Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
20/4075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

doorhalen inschrijving in het BIG-register - artikel 7, onderdeel e & artikel 7a van de Wet BIG - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4075


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), eiser,

en

de minister voor Medische Zorg, verweerder

(gemachtigden: mr. E.V. Brandwijk en K. Bonke-Iwanczyk).

Procesverloop

Bij het besluit van 15 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de inschrijving van eiser als arts in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: het BIG-register) per 15 februari 2019 doorgehaald.

Bij besluit van 15 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een reactie op het verweerschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 4 juni 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1.1

Eiser is als arts werkzaam in zijn eigen praktijk in het Verenigd Koninkrijk (VK). Vanwege bepaalde gedragingen is eiser door een uitspraak van de Britse Medical Pracitioners Tribunal Service (MPTS) zijn bevoegdheid om het beroep van arts uit te oefenen tijdelijk geheel verloren voor een periode van twee maanden.

1.2

Verweerder heeft eiser bij brief van 21 december 2018 kenbaar gemaakt het voornemen te hebben om de Britse bevoegdheidsbeperking over te nemen en eisers inschrijving als arts in het BIG-register door te halen.

1.3

Eiser heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn zienswijze op het voornemen te geven.

2.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de inschrijving van eiser als arts in het BIG-register doorgehaald per 15 februari 2019, omdat hij zijn bevoegdheid als arts in het VK tijdelijk geheel heeft verloren. Verweerder ziet geen aanleiding om op grond van artikel 7a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) 1 af te zien van het doorhalen van de inschrijving van eiser als arts in het BIG-register, nu volgens verweerder geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

2.2

De VWS-commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft verweerder geadviseerd om het bezwaar van eiser gegrond te verklaren. Volgens de commissie is in het geval van eiser sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, waardoor verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. De commissie acht met name van belang dat de patiëntveiligheid niet in het geding is door het handelen van eiser en dat onvoldoende is onderbouwd door verweerder dat het handelen van eiser in Nederland tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking zou hebben geleid.

2.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiser niet aangetoond dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat de tijdelijke bevoegdheidsbeperking is opgelegd om een reden die verband houdt met eisers beroepsuitoefening als arts en dat niet evident is dat het vergrijp van een zodanige geringe ernst is, dat dit in Nederland in het geheel niet tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking geleid zou hebben. Dat de patiëntveiligheid niet in het geding was, zoals de commissie stelt, moet volgens verweerder genuanceerd worden, nu er verband bestaat tussen het gedrag van eiser en de patiëntveiligheid.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3.1

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat zijn inschrijving als arts in het BIG-register ten onrechte is doorgehaald. Volgens eiser is wel degelijk sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, zoals de commissie ook al stelde. Verder voert eiser aan dat artikel 7, onderdeel e, van de Wet BIG tot discriminerend onderscheid leidt tussen artsen die in Nederland werken en artsen die in het buitenland werken. Verweerder had volgens eiser op grond van artikel 9 van de Wet BIG kunnen volstaan met een tijdelijke schorsing.
3.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Procesbelang

4.1

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep, nu hij inmiddels vanwege een herregistratie weer is opgenomen in het BIG-register.

4.2

Zoals de commissie eerder heeft overwogen, blijft in het BIG-register vermeld staan dat eiser eerder is doorgehaald als gevolg van een in het buitenland opgelegde maatregel. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om procesbelang aan te nemen.

Het doorhalen van de inschrijving in het BIG-register
5.1 Op grond van artikel 7, onderdeel e, van de Wet BIG wordt de inschrijving in het BIG-register doorgehaald indien ten aanzien van de ingeschrevene een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren.

5.2

Op grond van artikel 7a van de Wet BIG kan verweerder – onder meer – artikel 7, onderdeel e, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.3

Uit de uitspraak van de MPTS van 19 november 2018 blijkt dat aan de opgelegde maatregel ten grondslag is gelegd dat eiser onder meer zonder toestemming of medeweten audio opnames heeft gemaakt van gesprekken met afgevaardigden van de Care Quality Commission (CQC) en de National Health Service England (NHSE), deze opnames (deels) openbaar heeft gemaakt en heeft geweigerd de opnames te verwijderen. De MPTS heeft dit gedrag gekwalificeerd als een “serious breach of Good Medical Practice” en de maatregel van een tijdelijke schorsing opgelegd van twee maanden, ingaande 28 dagen na 19 november 2018, en derhalve van 18 december 2018 tot 18 februari 2019.

5.4

De rechtbank overweegt dat de opgelegde maatregel van de MPTS een maatregel is in de zin van artikel 7 van de Wet BIG. Verweerder kan in zo’n geval niet een zelfstandig oordeel vellen over de beslissing van de MPTS. Op grond van artikel 7, onderdeel e, van de Wet BIG is verweerder gehouden om de maatregel in dat geval over te nemen en over te gaan tot het doorhalen van de inschrijving in het BIG-register, tenzij dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.2 Voor zover eiser, onder verwijzing naar artikel 9 van de Wet BIG, betoogt dat verweerder met een tijdelijke schorsing kan volstaan, volgt de rechtbank hem daarin dus niet. Slechts in geval van toepassing van de hardheidsclausule van artikel 7a van de Wet BIG kan verweerder afwijken van de algehele doorhaling.

5.5

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen staat bij toepassing van artikel 7, onderdeel e, en artikel 7a van de Wet BIG de patiëntveiligheid centraal.3 De minister kan dan ook slechts toepassing geven aan de hardheidsclausule indien de patiëntveiligheid op geen enkele wijze in het geding is. Dit kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7a van de Wet BIG bijvoorbeeld het geval zijn indien de buitenlandse bevoegdheidsbeperking is opgelegd om een reden die in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt, of bijvoorbeeld indien het in het buitenland gepleegde vergrijp van een zodanige geringe ernst is, dat dit in Nederland in het geheel niet tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking geleid zou hebben.4

5.6

De rechtbank deelt de door verweerder ter zitting gegeven verduidelijking, dat de patiëntveiligheid als het ware als een ondergrens dient ten aanzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Dit betekent dat er nooit toepassing kan worden gegeven aan de hardheidsclausule als de patiëntveiligheid daardoor in het geding is. De rechtbank overweegt verder, in lijn met de commissie, dat de hierboven in de Memorie van Toelichting genoemde voorbeelden (zie 5.5) geen wettelijke voorwaarden zijn voor toepassing van de hardheidsclausule, maar voorbeelden van gevallen waarin de automatische overname van de buitenlandse bevoegdheidsbeperking, gelet op het belang dat artikel 6, onderdeel e, en artikel 7, onderdeel e, van de Wet BIG beoogt te beschermen tot een onbillijkheid van overwegende aard zou kunnen leiden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze voorwaarden wel als vaste gedragslijn worden gehanteerd. De rechtbank vindt dat op zich niet onjuist of onredelijk. Dit neemt niet weg dat de beantwoording van de vraag of toepassing van artikel 7, onderdeel e, van de Wet BIG, gelet op het belang dat deze bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, steeds zal moeten berusten op een belangenafweging waarin alle omstandigheden van het individuele geval worden betrokken en die voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
5.7 Uit de uitspraak van de MPTS blijkt weliswaar dat door de gedraging van eiser sprake is van een ernstige overtreding van de beroepsnormen (“Good Medical Practice”), maar dat er geen zorgen zijn ten aanzien van de publieke veiligheid (“public safety concerns”). Vanwege de overtreding en zorgen over eventuele herhaling van het gedrag in toekomstige vergelijkbare situaties, alsmede het geconstateerde gebrek aan inzicht in zijn handelen, is toch aan eiser een tijdelijke schorsing van twee maanden opgelegd. De MPTS heeft hierbij opgemerkt dat eiser een zorgzame arts (“caring doctor”) is, dat er geen patiënten in gevaar zijn gekomen (“no patients have come to harm”) door zijn gedragingen en dat er geen klinische zorgen zijn. Tot slot heeft de MPTS afgezien van onmiddellijke bevoegdheidsbeperking en de schorsing opgelegd met ingang van de datum waarop de beroepstermijn is verstreken, omdat er geen sprake was van risico voor patiënten en het publiek belang daarmee voldoende is behartigd.

5.8

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, ondanks het duidelijke oordeel van de MPTS over de patiëntveiligheid, volgens hem de patiëntveiligheid in het geding zou zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit, op basis van de constatering van de MPTS dat de patiëntveiligheid niet in het geding was, overwoog dat de aan eiser opgelegde schorsing geen verband houdt met het verlenen van zorg die een beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten, oftewel de 1e tuchtnorm. Op basis daarvan heeft de commissie terecht aangenomen dat niet in geschil was dat de patiëntveiligheid niet in het geding was. In het bestreden besluit heeft verweerder dat standpunt echter genuanceerd. Verweerder stelt dat de MPTS weliswaar geoordeeld heeft dat er in het algemeen geen zorgen zijn wat betreft de patiëntveiligheid, maar dat de MPTS in eisers gedragingen wel het belang van de patiëntveiligheid ziet, namelijk de rol die toezichthoudende partijen spelen in de zorg voor patiënten, het zorgen voor en behouden van publiek vertrouwen in de medische professie en het stimuleren en behouden van goede professionele standaarden en gedrag voor professionals. De rechtbank acht deze motivering niet overtuigend. Uit de overwegingen van de MPTS blijkt genoegzaam dat de MPTS heeft geoordeeld dat als gevolg van de verweten gedragingen de patiëntveiligheid niet in het geding is gekomen.
5.9 Ten aanzien van de vraag of in dit geval de buitenlandse bevoegdheidsbeperking is opgelegd om een reden die in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank overweegt dat iedere handeling of gedraging die tot een bevoegdheidsbeperking leidt, in zekere mate verband houdt met de beroepsuitoefening. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever echter het oog gehad op de situatie dat op (voor de beroepsuitoefening) volstrekt irrelevante gronden een bevoegdheidsbeperking is opgelegd, zoals bijvoorbeeld politieke en religieuze gronden. Van een zodanige situatie is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Nu het in dit geval gaat om gedragingen in de relatie tussen eiser als arts en toezichthoudende organen, welke door de MPTS zijn gekwalificeerd als strijdig met normen voor een goede beroepsuitoefening (“Good Medical Practice”), kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat er geen enkel verband bestaat tussen de verweten gedragingen en de beroepsuitoefening als arts. Verweerder heeft derhalve terecht aangenomen dat geen sprake is van een situatie waarin de buitenlandse bevoegdheidsbeperking is opgelegd om een reden die in het geheel niet met de beroepsuitoefening verband houdt.

5.10

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet genoegzaam aannemelijk gemaakt dat het gepleegde vergrijp van een zodanige ernst is, dat dit ook in Nederland tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking zou kunnen hebben geleid. Ter onderbouwing van dit in afwijking van de commissie ingenomen standpunt verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling.5 De rechtbank is echter van oordeel dat in deze zaak sprake is van een duidelijk andere situatie dan in de zaak waarnaar verweerder heeft verwezen. Het ging in die zaak namelijk om het bewust verzwijgen van een strafrechtelijk onderzoek, waarbij de patiëntveiligheid in het geding was bij de beroepsuitoefening en waarbij de in die zaak opgelegde directe tijdelijke en vervolgens verlengde volledige bevoegdheidsbeperking noodzakelijk was ter bescherming van het publiek.

In het geval van eiser gaat het echter om wezenlijk andere en minder ernstigere verwijten en omstandigheden dan die in die van de uitspraak van de Afdeling aan de orde waren. Er is immers geen sprake van het verzwijgen van relevante informatie voor een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, doch het zonder toestemming of medeweten maken van opnames van gesprekken met afgevaardigden van de CQC en de NHSE en het openbaar maken daarvan.

Dat ook deze gedragingen zodanig ernstig zijn, dat deze ook in Nederland tot een maatregel of een bevoegdheidsbeperking zouden hebben geleid heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. De in het bestreden besluit gegeven onderbouwing, namelijk dat deze gedragingen een overtreding zouden kunnen zijn van de in het bestreden besluit genoemde “Gedragsregels voor artsen” van de KNMG en dat het in Nederland ook niet is toegestaan om zonder toestemming opnames te maken van gesprekken en deze zonder toestemming te publiceren, acht de rechtbank te algemeen en ontoereikend. Het enkele feit dat eisers gedragingen in strijd zouden kunnen zijn met de gedragsregels maakt bovendien niet dat het gedrag ook dusdanig ernstig is dat in Nederland een maatregel of een bevoegdheidsbeperking zou volgen wegens handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (de zogenaamde 2e tuchtnorm als bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG). De rechtbank betrekt daarbij dat volgens verweerder uit informeel advies van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is gebleken dat de IGJ bij geschillen die zien op het contact tussen zorgprofessionals en de bevoegde autoriteit in gesprek zou gaan met de zorgverlener om te bezien waar de problemen met de betreffende autoriteit zijn ontstaan. Weliswaar is ook aangegeven dat zodanig onderzoek kan leiden tot een bevoegdheidsbeperkende maatregel, doch verweerder geeft tevens aan dat een kwestie als deze voor zover bekend in Nederland nog niet aan de tuchtrechter is voorgelegd.

5.11

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de weigering van verweerder om op grond van artikel 7a van de Wet BIG de automatische doorhaling als bedoeld in artikel 7, onderdeel e, buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken en het daaraan ten grondslag liggende standpunt dat de maatregel van volledige doorhaling, gelet op het belang dat daarmee wordt beoogd te beschermen, niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, niet berust op een deugdelijke motivering en een toereikende belangenafweging. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat in dit geval sprake was van een tijdelijke schorsing van twee maanden, die leidt tot een onvoorwaardelijke doorhaling die ingaat op de dag dat die schorsing reeds was beëindigd. Hoewel artikel 7, onderdeel e, van de Wet BIG zich hier niet tegen verzet en eiser zich opnieuw heeft kunnen inschrijven, vindt de rechtbank dat dit aspect in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Wat is de conclusie?

6. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ter hoogte van € 178,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Dit artikel wordt ook wel de hardheidsclausule genoemd.

2 Artikel 7a van de Wet BIG.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:345.

4 Zie Kamerstukken II 2009/2010, 32 261, bladzijde 9.

5 Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:345.