Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7961

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5469
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA. Deskundige benoemd. Gewijzigde beslissing op bezwaar in beroep. Eiser komt in aanmerking voor een IVA-uitkering. Intrekking beroep. Veroordeling proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5469

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: F.J. Latenstein).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 31 december 2018 een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd.

Bij besluit van 25 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft met ingang van 31 december 2018 recht op een WIA-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,08%.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat eiser de gelegenheid krijgt om te reageren op het rapport van de verzekeringsarts van 18 februari 2020 en op de geschiktheid van eiser voor de geduide functie huishoudelijk medewerker gebouwen
(SBC-code 111334).


Bij brief van 2 maart 2020 heeft eiser een schriftelijke reactie gegeven. Daarop heeft verweerder bij brief van 18 juni 2020 – onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts van 16 juni 2020 – gereageerd. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropend dient te worden, omdat partijen gemotiveerd van inzicht verschillen over de arbeidsbeperkingen als gevolg van de tinnitusklachten van eiser.

De rechtbank heeft daarop KNO-arts C.J. Brenkman als deskundige benoemd om eiser te onderzoeken en hiervan de rechtbank van verslag en advies te voorzien. Op 20 november 2020 heeft de deskundige aan de rechtbank gerapporteerd.

Eiser heeft vervolgens bij brief van 25 januari 2021 laten weten de bevindingen van de deskundige te onderschrijven.

Op 23 februari 2021 heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bewaar genomen. Verweerder heeft hierin het bestreden besluit van 25 juli 2019 gewijzigd, het bezwaar gericht tegen het primaire besluit van 6 december 2018 alsnog (verder) gegrond verklaard en bepaald dat eiser per 31 december 2018 in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).


Eiser heeft daarop bij brief van 12 maart 2021 het beroep ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten die zijn gemaakt, te weten drie punten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Verweerder heeft bij brief van 1 april 2021 medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen een proceskostenveroordeling conform het Bpb en voor zover die veroordeling zich beperkt tot twee punten op grond van het Bpb.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

2. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan hem is tegemoetgekomen, als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling kennelijk gegrond te achten.

3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van repliek naar aanleiding van de schorsing van het onderzoek ter zitting en 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 534,- met een wegingsfactor 1).

4. De rechtbank wijst er tot slot op dat het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door verweerder aan eiseres moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Lemmen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.