Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:8053

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3679
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wajong-uitkering. Uiteindelijk is in beroep, aan de hand van medische informatie, afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de beslissing van 28 maart 2017 dat eiseres arbeidsvermogen heeft, niet wordt gewijzigd. Eiseres behoudt de uitkering die zij ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) ontvangt, maar de hoogte van de uitkering wijzigt per 1 januari 2018 van 75% naar 70% van het wettelijke minimumloon.

Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om een nader onderzoek te verrichten. Verweerder heeft hieraan gevolg gegeven. De onderzoeksresultaten, in de vorm van een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 10 juni 2020, inclusief een expertiserapport van psychiater

D. Cohen van 2 juni 2020, heeft verweerder toegezonden.

Bij brief van 28 september 2020 heeft eiseres hierop gereageerd.

Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder op 18 maart 2021 een nadere reactie van de verzekeringsarts b&b, inclusief medische stukken, toegezonden.

Bij brief van 16 april 2021 heeft eiseres meegedeeld hierop geen inhoudelijk commentaar te hebben.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Wat vooraf ging aan deze procedure.

1.1

Eiseres is geboren op [geboortedag] 1990. Verweerder heeft haar met ingang van

11 november 2014 in aanmerking gebracht voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de toenmalige Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Hierbij is vastgesteld dat eiseres niet in staat is om op [geboortedag] 2008, haar achttienjarige leeftijd, duurzaam 75% of meer van het minimum jeugdloon te verdienen. Op 22 juni 2015 is voor eiseres een re-integratieplan opgesteld. Eiseres is voor het vinden van een geschikte functie een periode begeleid geworden door Shared Value Groep. Uit de afrondingsrapportage van 24 november 2016 van Shared Value Groep volgt dat de inspanningen niet hebben geleid tot een succesvolle plaatsing in een functie.

1.2

Bij brief van 14 februari 2017 heeft verweerder aan eiseres in het kader van een herbeoordeling een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat eiseres arbeidsvermogen heeft. Eiseres heeft in reactie daarop te kennen gegeven het eens te zijn met deze beoordeling. Op 28 maart 2017 heeft verweerder een definitief besluit genomen waarbij eiseres is meegedeeld dat haar Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3

Eiseres is door verweerder op 24 oktober 2017 uitgenodigd voor een coachingsgesprek. Hierbij is naar voren gekomen dat eiseres in augustus 2017 is bevallen van een zoon. Zij wil graag weer werken, maar is hiervoor, vanwege de zorg voor haar kind, voor twee dagen per week beschikbaar.

De besluitvorming.

2.1

Op 20 februari 2018 heeft eiseres aan verweerder gemeld dat haar medische situatie sinds afgelopen zomer is gewijzigd. Haar psychische klachten zijn toegenomen en zij is van mening geen arbeidsvermogen te hebben. Verweerder heeft vervolgens een medisch onderzoek door de verzekeringsarts laten verrichten. Deze arts heeft eiseres op 16 april 2018 op het spreekuur gezien en heeft op 30 mei 2018 een rapport opgesteld. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Het tegen dit besluit door eiseres gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) A. Mirza van 29 april 2019.

2.2

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres per

1 januari 2018 geen arbeidsvermogen heeft, maar dat het ontbreken daarvan niet duurzaam is. Er is daarom geen reden om de eerdere beslissing van 28 maart 2017 te veranderen. Deze beslissing is onder meer genomen op grond van de artikelen 2:40 en 8:10b van de Wajong 2010.

Beroepsgronden van eiseres.

3. Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Zij voert - kort samengevat - aan dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen niet blijkt hoe en op welke wijze de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij haar door de behandeling die zij ondergaat, kunnen ontwikkelen. De verwachting dat de belastbarheid na behandeling verbetert, is niet deugdelijk onderbouwd. Eiseres heeft aangevoerd dat het stappenplan zoals dat in het beoordelingskader van het ‘Compendium Participatiewet’ is opgenomen, als uitgangspunt dient te worden genomen. Bij de toepassing van stap 3 van het stappenplan dient bovendien een gezamenlijke beoordeling van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige plaats te vinden. Een dergelijke beoordeling heeft niet plaats gevonden. Eiseres vindt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Toepasselijke regelgeving.

4. Bij de beoordeling van het beroep is een aantal wettelijke bepalingen van belang. Deze zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. In die bijlage zijn ook relevante gedeelten van het beoordelingskader voor de beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen opgenomen.

Wat vindt de rechtbank hiervan?

5. Omdat eiseres in 2014 in de Wajong is ingestroomd, is hoofdstuk 2 van de Wajong van toepassing. Eiseres geniet inkomensondersteuning op grond van artikel 2:40 van de Wajong, zoals die sedert 1 januari 2015 geldt, de zogeheten werkregeling. Als gevolg van een wijziging van artikel 2:40 van de Wajong is de hoogte van de inkomensondersteuning voor alle jonggehandicapten in de werkregeling per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van de grondslag. Dit heeft verweerder ook in het geval van eiseres gedaan. In het geval dat eiseres recht zou hebben op de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten, hetgeen zij gelet op het beroep beoogt, dan zou de Wajong-uitkering na 1 januari 2018, 75% van de grondslag bedragen.

6. Niet in geschil is dat eiseres op 1 januari 2018 niet over arbeidsvermogen beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

7. Verweerder hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het Compendium Participatiewet. Naar vaste rechtspraak is het ten behoeve van een zorgvuldige en transparante besluitvorming aangewezen dat de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige het beoordelingskader volgen bij hun onderzoek naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.1

8. Het gaat bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt volgens vaste rechtspraak voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene.2

9. De eerste verzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, anamnese, een eigen psychisch onderzoek en opgevraagde medische informatie van psychiater G. Mirri van

11 mei 2018, vastgesteld dat bij eiseres sprake is van stoornissen waardoor zij beperkingen ervaart in het uitvoeren van activiteiten welke leiden tot participatieproblemen. De eerste verzekeringsarts heeft uitgelegd waarom de klachten van eiseres niet zodanig ernstig zijn dat zij als volledig arbeidsongeschikt kan worden beschouwd. Eiseres voldoet niet aan de strenge voorwaarden die hiervoor gelden, zoals bedlegerigheid en ernstige beperkingen ten aanzien van algemene dagelijkse levensverrichtingen. Wel vindt de verzekeringsarts eiseres beperkt in het persoonlijk en sociaal functioneren en de duurbelastbaarheid in arbeid. De verzekeringsarts acht eiseres niet ten minste voor vier uur per dag belastbaar. Wel is zij in staat ten minste één uur aaneengesloten te werken. De verzekeringsarts heeft de verwachting uitgesproken dat de medische situatie op lange termijn wezenlijk zal verbeteren. Weliswaar is er door de behandeling vooralsnog geen verbetering opgetreden, maar een dergelijke verbetering kan van de verdere (adequate) behandeling wel verwacht worden, zo niet in het eerste jaar dan wel in het tweede jaar.

10. Verzekeringsarts b&b Mirza heeft de dossiergegevens bestudeerd. Zij is tot de conclusie gekomen dat bij eiseres geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De ziektebeelden zijn niet progressief van aard. Er is bij eiseres sprake van recidiverende depressieve episodes, bij een licht verstandelijke beperking. Daarnaast is sprake van dwangklachten. Na de zwangerschap en bevalling is eiseres psychisch gedecompenseerd. Uit de medische informatie van psychiater Mirri van 11 mei 2018 komt naar voren dat het voornamelijk gaat om depressieve klachten en affect dysregulatie. Ten tijde van de medische beoordeling ondergaat eiseres een behandeling voor de depressie. Uit de ontvangen stukken blijkt dat de psychische decompensatie voornamelijk is veroorzaakt door de zwangerschap en bevalling. De verwachting is verbetering van haar belastbaarheid. Er is bij eiseres zeker een kans, wanneer de depressie opklaart, dat haar functioneren zal verbeteren. Hierbij heeft de verzekeringsarts b&b in aanmerking genomen dat eiseres een MBO-opleiding heeft gevolgd en in het verleden parttime bij warenhuis V&D heeft gewerkt.

11. Kort samengevat heeft de rechtbank verweerder er in de heropening op gewezen dat uit het rapport van verzekeringsarts b&b Mirza niet blijkt hoe en op welke wijze de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij eiseres door behandeling kunnen ontwikkelen. Een nadere toelichting van de verzekeringsarts b&b achtte de rechtbank daarom aangewezen, waarbij verweerder is verzocht om medische informatie op te vragen bij de behandelend psychiater G. Mirri van eiseres.

12. Verweerder heeft aanvankelijk een psychiatrische expertise laten verrichten, waarbij is onderzocht of er ten tijde van het onderzoek sprake is van beperkingen. Dat was echter niet de vraag die voorlag. Verweerder heeft na een brief van de rechtbank van

15 oktober 2020 alsnog gevolg gegeven aan het verzoek in de heropening. Verzekeringsarts b&b A.W. Lechner heeft medische informatie bij Parnassia opgevraagd. Uit de brief van

3 februari 2021 van P. Deman, arts verstandelijk gehandicapten, en D. van den Bos, psychiater, blijkt dat eiseres de afgelopen vijf jaar onder behandeling was vanwege PTSS, een dwangstoornis en een bipolaire stoornis. Het behandelplan omvat medicatiebeleid, crisissignaleringsplan leren hanteren, traumaverwerking, bemiddeling naar MEE voor het opstarten van ambulante woonondersteuning en, indien nodig, aanvullend onderzoek naar oorzaken van overprikkeling. Verder zijn de resultaten van de behandeling omschreven. Verzekeringsarts b&b Lechner heeft uit de brief afgeleid dat de huidige resultaten van de behandeling bevestigen dat er geen sprake is van duurzaamheid van ontbrekend arbeidsvermogen in het kader van de Wajong. Hij is daarom in het aanvullende rapport van 17 maart 2021 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om een ander standpunt in te nemen. Hoewel de motivering summier is, vindt de rechtbank dat met de verwijzing naar de gegevens van de behandelend sector over de ingezette psychiatrische behandeling, waarin onder meer uiteengezet is wat de behandeling inhoudt, voldoende is onderbouwd wat het mogelijke resultaat daarvan voor eiseres was.

13. De rechtbank vindt dat met de vermelde verzekeringsgeneeskundige rapporten thans een voldoende en inzichtelijke onderbouwing is gegeven voor het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend standpunt dat eiseres per 1 januari 2018 niet in de situatie verkeerde waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. De rechtbank acht hierbij van belang dat rond de datum in geding sprake was van een behandeling bij Parnassia die was gericht op verbetering van de mogelijkheden van eiseres. Deze behandeling heeft ook daadwerkelijk geleid tot een verbetering. Gebleken is dat eiseres het crisissignaleringsplan hanteert en dat zij veel baat heeft gehad van de traumabehandeling. Zij voldoet daarom niet langer aan de diagnose PTSS. Ook staat in de bedoelde medische informatie vermeld dat zij qua ziekte-inzicht een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij ondersteuning krijgt van een MEE-consulente.

14. Niet is gebleken dat er overleg is geweest met een arbeidsdeskundige. De rechtbank overweegt hierover dat bij de herbeoordeling van het arbeidsvermogen in 2017 zowel een medisch als een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit van 28 maart 2017 geoordeeld dat eiseres arbeidsvermogen had. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Eiseres was dus in het verleden - voorafgaand aan de verslechtering van haar medische situatie - in staat tot arbeidsparticipatie. In de huidige procedure is door de verzekeringsartsen vastgesteld dat eiseres door de verslechtering van haar medische situatie ten tijde van de datum in geding niet tenminste vier uur per dag belastbaar is en daarom geen arbeidsvermogen heeft. Bij een verbetering van haar medische situatie, moet zij daarom in staat worden geacht arbeidsvermogen te kunnen ontwikkelen. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat een arbeidsdeskundig rapport in dit geval niet noodzakelijk is.

15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht bij het bestreden besluit beslist dat eiseres geen recht heeft op een hogere Wajong-uitkering. De situatie dat eiseres geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft is, gelet op de medische informatie die beschikbaar is gekomen, niet duurzaam te achten.

16. Pas in beroep is een afdoende medische onderbouwing gegeven voor het bestreden besluit. Daarmee is het bestreden besluit weliswaar niet deugdelijk gemotiveerd, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren omdat in de beroepsfase de bedoelde toereikende motivering alsnog is gegeven. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten.

17. Het beroep is ongegrond.

18. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. Die kosten stelt de rechtbank vast op € 1.496,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1.)

19. De rechtbank ziet ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 1.068,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 48,- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van S.J.W. Stort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage, juridisch kader:

Artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong:

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Onder duurzaam wordt ingevolge het tweede lid verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

1. Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

2. Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.

(…)

Compendium Participatiewet, Bijlage 1: Duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen

Inleiding

Dit beoordelingskader heeft betrekking op het aspect duurzaamheid en is een hulpmiddel voor verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om te kunnen bepalen of er al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. (…)

Kern van het beoordelingskader

Doel

Criteria geven voor het beoordelen van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen ten behoeve van beoordelingen voor de Wajong 2015.

Vertrekpunt

Een cliënt die naar Wajong-normen op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft niet over arbeidsvermogen beschikt.

Toepassing

Het beoordelingskader wordt gebruikt om te beoordelen of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

Het beoordelingskader is van toepassing op iedere cliënt die niet over arbeidsvermogen beschikt en leidt tot de conclusie dat al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Het ontbreken van arbeidsvermogen wordt duurzaam genoemd als cliënt blijvend geen arbeidsvermogen kan ontwikkelen.

Oordeelsvorming

De verzekeringsarts spreekt zich uit over ontwikkeling van de mogelijkheden van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft.

Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van cliënt en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

Stappenplan

Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld. Als het antwoord bevestigend is ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het

ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

• het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

• het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

• het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Rapportage

De verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige leggen hun bevindingen met betrekking tot het al dan niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen vast in hun rapportage

In de rapportage verwijzen zij inhoudelijk naar de stappen zoals beschreven in dit beoordelingskader.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1953.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1018) en 19 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:727).