Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8278

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
C/09/572159 / HA ZA 19-397
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IOV Provincie Noord-Brabant; regelwijziging 2; emissiereductie eisen stikstof; toets aan artikel 1 EP; individuele bijzondere disproportionele last voor veehouders?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/572159 / HA ZA 19-397

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

1 ZUIDELIJKE LAND EN TUINBOUWORGANISATIE,

te 's-Hertogenbosch,

2. [eiseres 2], te [plaats 1],

3. [eiseres 3], te [plaats 2],

4. [eiseres 4], te [plaats 3],

5. a. [eiser 5a],

b. [eiser 5b], beiden te [plaats 4]

6. a. [eiser 6a], te [plaats 5],

b. [eiser 6b], te [plaats 6]

7. [eiser 7], te [plaats 7],

8. [eiser 8], te [plaats 8],

9. [eiser 9], te [plaats 9],

10. [eiser 10], te [plaats 10],

eisers,

advocaat mr. M.I.J. Toonders te Tilburg,

tegen

PROVINCIE NOORD-BRABANT, te Den Bosch,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. van Heijningen te Den Bosch.

Partijen zullen hierna ZLTO c.s. en de Provincie genoemd worden. De individuele eisers worden eiseres 2 etc. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 december 2020 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte uitlating na vonnis tevens wijziging van eis van 10 februari 2021 in de hoofdzaak van ZLTO c.s;

  • -

    de antwoordakte uitlating na tussenvonnis tevens antwoordakte wijziging van eis in de hoofdzaak van 24 maart 2021 van de Provincie;

  • -

    de antwoordakte van 19 mei 2021van ZLTO c.s.

1.2.

Bij bericht van 21 mei 2021 heeft de Provincie bezwaar gemaakt tegen de antwoordakte van ZLTO c.s. van 19 mei 2021. Dit bezwaar heeft de rechtbank bij

rolbeslissing van 2 juni 2021 toegewezen. Het dossier wordt met inbegrip van de antwoordakte van ZLTO c.s. van 19 mei 2021 tot nr. 30 gelezen. De akte wordt vanaf nr. 30 buiten beschouwing gelaten.

1.3.

Ten slotte is een nadere datum voor vonnis bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In dit eindvonnis oordeelt de rechtbank over:

I. in de hoofdzaak: de bij akte van 10 februari 2021 gewijzigde vordering van ZLTO c.s. tegen regelwijziging 2;

II. in de hoofdzaak en in het incident: de proceskosten.

I. De gewijzigde vordering tegen regelwijziging 2

2.2.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen om ZLTO c.s. in de gelegenheid te stellen hun eis aan te passen aan het Besluit 79/20 van PS op 27 november 2020 tot vaststelling van de wijziging interim omgevingsverordening - regelwijziging 2, zoals deze voor de veehouders in Noord-Brabant zal gaan gelden (hierna: ‘regelwijziging 2’), die volgens ZLTO c.s. nog steeds een buitensporige individuele last met zich brengt.

2.3.

ZLTO c.s. vordert, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: artikel 2.66 en artikel 2.67 inclusief Bijlage 2 “Technische eisen huisvestingsysteem” van de Wijziging IOV – regelwijziging 2 wegens onverbindendheid buiten werking te stellen, alsmede de Provincie te veroordelen zich te onthouden van handelingen en gedragingen die op de werking van voornoemde artikelen zijn gegrond, met name het uitvoeren of doen uitvoeren daarvan;

II. subsidiair: artikel 2.66 en artikel 2.67 inclusief Bijlage 2 “Technische eisern huisvestingsysteem” van de Wijziging IOV – regelwijziging 2 wegens onverbindendheid buiten werking te stellen, in dier voege dat de Provincie er toe wordt veroordeeld – tot het moment dat een afdoende schaderegeling voor de door Wijziging IOV – regelwijziging 2 gedupeerde veehouders is getroffen – zich te onthouden van handelingen en gedragingen die op de werking van voornoemde artikelen zijn gegrond, met name het uitvoeren of doen uitvoeren daarvan, zulks met veroordeling van de Provincie om voorafgaand aan de vaststelling van de schaderegeling in constructief overleg te treden met eisers voor wat betreft inhoud, omvang en reikwijdte van deze schaderegeling;

III. meer subsidiair: artikel 2.66 en artikel 2.67 inclusief Bijlage 2 “Technische eisen huisvestingssystemen” van de Wijziging IOV – regelwijziging 2 jegens eisers wegens onverbindendheid buiten werking te stellen, alsmede de Provincie Noord-Brabant jegens eisers te veroordelen zich te onthouden van handelingen en gedragingen die op de werking van voornoemde artikelen zijn gegrond, met name het uitvoeren of doen uitvoeren daarvan,

IV. nog meer subsidiair: artikel 2.66 en artikel 2.67 inclusief Bijlage 2 “Technische eisen huisvestingssystemen” van de Wijziging IOV – regelwijziging 2 jegens eisers wegens onverbindendheid buiten werking te stellen, in dier voege dat de Provincie er toe wordt veroordeeld – tot het moment dat een afdoende schaderegeling voor de door de IOV gedupeerde veehouders is getroffen – zich jegens eisers te onthouden van handelingen en gedragingen die op de werking van voornoemde artikelen zijn gegrond, met name het uitvoeren of doen uitvoeren daarvan, zulks met veroordeling van de Provincie om voorafgaand aan de vaststelling van de schaderegeling in constructief overleg te treden met eisers voor wat betreft de inhoud, omvang en reikwijdte van deze schaderegeling.

ZLTO

2.4.

ZLTO vordert onder I en II de onverbindendverklaring van regelwijziging 2 en vraagt daarmee om een fair balance test op regelniveau. In r.o. 2.9. van het tussenvonnis heeft de rechtbank echter al overwogen dat voor de fair balance test op regelniveau geen aanleiding bestaat: regelwijziging 2 brengt een versoepeling mee van de voor veehouders geldende verplichtingen ten opzichte van de artikelen 2.66 en 2.67 IOV, die in de beoordeling in het tussenvonnis van 15 juli 2020 (r.o. 4.122) de fair balance test op regelniveau hebben doorstaan. Deze vorderingen zal de rechtbank dus afwijzen.

eisers 3, 7, 8, 9, en 10

2.5.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de individuele eisers 3, 7, 8, 9, en 10 geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun vorderingen gericht tegen de oorspronkelijke IOV (zoals beoordeeld in het tussenvonnis van 15 juli 2020), nu deze vervangen is door regelwijziging 2. Voor zover de vorderingen in 2.3. tegen regelwijziging 2 ook door de eisers 3, 7, 8, 9, en 10 zijn ingesteld, hebben deze eisers geen uitvoering gegeven aan de instructie in r.o. 2.10 en r.o. 2.11. van het tussenvonnis. Deze eisers stellen dus niet dat regelwijziging 2 voor hen een bijzondere, disproportionele, individuele last meebrengt. De rechtbank zal hun vorderingen afwijzen.

eisers 2, 4, 5, 5a en 5b, 6a en 6b

2.6.

Eisers 2, 4, 5, 5a en 5b, 6a en 6b hebben de in r.o. 2.10 van het tussenvonnis gestelde vragen beantwoord, onder meer door te verwijzen naar de bij de akte van 10 februari 2021 gevoegde rapportages 42 tot en met 45. De rechtbank zal de vorderingen van deze individuele eisers hieronder afzonderlijk beoordelen in het licht van de instructie in r.o. 2.10 en het toetsingskader in r.o. 2.11 van het tussenvonnis. Die luiden:

‘2.10. Op de individuele eisers rust stel- en bewijsplicht ter zake van hun gewijzigde eis. Iedere individuele eiser zal in zijn of haar afzonderlijke geval concreet inzichtelijk moeten maken waarom ook regelwijziging 2 een disproportionele, individuele last meebrengt. De rechtbank instrueert deze individuele eisers om maximaal 3 pagina’s per individuele eiser te besteden aan deze uitlating. Zij dienen daarbij de volgende concrete vragen te beantwoorden:

1. Van welke keuzemogelijkheid gaat u gebruik maken (zie r.o. 2.6.)?

2. Wat moet u dan concreet doen tot/ op 1 januari 2024 of tot/ op 1 januari 2028?

3. Welke concrete investering kunt u door regelgeving 2 niet terugverdienen, en waarom niet?

4. Waarom is voor u, ten opzichte van andere veehouders, sprake van een bijzondere en individuele disproportionele last?

2.11.

De rechtbank wijst erop dat zij het toetsingskader blijft hanteren dat in het tussenvonnis uiteen is gezet (zie r.o. 4.123 tot en met 4.132). Zonder hier uitputtend te zijn zal de rechtbank als uitgangspunt hanteren dat investeerdersbeslissingen in beginsel voor risico blijven van de individuele veehouders (zie ook r.o. 4.127 tussenvonnis). Het kunnen hanteren van economische afschrijftermijnen van 15 of 20 jaar levert in ieder geval geen voor de fair balance test relevant nadeel op voor de individuele veehouders (zie ook r.o. 4.94 en 4.95 tussenvonnis). Indien individuele veehouders eerder investeringen moeten doen dan zij in de autonome situatie van plan waren, zal het uitgangspunt zijn dat regelwijziging 2 het veehouders mogelijk maakt deze investeringen gedurende de toekomstige economische afschrijftermijn terug te verdienen (vergelijk r.o. 4.95 tussenvonnis). Voor individuele veehouders die het voornemen hadden om in 2028 of eerder hun bedrijf te beëindigen, zal het uitgangspunt gelden dat hun bedrijfsmiddelen in dat geval nog waarde hebben die te gelde gemaakt kan worden of andere aanwendingsmogelijkheden hebben (r.o. 4.95 en 4.129 van het tussenvonnis). Individuele veehouders hebben de keuze nieuwe investeringen achterwege te laten en hun bedrijf eerder te stoppen (r.o. 4.95. tussenvonnis). Het enkel opvoeren van hoge investeringskosten volstaat niet; de investeringskosten moeten gerelateerd worden aan een percentage van de jaarkosten en aan het bedrijfskapitaal (r.o. 4:132 van het tussenvonnis) en afgezet zijn tegen de autonome situatie. Individuele veehouders dienen transparant te zijn over maatregelen die zij ook al in de autonome situatie op grond van de Verordening Natuurbescherming (2017) en andere regelgeving zoals het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) hadden moeten treffen. Kosten verbonden aan die maatregelen kunnen niet worden toegerekend aan de individuele last op basis van regelwijziging 2. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van emissiereductie-eisen vormt een individuele en buitensporige last.’

Eiseres 2

2.7.

Eiseres 2 voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Eiseres 2 heeft een kalverbedrijf met twee stallen voor 1300 kalveren (stal 2a uit 1980, 2b uit 2004, stal 3a uit 2007/2011). Daarnaast heeft zij 30 hectaren akkerland, waarvan zestien hectaren in eigendom. Eiseres 2 heeft geïnvesteerd in een biomassacentrale en zonnepanelen. Het bedrijf is energieneutraal. In 2016 is het asbest dak vervangen. In 2018 zijn de stallen voorzien van een geautomatiseerde ruwvoerinstallatie. Op dit moment is het bedrijf van eiseres 2 bedrijfseconomisch gezond.

Antwoord op vraag 1 en 2:

Eiseres 2 wil haar bedrijf na 2028 voortzetten. Intern salderen is voor haar geen optie. Zij zal op uiterlijk 1 januari 2024 aan regelwijziging 2 voldoen op dierplaatsniveau door aanpassing van alle stalsystemen. Stallen 2a en 2b worden nu natuurlijk geventileerd, stal 3a mechanisch. In stallen 2a, 2b en 3 zullen luchtwassers worden geplaatst. Plaatsing van luchtwassers vergt bouwkundige aanpassingen in de stallen (verlaagd plafond, afsluiten nok, luchtkanaal, aanpassing bestaande installaties). Stal 2a en 2b worden in 2023 aangepast, stal 3 in 2026. Investeringen in 2023 bedragen € 398.100, in 2026 € 203.600.

Antwoord op vraag 3: Door de plaatsing van de luchtwassers is een deel van de investering in het vervangen van het asbestdak voor niets geweest. De investeringen in luchtwassers en de aanpassing van de stallen zijn dusdanig hoog dat er een structureel liquiditeitstekort zal optreden. Het percentage jaarkosten ten opzichte van investeringen is veel hoger dan de 5 % die aanvaardbaar wordt geacht. Eiseres 2 kan de investeringen niet terugverdienen. Zij zal daarom geen financiering krijgen van de bank.

Antwoord op vraag 4: als bijzondere omstandigheden voert eiseres 2 aan:

  • -

    eiseres 2 heeft geen continuïteitsperspectief;

  • -

    brongerichte huisvestingssystemen zijn de komende jaren niet beschikbaar;

  • -

    de milieuwinst in de vorm van verminderde depositie is minimaal: 0,93 mol/ jaar/ ha op dichtstbijzijnde habitat in Natura 2000 gebied;

  • -

    eiseres 2 komt niet aanmerking voor flankerend beleid.

2.8.

De Provincie voert aan dat eiseres 2 verschillende opties heeft en dat zij er ten onrechte van uit gaat dat zij per 1 januari 2024 volledig dient te voldoen op dierstalniveau. Eiseres 2 heeft de optie om intern te salderen, waardoor een van de stallen pas in 2027 of 2028 hoeft te zijn aangepast. Eiseres 2 maakt zelf de keuze om de huisvestingssystemen gelijktijdig aan te passen. Eiseres 2 voert ten onrechte aan dat zij in de autonome situatie had kunnen volstaan met brongerichte technieken per 2028: bij brongerichte technieken zouden aanvullende maatregelen nodig zijn. Eiseres 2 voert ten onrechte een veelheid aan kosten op voor aanpassingen aan de stallen op als gevolg van regelwijziging 2: slechts 42 % van die kosten zijn aan de IOV/regelwijziging 2 toe te rekenen. Eiseres 2 voert over te lange periodes leegstandskosten op: fasegewijze aanpassing ligt voor de hand en kan van eiseres worden verlangd. Eiseres 2 maakt niet het vergelijk met investeringen die nodig zouden zijn in de autonome situatie en houdt er geen rekening mee dat de investering geen 4 jaar maar 15 jaar meegaat. De aangevoerde jaarkosten zijn niet ook over de periode na 2027 bezien. De huisvestingssystemen van eiseres 2 zijn al lang en breed afgeschreven en eiseres 2 had een financiële buffer kunnen opbouwen om de verouderde systemen te vervangen. Indien eiseres 2 meent dat zij haar investeringen niet kan terugverdienen, heeft zij de keuze deze niet te doen en te stoppen. Uit de door eiseres 2 verstrekte gegevens is tenslotte niet te beoordelen wat de vermogens- en financieringspositie van de onderneming is. Er is geen sprake van een minimale milieuwinst, aldus nog steeds de Provincie.

2.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres 2 niet met voldoende concrete feiten onderbouwd dat de aanpassingen die zij moet verrichten om te voldoen aan regelwijziging 2 een individuele, bijzondere disproportionele last voor haar meebrengen. Eiseres 2 stelt dat eerdere investeringen door regelwijziging 2 niet zouden kunnen zijn of worden terugverdiend, maar onderbouwt dit niet met concrete feiten en cijfers. De stallen zijn dusdanig oud dat van eiseres 2 mocht worden verwacht dat zij een financiële buffer heeft opgebouwd om te reserveren voor voorzienbare investeringen voor aanpassing van de verouderde of afgeschreven stalsystemen. Eiseres 2 heeft de hoogte van de kosten van de aanpassingen en haar standpunt dat deze kosten aan de IOV zijn toe te rekenen niet toereikend onderbouwd; de Provincie heeft daar terecht vele vraagtekens bij gesteld en heeft gewezen op niet of niet deugdelijk onderbouwde posten. Eiseres 2 laat bij het berekenen van de jaarlasten na de vergelijking te maken over de gehele duur van de investering. Eiseres 2 heeft verder niet toereikend onderbouwd waarom de investeringen niet gefaseerd gepleegd kunnen worden, al dan niet met gebruik van de nieuwe mogelijkheid in regelwijziging 2 tot intern salderen, om vervolgens in 15 jaar te kunnen worden terugverdiend. Tenslotte geldt dat eiseres 2 de keuze heeft om de nieuwe investeringen achterwege te laten en te stoppen. Anders dan eiseres 2 stelt, volgt verder uit de depositieberekeningen niet dat aanpassingen aan regelgeving 2 in de situatie van eiseres 2 leiden tot een minimale milieuwinst in Natura 2000 gebieden. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de berekeningen van de Provincie (5.22 van de akte), waaruit de milieuwinst blijkt: een afname van de depositie van gemiddeld 0.93 mol/ha/jr op een Natura 2000 gebied is geen minimale milieuwinst. Dit een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat regelwijziging 2 voor eiseres 2 niet leidt tot een individuele bijzondere, disproportionele last. De vorderingen zullen worden afgewezen.

Eiseres 4

2.10.

Eisers 4 voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Antwoord op vraag 1 en 2:

Eiseres 4 heeft een bedrijf met geiten en opfoklammeren. De stallen die ouder zijn dan vijftien jaar moeten op grond van regelwijziging 2 worden aangepast. In 2015 heeft nieuwbouw plaatsgevonden en zijn nieuwe stallen tussen/tegen de oude stallen gebouwd. Er zijn toen bovenwettelijke investeringen gedaan in mestopslag, landschappelijke inpassing en ammoniakmaatregelen. Het nieuwe beleid was in 2015 voor eiseres 4 niet voorzienbaar. Alle stallen zijn met elkaar verbonden en worden via natuurlijke weg geventileerd. Vanwege die verbondenheid leidt de verplichting tot het plaatsen van mechanische ventilatie en luchtwassers in de oude stallen op uiterlijk 1 januari 2024 noodgedwongen ook tot aanpassingen in de nieuwe stallen. Eiseres 4 is niet gebaat met intern salderen. Het plaatsen van mechanische ventilatie uiterlijk 1 januari 2024 vergt een investering in stalaanpassingen van € 917.820. De exploitatie van de luchtwasser(s) leidt tot extra kosten voor energie en onderhoud van € 33.138 per jaar.

Antwoord op vraag 3:

Voor de investeringen die eiseres 4 niet kan terugverdienen verwijst eiseres 4 naar het rapport van Flynth (productie 24 dagvaarding) waaruit een structureel liquiditeitstekort voor haar bedrijfsvoering volgt bij investeringen. Eiseres 4 stelt voorts dat bij melkgeitenbedrijven ten onrechte wordt gerekend met een afschrijvingstermijn voor huisvestingssystemen van vijftien jaar; dit zou volgens eiseres twintig jaar moeten zijn, in overeenstemming met de termijnen in de rundveehouderij.

Antwoord op vraag 4:

Eiseres 4 noemt de volgende bijzondere omstandigheden, die voor haar leiden tot een individuele disproportionele last:

  • -

    brongerichte huisvestingssystemen geschikt voor geiten zijn niet beschikbaar, terwijl luchtwassers niet geschikt zijn voor geiten en in het bedrijf van eiseres 4 zeer lastig in te passen;

  • -

    eiseres 4 levert een geringe bijdrage aan de depositie op Natura 2000 gebieden;

  • -

    eiseres 4 komt niet in aanmerking voor flankerend beleid. Zij heeft overigens het voornemen het bedrijf in de huidige vorm voort te zetten.

2.11.

Met de Provincie is de rechtbank van oordeel dat eiseres 4 niet met voldoende concrete feiten heeft onderbouwd dat de aanpassingen die zij moet verrichten om te voldoen aan regelwijziging 2 een individuele, bijzondere disproportionele last voor haar meebrengen. Eiseres 4 heeft geen geactualiseerde onderbouwing overgelegd waarin de autonome situatie (onder de oude Verordening) wordt vergeleken met de situatie waarin zij per 2024 voldoet aan regelwijziging 2. Zij heeft geen inzicht gegeven in haar actuele financiële situatie, terwijl in het rapport van Flynth van 22 juni 2018 (productie 24 bij dagvaarding) alleen accountantsrapporten tot en met 2016 zijn gebruikt. Eiseres 4 heeft geen adequaat antwoord gegeven op vraag 3: zij heeft niet concreet gemaakt welke investeringen zij als gevolg van regelwijziging 2 niet kan terugverdienen. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank dit ook niet afleiden uit het rapport van Flynth van 22 juni 2018. Uit dat laatste rapport volgt verder dat de investeringen in stallen (en grasland) niet verricht zijn in 2015, maar in 2017, zodat de gestelde niet-voorzienbaarheid van de nieuwe regelgeving (zie 2.10.) niet is onderbouwd. Anders dan eiseres 4 stelt, volgt uit de depositieberekeningen van eiseres 4 niet dat het voldoen aan regelwijziging 2 in haar geval slechts leidt tot een minimale milieuwinst in Natura 2000 gebieden. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de berekeningen van de Provincie (6.10 van de akte van de Provincie), waaruit een aanzienlijke milieuwinst blijkt. De rechtbank concludeert dan ook dat regelwijziging 2 voor eiseres 4 niet leidt tot een individuele bijzondere, disproportionele last. De vorderingen van eiseres 4 zullen worden afgewezen.

Eisers 5a en 5b

2.12.

Eisers 5a en 5b (tezamen: eisers 5) voeren – zakelijk weergegeven – het volgende aan:

Antwoord op vraag 1 en 2:

Eisers 5 hebben een vleeskalverbedrijf met een vergunning voor 1701 kalverplaatsen. Eisers 5 hebben een Nbw vergunning. De tweede oudste stallen, 1 en 2, zijn in 1975 traditioneel gebouwd. De derde stal is in 2010 gebouwd met een chemische luchtwasser, die voldoet aan de gestelde eisen. In 2010 en 2017 hebben eisers investeringen gedaan in onder meer stal 3 in de veronderstelling dat het bedrijf in 2028 zou moeten voldoen aan strengere reductienormen. Deze investeringen zijn deels voor niets geweest: door regelwijziging 2 dienen eisers 5 stal 1 eerder aan te passen. Eisers 5 wensen het bedrijf na 2028 voort te zetten. Intern salderen is geen optie. Om per 1 januari 2025 70 % en per 1 januari 2028 85 % reductie te halen hebben eisers 5 maar één keuze, namelijk om stallen 1 en 2 in 2024 aan te passen door luchtwassers te plaatsen waarvoor ook bouwkundige voorzieningen nodig zijn. De investeringen in 2024 bedragen € 485.000. De jaarkosten zullen door deze investeringen met 23 % worden verhoogd. De investeringen bedragen 44,3 % in relatie tot het bedrijfskapitaal.

Antwoord op vraag 3:

De investeringen in stal 3 zijn deels voor niets geweest, omdat stal 1 nu toch eerder moet worden toegepast en intern salderen geen optie is. Vanaf het moment dat er in 2024 moet worden geïnvesteerd ontstaat een negatieve marge, die meebrengt dat de bank de investeringen niet zal willen financieren. De investeringen die eisers 5 moeten doen in 2024 zullen zij (dus) niet kunnen terugverdienen. Er is geen continuïteitsperspectief. In de stal van eisers 5 hebben proefprojecten kalverhouderij plaatsgevonden. Daarvan hebben eisers 5 echter geen voordeel gehad.

Antwoord op vraag 4: eisers 5 noemen de volgende bijzondere omstandigheden, die voor hen leiden tot een individuele disproportionele last:

  • -

    eisers 5 hebben geen continuïteitsperspectief;

  • -

    eisers 5 zouden graag de stallen 1 en 2 willen slopen en een nieuwe innovatieve stal terug willen bouwen met toepassing van integrale emissiereducerende systemen in combinatie met mestverwaarding. Brongerichte huisvestingssystemen zijn de komende jaren echter niet beschikbaar. Eisers 5 hebben geen andere keuze dan het plaatsen van luchtwassers;

  • -

    de milieuwinst in de vorm van verminderde depositie houdt in: van 4,15 mol ha/jaar naar 0,97 mol depositie ha/ jaar op habitattype zwakgebufferde vennen in het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied. Gemiddeld genomen neemt de depositie op habitattype zwakgebufferde vennen af van 1,07 mol ha/jaar naar 0,32 mol ha/jaar;

  • -

    eisers 5 komen niet aanmerking voor flankerend beleid.

2.13.

De Provincie voert aan dat eisers 5 het huisvestingsysteem in stal 3 pas in 2030 hoeven aan te passen. Bij de aanpassingen van stallen 1 en 2 hebben eisers 5 de keuze om een vergunningaanvraag in te dienen vóór 1 januari 2024, als gevolg waarvan zij huisvestingssystemen kunnen plaatsen met 50 % reductie die gedurende de afschrijvingsperiode van 20 jaar niet hoeven worden aangepast. Die emissienorm geldt ook als eisers 5 stallen 1 en 2 slopen en nieuwbouw plegen. Eisers 5 hebben dus een keuze. De Provincie betwist dat de investeringen een bedrag van € 485.000 bedragen, nu in de dagvaarding lagere bedragen zijn genoemd en van een deel van de investeringen niet wordt onderbouwd waarom deze aan regelwijziging 2 moeten worden toegerekend. Eisers 5 hanteren in hun financiële onderbouwing een afschrijvingstermijn van vijftien jaar, terwijl een economische afschrijvingstermijn van twintig jaar geldt, hetgeen tot een substantieel verschil leidt voor de opgevoerde extra jaarkosten. Eisers 5 onderbouwen verder de jaarkosten met en zonder investeringen niet zodat (het vergelijk in) de berekening van het investeringsbedrag en de jaarkosten niet navolgbaar is. Eisers 5 bieden geen inzicht in alle bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden. De Provincie betwist het standpunt van eisers 5 dat zij geen voordeel hebben gehad van subsidies, zoals een subsidie in het kader van de Sbv regeling voor een systeem van mestverwaarding. Het bedrijf van eisers 5 levert tenslotte een significante bijdrage aan de depositie op Natura-2000 gebieden. Het verschil in depositie / de milieuwinst van de te treffen voorzieningen is significant, aldus de Provincie.

2.14.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 5 niet met voldoende concrete feiten onderbouwd dat de aanpassingen die zij moeten verrichten om te voldoen aan regelwijziging 2 een individuele, bijzondere disproportionele last voor hen meebrengen. Eisers 5 stellen dat eerdere investeringen in onder meer stal 3 door regelgeving 2 niet zouden kunnen zijn of worden terugverdiend, maar onderbouwen dit niet met concrete feiten en cijfers. Stal 3 hoeft niet te worden aangepast. De stallen 1 en 2 zijn dusdanig verouderd dat mocht worden verwacht dat eisers 5 financiële buffers hebben opgebouwd om te reserveren voor voorzienbare investeringen voor aanpassing van deze verouderde c.q. afgeschreven stalsystemen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Provincie in diverse (eerdere) processtukken, hebben eisers de hoogte van de kosten van de investeringen en het standpunt dat al deze investeringen aan de IOV zijn toe te rekenen niet toereikend onderbouwd. Eisers 5 hebben de berekening van de gestelde hoge jaarlasten niet toereikend onderbouwd. De Provincie heeft daar terecht vele vraagtekens bij gesteld en heeft gewezen op niet of niet deugdelijk onderbouwde posten. Tenslotte geldt dat eisers 5 de keuze hebben om de nieuwe investeringen achterwege te laten en te stoppen. Uit de depositieberekeningen volgt verder niet dat aanpassingen aan regelwijzging 2 in de situatie van eisers 5 leiden tot een minimale milieuwinst in Natura 2000 gebieden en eisers 5 stellen dat ook niet. De door eisers 5 berekende milieuwinst van 4,15 mol ha/jaar naar 0,97 mol depositie ha/ jaar op habitattype zwakgebufferde vennen in het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is naar het oordeel van de rechtbank fors.

De rechtbank concludeert daarom dat regelwijziging 2 voor eisers 5 niet leidt tot een individuele bijzondere, disproportionele last. De vorderingen zullen worden afgewezen

Eisers onder 6a en 6b, [eisers 6]

2.15.

Eisers 6a en 6b (tezamen: eisers 6) voeren – zakelijk weergegeven – het volgende aan.

Antwoord op vraag 1 en 2:

Eisers 6 hebben een familiebedrijf met zeugen verdeeld over vijf stallen. De zoon werkt mee en zal het bedrijf over nemen, het bedrijf wordt na 2028 voortgezet. De dieren worden geproduceerd met een beter leven keurmerk. Eisers 6 kiezen voor intern salderen op bedrijfsniveau om te voldoen aan regelwijziging 2. In drie stallen zullen chemische luchtwassers worden geïnstalleerd met 95 % reductie. Inclusief bouwkundige aanpassingen vraagt dit een investering van € 177.000, die voor 1 januari 2024 gedaan moet worden.

Antwoord op vraag 3:

In de autonome situatie (1 januari 2028) zouden eisers 6 deze investeringen niet hoeven doen. Zonder investeringen zou het bedrijf tussen 2024 en 2028 break-even presteren. Met investeringen zal het bedrijf tussen 2024 en 2028 geconfronteerd worden met een jaarlijkse negatieve marge van ca. € 15.000. Er is dus geen continuïteitsperspectief.

Antwoord op vraag 4:

De door eisers 6 genoemde bijzondere omstandigheden die voor hen leiden tot een individuele disproportionele last zijn:

  • -

    de investeringen zijn zo hoog dat deze niet kunnen worden gedaan en niet terugverdiend kunnen worden. Jaarkosten en financieringslast maken dat de geldstroom onvoldoende is om aan alle financiële verplichtingen te voldoen;

  • -

    de milieuwinst in de vorm van verminderde depositie in Natura 2000 gebieden is minimaal;

  • -

    brongerichte reducerende technieken zijn niet voorhanden, eisers 6 hebben geen keuze;

  • -

    eisers 6 zijn niet gebaat met flankerend beleid. Zij hebben zich aangemeld voor de saneringsregeling varkenshouderij, maar kwamen niet in aanmerking.

2.16.

De Provincie betoogt dat de huisvestingssystemen in vier van de vijf stallen van eisers 6 al lang zijn afgeschreven en dat van eisers 6 had mogen worden verwacht dat ze met de afschrijvingen ook middelen reserveerden voor nieuwe investeringen. De gestelde investeringskosten worden door de Provincie betwist. De bouwkundige voorzieningen kunnen niet aan regelwijziging 2 worden toegerekend. Eisers 6 maken een onjuiste vergelijking met de autonome situatie en geven onvoldoende inzicht in hun financiële situatie. Er is geen sprake van een beperkte milieuwinst, aldus de Provincie.

2.17.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 6 niet met voldoende concrete feiten onderbouwd dat de aanpassingen die zij moet verrichten om te voldoen aan regelwijziging 2 een individuele, bijzondere disproportionele last voor hen meebrengen. Gesteld noch gebleken is dat eerdere investeringen door regelwijziging 2 niet zouden kunnen zijn of worden terugverdiend. Gelet op de bedrijfswinst in 2016 (zoals weergegeven in productie 26 bij dagvaarding) en die in 2019 mocht van eisers 6 worden verwacht dat zij in staat waren om te reserveren voor voorzienbare investeringen voor aanpassing van verouderde of afgeschreven stalsystemen. Onder die omstandigheden is niet toereikend onderbouwd waarom deze investeringen in 2023 niet gepleegd kunnen worden, om vervolgens in vijftien jaar te kunnen worden terugverdiend. Eisers 6 maken ook een onjuiste vergelijking met de autonome situatie, door te stellen dat zij in de autonome situatie geen investeringen hadden hoeven plegen. Daarmee gaan ze eraan voorbij dat in de autonome situatie in 2028 evenzeer investeringen zouden moeten plaatsvinden. Anders dan eisers 6 stellen, volgt verder uit de depositieberekeningen niet dat aanpassingen aan regelwijziging 2 in de situatie van eisers 6 leiden tot een minimale milieuwinst in Natura 2000 gebieden. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de berekeningen van de Provincie (8.15 van de akte), waaruit de milieuwinst blijkt.

De rechtbank komt tot conclusie dat regelwijziging 2 voor eisers 6 niet leidt tot een individuele bijzondere, disproportionele last. De vorderingen zullen worden afgewezen.

Conclusie

2.18.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank alle vorderingen van ZLTO en de individuele eisers afwijzen. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

II. Proceskosten

De provisionele vordering ex artikel 223 Rv

2.19.

De door ZLTO c.s. ingestelde provisionele vordering is in het vonnis in incident van 22 januari 2020 bij gebrek aan belang afgewezen, waarbij een beslissing over de kosten is aangehouden. Nu in de hoofdzaak eindvonnis wordt gewezen zal de rechtbank ook een beslissing nemen over de kosten in dit incident. Het gebrek aan belang bij deze vordering vloeide voort uit de omstandigheid dat zeer kort na het wijzen van dit vonnis, op 14 februari 2020, Provinciale Staten van de Provincie (PS) zouden stemmen over een voorstel tot verruiming van de in de artikelen 2.66 en 2.67 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: de IOV) genoemde termijnen, ten aanzien waarvan in de provisionele vordering was gevorderd dat deze tot 1 januari 2021 buiten toepassing zouden worden gelaten. Met dit voorstel – dat op 14 februari 2020 is aangenomen – is de Provincie hangende deze procedure tegemoetgekomen aan ZLTO c.s. Nu enerzijds de provisionele vordering is afgewezen en anderzijds de Provincie met het op 14 februari 2020 aangenomen voorstel ZLTO c.s. is tegemoetgekomen, zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal daarom de proceskosten in dit incident compenseren.

De hoofdzaak:

2.20.

ZLTO c.s. verzoekt in de hoofdzaak de kosten te compenseren omdat de verschillende wijzigingen van de IOV, in het bijzonder regelwijziging 2 onder druk van deze procedure tot stand is gekomen. ZLTO c.s. heeft in de procedure onder meer gesteld dat de vervroeging van de termijn onacceptabel was, evenals het verbod van intern salderen. De Provincie betoogt dat de verschillende wijzigingen van de IOV geen grond bieden voor compensatie van kosten en dat ZLTO c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden veroordeeld. De Provincie verwijst hiervoor naar de conclusie van A-G Spier bij HR 22 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1296; ECLI:NL:PHR:2015:129, r.o. 4.11. e.v.). Volgens de Provincie bestaat er geen causaal verband tussen de procedure van ZLTO c.s. en de gewijzigde IOV. De wijzigingen van de IOV zijn doorgevoerd door politiek bestuurlijke besluitvorming als gevolg van gewijzigde inzichten. Niet is aangetoond dat deze procedure de wijzigingen heeft veroorzaakt. In dit verband wijst de Provincie er op dat ZLTO c.s. in de akte van 26 augustus 2020 hebben betoogd dat de wijzigingen slechts een beperkte invloed hebben op één van de omstandigheden, namelijk de tijd. Hieruit volgt volgens de Provincie dat ook ZLTO c.s. zich op het standpunt stelt dat de inmiddels doorgevoerde wijzigingen niet tegemoet komen aan haar eisen zoals aanvankelijk aangevoerd in de dagvaarding.

2.21.

De rechtbank zal ZLTO c.s. in de hoofdzaak in de kosten van de Provincie veroordelen en overweegt daartoe als volgt. De wijzigingen van de IOV die de Provincie tot aan het tussenvonnis van 15 juli 2020 heeft doorgevoerd hebben er niet toe geleid dat ZLTO c.s. de zaak heeft ingetrokken. In het tussenvonnis van 15 juli 2020 is ZLTO c.s. voor het overgrote deel in het ongelijk gesteld. Zij is daarmee de overwegend in het ongelijk gestelde partij die in de proceskosten moet worden veroordeeld. Dat geldt ook voor de individuele eisers, wier vorderingen allemaal zijn afgewezen. Gedurende deze procedure heeft uitgebreid debat plaatsgehad over deze vorderingen. Niet blijkt dat de Provincie aan de individuele eisers is tegemoet gekomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de proceskosten te compenseren.

2.22.

De proceskosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op:

- griffierecht € 626

- salaris advocaat € 2.815 (5 punten x tarief € 563).

Totaal € 3.441

De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld. De proceskostenveroordeling ziet ook op de nakosten. Een aparte veroordeling is dus niet nodig voor de nakosten, die wel volgens het liquidatietarief zullen worden begroot.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex art. 223 Rv:

3.1.

compenseert de kosten in dit incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

3.2.

wijst de vorderingen van ZLTO en de individuele eisers af,

3.3.

veroordeelt ZLTO c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 3.441, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van deze kosten;

3.4.

begroot de nakosten op € 163, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening;

3.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft, mr. L. Alwin en mr. M.J.H.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021.