Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8253

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
NL21.8543
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, China, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.8543


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Vries),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).


Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1993 en de Chinese nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland en heeft op 21 april 2021 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser stelt dat hij niet terug kan naar China, omdat hij door gokken problemen heeft met schuldeisers. Hij stelt dat hij geen bescherming van de Chinese autoriteiten kan krijgen voor deze problemen én vervolging vreest vanwege een drugsveroordeling in Nederland.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat hij eisers verklaringen over zijn problemen niet geloofwaardig vindt. Hoewel verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (uiteindelijk) geloofwaardig vindt, vindt hij de verklaringen van eiser over zijn problemen door zijn gokschulden niet geloofwaardig. Verweerder komt tot deze conclusie omdat eiser niet eenduidig heeft verklaard over zijn uitreisdatum, de datum waarop hij is ontslagen en wanneer hij door zijn familie het huis is uitgezet. Dit terwijl eiser stelt dat zijn problemen met zijn schuldeisers de aanleiding voor deze gebeurtenissen waren. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over de personen voor wie hij vreest vaag en tegenstrijdig en volgt uit zijn verklaringen niet dat hij in de negatieve belangstelling staat van de schuldeisers. Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat eiser hem heeft misleid over zijn nationaliteit, de asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting te voorkomen, hij Nederland onrechtmatig is binnengekomen en hij een gevaar is voor de openbare orde vanwege een drugsveroordeling.1

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft voorbereid door niet te onderzoeken of de Chinese autoriteiten hem kunnen beschermen tegen de schuldeisers. Hij doet daarbij een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 augustus 2008.2 Volgens eiser moet verweerder dit eerst onderzoeken voordat hij kan stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming gevaarlijk of zinloos is. Hij merkt daarbij op dat hij ook voor de Chinese autoriteiten vreest, omdat hij in Nederland is veroordeeld voor een drugsdelict. In China staat daarop de doodstraf. Tot slot betoogt eiser dat hij bij terugkeer naar China terecht komt in een situatie van extreme armoede. Hij doet daarbij een beroep op de arresten Jawo en Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie.3

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers verklaringen over zijn problemen met zijn schuldeisers ongeloofwaardig vindt. Eiser heeft de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder in beroep niet bestreden. De rechtbank overweegt dat er voor verweerder geen aanleiding bestond om onderzoek te doen naar de vraag of in China in het algemeen bescherming wordt geboden. Pas nadat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM is het aan verweerder om aan de hand van informatie de algemene situatie in China te beoordelen.4

5.1.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij reden heeft om te vrezen voor de Chinese autoriteiten doordat hij in Nederland is veroordeeld voor drugshandel. De enkele stelling dat hij de doodstraf riskeert, is onvoldoende. Verweerder stelt terecht dat eiser hiervoor al in Nederland is veroordeeld en heeft nagelaten te onderbouwen dat hij in China zich hiervoor nog een keer moet verantwoorden.

5.2.

Tot slot stelt verweerder terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer terecht zal komen in een situatie vergelijkbaar met de arresten Jawo of Ibrahim. Daargelaten dat deze arresten betrekking hebben op Dublinclaimanten en statushouders, is de drempel om te kunnen spreken van ‘een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie’, zoals het Hof van Justitie benadrukt, uitzonderlijk hoog. Eiser heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in een dergelijke situatie terecht zal komen. De enkele, niet toegelichte stelling dat hij in een situatie terecht zal komen van extreme armoede is hiertoe onvoldoende.

Conclusie

6. De beroepsgronden slagen niet. Daarom is het beroep ongegrond.

7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid vanmr. R. Kroes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zie artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, f, h en j, van deze wet.

2 Zie ECLI:NL:RVS:2008:BD9606.

3 Zie de arresten van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 en ECLI:EU:C:2019:219.

4 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7795.