Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2021
Datum publicatie
08-11-2021
Zaaknummer
19_7405
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:1285, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen aanslag IB/PVV 2016 richt zich tegen box 3 heffing en is ten onrechte niet aangewezen als massaal bezwaar. De rechtbank draagt verweerder op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris. Beroep gegrond voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV.

Bezwaar tegen aanslag Zvw is terecht niet-ontvankelijk verklaard bij gebrek aan belang. Verzuimboete is terecht opgelegd. Eiseres maakt niet aannemelijk dat tijdig aangifte is ingediend. Beroep ongegrond voor zover gericht tegen uitspraken op bezwaar tegen aanslag Zvw en boetebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 8-11-2021
V-N Vandaag 2021/2643
FutD 2021-3506
NTFR 2021/3996
NLF 2021/2186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/7405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: J.L.M. Reijnen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (de aanslag IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (de aanslag Zvw) opgelegd. Bij de aanslag IB/PVV is een verzuimboete opgelegd (de boetebeschikking).

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Bij uitspraken op bezwaar van 10 oktober 2019 is het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV en de boetebeschikking afgewezen en is het bezwaar tegen de aanslag Zvw niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] .

Feiten

1. Eiseres is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 (de aangifte). In de aanmaning is 17 november 2017 vermeld als uiterste termijn om de aangifte te doen.

2. Op 21 november 2017 heeft verweerder de aangifte van eiseres ontvangen. De aangifte is gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van €24.795 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.871.

3. De aanslag IB/PVV is opgelegd conform de ingediende aangifte. Daarbij is op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een verzuimboete van € 369 opgelegd.

4. De aanslag Zvw is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 480. Omdat de te betalen bijdrage lager is dan € 45, is de aanslag vastgesteld op nihil.

5. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Daarbij heeft zij verzocht om te worden gehoord.

6. Bij brief van 18 september 2019 is eiseres in de gelegenheid gesteld om vóór 2 oktober 2019 een afspraak te maken om haar bezwaar mondeling toe te lichten.

7. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden.

Geschil

8. In geschil is of het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV terecht is afgewezen en of het bezwaar tegen de aanslag Zvw terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een juist bedrag is vastgesteld. Tevens is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd en of de hoorplicht is geschonden.

9. Eiseres stelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Volgens eiseres is de vermogensrendementsheffing in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en zou bij belastingheffing over vermogen moeten worden uitgegaan van daadwerkelijk behaald rendement. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat haar bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 ten onrechte niet is aangewezen als massaal-bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing. Eiseres stelt daarnaast dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd en dat de hoorplicht is geschonden.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen naar een juist bedrag is vastgesteld. Volgens verweerder is de verzuimboete terecht opgelegd en is de hoorplicht niet geschonden.

Beoordeling van het geschil

Aanslag IB/PVV

11. Bij besluit van 26 juni 20151 heeft de Staatssecretaris van Financiën (de staatssecretaris) de bezwaarschriften die betrekking hebben op de rechtsvraag of de box 3 heffing naar haar aard in strijd is met artikel 1 van het EP, aangewezen als massaal bezwaar. Het gaat om bezwaarschriften waarop op 26 juni 2015 nog geen uitspraak is gedaan en om bezwaarschriften die worden ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 25a, zevende lid, van de Awr bedoelde collectieve uitspraak wordt gedaan, dan wel de dag voorafgaande aan de dag waarop de in artikel 25a, elfde lid, van de Awr bedoelde uitspraak onherroepelijk wordt.

12. Vast staat dat het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag IB/PVV na 26 juni 2015 is ingediend en dat op het moment van indiening van het bezwaarschrift nog geen collectieve uitspraak was gedaan. Het bezwaar van eiseres is gericht tegen de box 3 heffing voor het jaar 2016 en voldoet daarom aan de vereisten voor de aanwijzing massaal bezwaar. Het bezwaar van eiseres is dan ook ten onrechte niet als zodanig aangewezen. Het beroep dient om die reden gegrond te worden verklaard voor zover het ziet op de aanslag IB/PVV. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV dan ook vernietigen en verweerder opdragen het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris.

13. De aanwijzing geldt alleen voor de aanslag IB/PVV en staat dus niet in de weg aan behandeling door de rechtbank van het beroep voor zover dit is gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikking en de aanslag Zvw.

Verzuimboete

14. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangifte IB/PVV door de belastingdienst is geregistreerd als ontvangen op 21 november 2017, derhalve vier dagen na verstrijken van de daarvoor gestelde termijn. Eiseres heeft echter gesteld dat dit de datum van verwerking is en dat het aannemelijk moet worden geacht dat de aangifte enige dagen daarvoor door verweerder is ontvangen. Met die enkele, door verweerder weersproken stelling, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij de aangifte binnen de gestelde termijn heeft ingediend. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de verzendtheorie van artikel 6:9, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht analoog moet worden toegepast. Nu de aangifte dus te laat is ingediend, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 67a van de Awr voor het opleggen van de verzuimboete. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van afwezigheid van alle schuld dan wel van een pleitbaar standpunt, zodat verweerder de verzuimboete terecht heeft opgelegd. De boete is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard voor zover het ziet op de boetebeschikking.

Aanslag Zvw

15. De rechtbank stelt voorop dat voor een ontvankelijk bezwaar – onder meer – is vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd van partijen te herleiden (proces)belang bij een uitspraak op dat bezwaar, in die zin dat de eisende partij door die beslissing in een gunstigere positie zou kunnen geraken. Een dergelijk belang is bij het bezwaar van eiseres tegen de aanslag Zvw niet aanwezig. Immers, een aanslag kan niet lager worden dan nihil. Het bezwaar tegen de aanslag Zvw is dan ook terecht wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard voor zover het ziet op de aanslag Zvw.

Hoorplicht

16. Ingevolge artikel 7:3 van de Awb kan in een beperkt aantal gevallen van het horen van een belanghebbende worden afgezien. Een dergelijke situatie doet zich in onderhavige geval niet voor. Dat eiseres naar aanleiding van de brief van 18 september 2019 geen afspraak heeft gemaakt om haar standpunt mondeling toe te lichten, betekent niet dat eiseres heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.2 Dat betekent dat de hoorplicht is geschonden.

17. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht ziet de rechtbank in de schending van de hoorplicht geen aanleiding om de zaak naar verweerder terug te wijzen omdat het alsnog horen niet tot een andere uitkomst zal leiden.

18. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard voor zover dit is gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikking en de aanslag Zvw.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Op de zitting zijn behalve zaken van eiseres ook zaken behandeld waarin de gemachtigde eiser is. De rechtbank zal in die zaken beslissen op het verzoek van de gemachtigde om vergoeding van verletkosten. Om een vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is niet verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikking en de aanslag Zvw;

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV;

- draagt verweerder op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te behandelen overeenkomstig de aanwijzing van de staatssecretaris van 26 juni 2015;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400

2 Vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751