al geregeld?” blijkt geen concrete toezegging. Ook uit zijn opmerking dat het schandalig is en eiser hem mocht benaderen als hij zijn hulp nodig had, kon eiser naar het oordeel van de rechtbank niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij in aanmerking kwam voor vergoeding van de aanschafkosten van beide rolstoelen. Zonder de context te kennen waarbinnen de opmerking is gedaan, wijst de rechtbank er nogmaals op dat het aan verweerder is voorbehouden te beslissen over aanvraag om een voorziening op grond van de Voorzieningenregeling. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Conclusies

17. Het beroep is ongegrond.

18. Omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers

Artikel 2

Voorzieningen worden verleend in de vorm van:

a. leefvoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3;

deze voorzieningen kunnen betrekking hebben op:

[…]

2. verplaatsing binnenshuis en buitenshuis per rolstoel;

Artikel 3

Een voorziening als bedoeld in artikel 2 wordt slechts verleend indien:

a. de verstrekking daarvan in verband met de aanwezige invaliditeit om medische dan wel sociaal-medische redenen aangewezen is;

[…]

Artikel 11

In bijzondere gevallen kan de betrokkene in aanmerking komen voor een voorziening, verband houdende met zijn invaliditeit, indien hierin niet door een andere regeling wordt voorzien. Van een bijzonder geval is sprake indien niet toekenning van de bijzondere voorziening voor de betrokkene tot kosten zou leiden die redelijkerwijs niet ten laste van hem dienen te komen en bovendien zou leiden tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie van de betrokkene.