Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7587

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
C/09/575639 / HA ZA 19-667
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Octrooirecht. Uitleg conclusies. Geen inbreuk. Koffiecup gedaagde valt niet onder beschermingsomvang octrooi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/575639 / HA ZA 19-667

Vonnis van 21 juli 2021

in de zaak van

KONINKLIJKE DOUWE EGBERTS B.V.,

te Joure,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G. Kuipers te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

BELMOCA BVBA,

gevestigd te Londerzeel (België),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.J. Pot te Amsterdam.

Partijen zullen hierna KDE en Belmoca genoemd worden. De zaak is voor KDE behandeld door mr. Kuipers voornoemd, mr. B.M. ter Woort, mr. G.H. Lokhorst (advocaten te Amsterdam), ir. C. Jansen en ir. H. Witmans (octrooigemachtigden). De zaak is voor Belmoca behandeld door mr. Pot voornoemd, mr. G.D.G.M.G. Béquet (advocaat te Amsterdam) en ir. B.W.H. Langenhuijsen (octrooigemachtigde).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 april 2019;

  • -

    de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis met producties EP01 tot en met EP08;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie met producties GP01 tot en met GP31;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens vermeerdering van eis, bevattende een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, tevens conclusie van antwoord in reconventie met producties EP09 tot en met EP15;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en van antwoord in het incident met producties GP32 tot en met GP41;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte overlegging productie in conventie met productie EP16;

  • -

    de akte overlegging producties van KDE van 3 februari 2021 met producties EP17 tot en met EP23;

  • -

    de akte overlegging nadere producties van KDE van 29 maart 2021 met productie EP24;

  • -

    de brief van mr. Pot van 31 maart 2021 waarin bezwaar is gemaakt tegen overlegging van productie EP24, de reactie daarop van mr. Kuipers van 2 april 2021 en de nadere reacties van partijen van 2, respectievelijk 6 april 2021;

  • -

    het e-mail bericht van de rechtbank van 6 april 2021, waarin aan partijen is medegedeeld dat de rechtbank heeft beslist dat productie EP24 wordt geweigerd;

  • -

    de schriftelijke pleitaantekeningen van partijen, ingekomen op 14 april 2021;

  • -

    de schriftelijke reactie van Belmoca op de pleitaantekeningen van KDE, ingekomen op 15 april 2021.

1.2.

Op 16 april 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, in verband met de maatregelen als gevolg van het coronavirus via een videoverbinding. Ter zitting heeft Belmoca haar eerder tegen productie EP14 gemaakte bezwaar ingetrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

KDE

2.1.

KDE is onderdeel van het concern Jacobs Douwe Egberts (hierna: JDE), een wereldwijd opererend koffie- en theebedrijf.

2.2.

In 2010 heeft JDE plastic (polypropyleen) koffie-capsules op de markt gebracht, die als alternatief voor de aluminium koffiecapsules die onder het merk Nespresso door Nestlé op de markt worden gebracht, in een Nespresso-machine gebruikt kunnen worden. Ook andere concurrenten bieden sinds die tijd plastic koffie-capsules aan.

2.3.

In 2016 of 2017 heeft JDE een volledig aluminium koffiecapsule op de markt gebracht. JDE's aluminium koffiecapsule is in vele landen beschikbaar en wordt in Nederland onder het merk L'OR (en Douwe Egberts) verkocht.

het octrooi

2.4.

KDE is houdster van het Europees octrooi EP 2 996 521 (hierna: EP 521 of het octrooi) voor ‘A Beverage Preparation System, a Capsule and a Method for forming a Beverage’, verleend op 2 mei 2018 op een aanvrage van 16 mei 2014 die is gepubliceerd als WO 2014/184652 (hierna: WO 652 of de aanvrage). Het octrooi roept de prioriteit in van GB201308925 (hierna: GB 925) en GB201308929, beide van 17 mei 2013. EP 521 geldt onder andere in Nederland. Het Nederlandse deel van EP 521 wordt hierna aangeduid als EP 521 (NL).

2.5.

Conclusie 1 van EP 521 luidt in de oorspronkelijke Engelse versie als volgt:

A beverage producing system comprising:

a capsule (1) containing beverage ingredients;

and a beverage preparation machine;

the capsule (1) comprising a cup-shaped body (40) and a lid (41 );

the cup-shaped body (40) having a base (42) and a side wall (43) and the lid (41) being sealed to the cupshaped body (40);

the capsule (1) being designed for insertion into the beverage preparation machine to permit a pressurised liquid to be flowed through the capsule (1) in order to produce a beverage from interaction with the beverage ingredients;

the beverage preparation machine having an enclosing member (2) adapted to be selectively movable between an open position to permit insertion of the capsule (1) into the beverage preparation machine and a closed position in which the enclosing member (2) sealingly engages the capsule (1);

wherein, prior to insertion, the side wall (43) comprises:

- an annular trough (60) being dimensioned to receive the enclosing member (2) on

movement of the enclosing member (2) into the closed position;

- a first side wall section (61) extending between the base (42) and the annular trough (60); and - a second side wall section (62) extending between the annular trough (60) and a rim (47) of the capsule (1);

wherein the cup-shaped body (40) is formed from aluminium, an aluminium alloy or a laminate comprising at least one layer formed from aluminium or an aluminium alloy; wherein the first side wall section (61), annular trough (60) and second side wall section (62) are formed integrally;

and wherein the annular trough (60) is adapted to form a sealing interface with a leading edge (23) of the enclosing member (2), and the side wall (43) is adapted such that during closure of the enclosing member (2) the side wall (43) is plastically drawn over the leading edge (23) of the enclosing member (2).

2.6.

In de (onbestreden) Nederlandse vertaling luidt conclusie 1:

1. Drankproductiesysteem omvattende:

een capsule (1) bevattende drankingrediënten;

en een drankbereidingsmachine;

waarbij de capsule (1) een bekervormig lichaam (40) en een deksel (41) omvat, waarbij het bekervormige lichaam (40) een basis (42) en een zijwand (43) heeft en het deksel (41) afdichtend is bevestigd aan het bekervormige lichaam (40);

waarbij de capsule (1) is ontworpen voor inbrenging in de drankbereidingsmachine om toe te laten dat een onder druk staande vloeistof door de capsule (1) stroomt teneinde door interactie met de drankingrediënten een drank te produceren;

waarbij de drankbereidingsmachine een omsluitend deel (2) heeft dat is aangepast om selectief beweegbaar te zijn tussen een open positie, om inbrenging van de capsule (1) in de drankbereidingsmachine mogelijk te maken, en een gesloten positie, waarin het omsluitende deel (2) afdichtend op de capsule (1) aangrijpt;

waarbij, voorafgaand aan inbrenging, de zijwand (43) omvat:

- een ringvormige trog (60), die gedimensioneerd is om het omsluitende deel (2) op te nemen bij een beweging van het omsluitende deel (2) naar de gesloten positie;

- een eerste zijwandgedeelte (61), dat zich tussen de basis (42) en de ringvormige trog (60) uitstrekt; en

- een tweede zijwandgedeelte (62), dat zich tussen de ringvormige trog (60) en een rand (47) van de capsule (1) uitstrekt;

waarbij het bekervormige lichaam (40) is gevormd van aluminium, een aluminiumlegering of een laminaat omvattende ten minste één laag gevormd van aluminium of een aluminiumlegering;

waarbij het eerste zijwandgedeelte (61), ringvormige trog (60) en tweede zijwandgedeelte (62) integraal zijn gevormd; en

waarbij de ringvormige trog (60) is aangepast voor het vormen van een afdichtende interface met een voorste rand (23) van het omsluitende deel (2), en de zijwand (43) dusdanig is aangepast, dat tijdens sluiting van het omsluitende deel (2) de zijwand (43) plastisch over de voorste rand (23) van het omsluitende deel (2) wordt getrokken.

2.7.

In de beschrijving van EP 521 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Description

[0001] The present disclosure relates to a beverage

preparation system, a capsule and a method for forming

a beverage. The beverage preparation system is of the

type comprising a beverage preparation machine wherein

the capsule is designed for insertion into the beverage

preparation machine to permit a pressurised liquid to be

flowed through the capsule in order to produce a beverage

from interaction with beverage ingredients contained

within the capsule.

Background

[0002] Beverage preparation systems which comprise

a beverage preparation machine and a capsule containing

beverage ingredients are known in the art. One such

system is taught in EP 1700548, which discloses a capsule

comprising a cup-like base body and a closing foil

member. The capsule is designed for insertion in a beverage

production device in which a liquid under pressure

enters the capsule in order to interact with ingredients in

the capsule to form a beverage which is output for consumption.

The capsule of EP 1700548 is provided with

a dedicated sealing member to prevent a bypass flow of

water around the exterior of the capsule in use. The sealing

member is in the form of a hollow sealing member on

the outer surface of the capsule, for example in the form

of a step which is contacted on closure of an enclosing

member of the beverage preparation machine.

[0003] The present disclosure provides an alternative

capsule which may be used as part of such a beverage

preparation system. The capsule may be economical to

produce and provide effective sealing in use.

[0004] WO2013136209 describes a system for making

beverages comprises a capsule containing a powdered

food substance which can be extracted to make a beverage,

and a capsule holder comprising an infeed opening

through which the capsule can be inserted, delimited

by an annular edge at the top of which there is a projecting

annular element and/or respectively an annular seat. The

capsule comprises a body comprising a lower wall, a lateral

wall and a perimetric edge on which there is an annular

groove on whose surface there is a bottom zone

and, laterally positioned on opposite sides of the bottom

zone, two inner lateral faces, and/or respectively there

is an annular tooth on whose surface there is a tip portion

and, laterally positioned on opposite sides of the tip portion,

two outer lateral faces. The capsule holder and the

capsule can adopt a sealed configuration where the projecting

annular element, inserted in the annular groove,

is in sealed contact with at least one of the inner lateral

faces, and/or respectively the annular seat receives inside

it the annular tooth and is in sealed contact with at

least one of the outer lateral faces.

(…)

Summary of the Disclosure

(…)

[0008] In a third aspect the present disclosure provides

a method for preparing a beverage comprising the steps

of:

- providing a capsule as described above;

- providing a beverage preparation machine having

an enclosing member;

- moving the enclosing member into an open position;

- inserting the capsule into the beverage preparation

machine;

- closing the enclosing member so as to sealingly engage

the enclosing member with the capsule;

- flowing a pressurised liquid through the capsule to

produce a beverage from interaction with the beverage

ingredients; and

- outputting the beverage for consumption;

wherein on closure, the enclosing member engages the

annular trough of the side wall of the capsule to thereby

deform the side wall;

wherein said deformation of the side wall causes the formation

of at least one sealing interface between the enclosing

member and the side wall.

[0009] The above aspects may further comprise one

or more of the following features:

The annular trough may be dimensioned to partially or

wholly receive a leading edge of the enclosing member

therein on movement of the enclosing member into the

closed position.

[0010] The second side wall section may define a ridge

zone located radially outwards of the annular trough.

[0011] The side wall may be adapted to undergo plastic

deformation during closure of the enclosing member.

[0012] The side wall may be adapted such that, in use,

closure of the enclosing member deforms the side wall

to cause the second side wall section to be forced inwardly

against an outer face of the enclosing member to

form a sealing interface with the outer face of the enclosing

member.

[0013] The annular trough may be adapted to form a

sealing interface with a leading edge of the enclosing

member.

[0014] Advantageously, a sealing interface may be

provided with both the leading edge and the outer face

of the enclosing member. In addition, the deformation of

the annular trough may also cause an outward pressure

to be exerted by the side wall on the inner face of the

enclosing member to form a further sealing interface.

[0015] The side wall may be adapted such that during

closure of the enclosing member the side wall is plastically

drawn over the leading edge of the enclosing member.

Advantageously this may allow the side wall to be

conformed to the shape of any grooves (or similar) provided

in the leading edge.

[0016] Prior to insertion, the annular trough may comprise

an inner wall, an outer wall and a floor. On closure

of the enclosing member a leading edge of the enclosing

member may contact the outer wall of the annular trough

and form a seal therewith.

[0017] The inner wall and outer wall may be substantially

perpendicular to the floor. In an alternative arrangement

the outer wall may be angled relative to the floor,

such that an internal angle at a junction between the floor

and the outer wall is from 90° to 120°, preferably 105°.

Thus the seal with the enclosing member may be a tapered

seal.

[0018] The ridge zone may comprise an apex, and a

leading edge of the enclosing member may comprise an

inner rim and an outer rim and a recess located between

the inner rim and the outer rim, wherein on closure of the

enclosing member the apex of the ridge zone may be

received in the recess between the inner rim and the

outer rim.

(...)

[0030] A leading edge of the enclosing member may

comprise a plurality of grooves or indentations, and the

side wall may be adapted such that the plastic deformation

of the side wall conforms the annular trough of the

side wall to the grooves or indentations to provide an

effective seal. In one arrangement the plastic deformation

of the side wall conforms the outer wall of the annular

trough to the grooves or indentations to provide an effective

seal.

[0031] At least a portion of the cup-shaped body, preferably

a whole of the cup-shaped body, may be formed

from aluminium, an aluminium alloy or a laminate comprising

at least one layer formed from aluminium or an

aluminium alloy. A lacquer layer may be applied to one

or both faces of the cup-shaped body. Alternatively, another,

suitably ductile material could be utilised in place

of the aluminium or aluminium alloy.

(…)

Brief Description of the Drawings

(…)

[0048] Figures 1 and 2 show a first embodiment of capsule

1. (…)

(…)

[0072] As shown in Figures 5 and 6, during the step of

closing the enclosing member 2 relative to the capsule

holder 20 the side wall 43 of the capsule 1 is contacted

by the enclosing member 2 to deform the side wall 43.

In particular, the leading edge 23 enters the annular

trough 60 and bears on the floor 64 and/or the inner wall

65 and/or the outer wall 66. The floor 64 is driven downwards

by the action of the enclosing member 2 to nip the

floor 64 (and the lid 41 sealed to the floor 64) against the

capsule holder 20. The leading edge 23 may also act to

pinch the material of the side wall 43 during this movement

which consequently causes the ridge zone 63 to

be pivoted inwards to bring the apex 67 of the ridge zone

63 and/or the outer wall 66 of the annular trough 60 into

sealing engagement with the outer face 24 of the annular

element 22 as shown in Figure 6. Importantly, the initial

point of contact between the leading edge 23 and the

floor 64 is axially spaced from the capsule holder 20 such

that there is room for the side wall 43 to deform downwards

towards the capsule holder 20 enough to allow for

inward pivoting of the ridge zone 63 before the side wall

43 is nipped against the capsule holder 20.

[0073] The induced movement of the side wall 43 causes

the side wall 43 to undergo plastic deformation. In

particular, as the side wall 43 is deformed downwards,

the side wall 43 (in particular portions of the annular

trough 60) may be plastically drawn over the leading edge

23 of the enclosing member 2 which encourages the material

of the side wall 43 to be closely conformed to the

grooves of the leading edge 23. Thus, the annular trough

60 may form a sealing interface with the leading edge 23

of the enclosing member 2.

[0074] Further, deformation of the annular trough 60

may also cause an outward pressure to be exerted by

the side wall 43 on the inner face 25 of the enclosing

member 2 to form a further sealing interface.

[0075] Figures 7 to 12 illustrate a second embodiment

of capsule 1. Features corresponding to those of the first

embodiment are denoted by corresponding reference

signs. Features of the first embodiment and this embodiment

may be interchanged and combined as desired. In

addition, in the following description only differences between

the embodiments will be described in detail. In

other respects the reader is directed to the description

of the prior embodiment.

[0076] The cup-shaped body 40 differs from that of the

first embodiment in the configuration and geometry of

the annular trough 60. As in the first embodiment, the

annular trough 60 is dimensioned to receive, partially or

wholly, the leading edge 23 of the enclosing member 2

on movement of the enclosing member 2 into the closed

position. The inner wall 65 of the annular trough 60, as

before, is substantially perpendicular to the floor 64. However,

in contrast, the outer wall 66 is angled relative to

the floor 64, such that an internal angle α at a junction

between the floor 64 and the outer wall 66 is from 90° to

120°, preferably 105°.

(...)

[0082] As shown in Figures 11 and 12, on closing the

enclosing member 2 relative to the capsule holder 20 the

side wall 43 of the capsule 1 is contacted by the enclosing

member 2 to deform the side wall 43. In particular, the

inner rim 23a of the leading edge 23 is received in the

annular trough 60 and bears on the outer wall 66 while

at the same time (or shortly thereafter) the apex 67 of

the ridge zone 63 is received in the recess 23c. The ridge

zone 63 (and floor 64) is driven downwards by the action

of the enclosing member 2 on the outer wall 66 and/or

apex 67 causing the outer wall 66 of the annular trough

60 and the outer wall 68 of the ridge zone 63 to buckle

and deform/crumple. During this movement the material

of the outer wall 66 of the annular trough 60 may be plastically

drawn over the leading edge 23 to conform the

outer wall 66 of the annular trough 60 to the grooves or

indentations to provide an effective seal.

[0083] The downward movement of the ridge zone 63

also nips the floor 64 (and the lid 41 sealed to the floor

64) against the capsule holder 20 as shown in Figure 12.

[0084] The geometry of the outer wall 68 of the ridge

zone 63, with the additional annular ridge 70 helps to

stiffen the distal end of the side wall 43 and prevent the

rim 47 being deflected down into contact with the capsule

holder 20.

[0085] Downward movement of the enclosing member

2 may continue beyond the point illustrated in Figure 12

until the inner rim 23a contacts and bears against the

floor 64 of the annular trough 60.

(…)

[0087] Figures 13 to 18 illustrate a third embodiment

of capsule 1. Features corresponding to those of the first

and/or second embodiment are denoted by corresponding

reference signs. Features of the first and/or second

embodiment and this embodiment may be interchanged

and combined as desired. In addition, in the following

description only differences between the embodiments

will be described in detail. In other respects the reader

is directed to the description of the prior embodiments.

[0088] The cup-shaped body 40 differs from that of the

first and second embodiments in the configuration and

geometry of the annular trough 60. As in the second embodiment,

the annular trough 60 is dimensioned to receive,

partially or wholly, the leading edge 23 of the enclosing

member 2 on movement of the enclosing member

2 into the closed position. The inner wall 65 of the annular

trough 60 is substantially perpendicular to the floor 64

and the outer wall 66 is angled relative to the floor 64,

such that an internal angle α at a junction between the

floor 64 and the outer wall 66 is from 90° to 120°, preferably

105°.

(…)

[0094] As shown in Figures 17 and 18, on closing the

enclosing member 2 relative to the capsule holder 20 the

side wall 43 of the capsule 1 is contacted by the enclosing

member 2 to deform the side wall 43. In particular, the

inner rim 23a of the leading edge 23 is received in the

annular trough 60 and bears on the outer wall 66 while

at the same time (or shortly thereafter) the apex 67 of

the ridge zone 63 is received in the recess 23c. The ridge

zone 63 (and floor 64) is driven downwards by the action

of the enclosing member 2 on the outer wall 66 and/or

apex 67 causing the outer wall 66 of the annular trough

60 and the outer wall 68 of the ridge zone 63 to buckle

and deform/crumple. During this movement the material

of the outer wall 66 of the annular trough 60 may be plastically

drawn over the leading edge 23 to conform the

outer wall 66 of the annular trough 60 to the grooves or

indentations to provide an effective seal.

[0095] The downward movement of the ridge zone 63

also nips the floor 64 (and the lid 41 sealed to the floor

64) against the capsule holder 20 as shown in Figure 12.

[0096] The geometry of the outer wall 68 of the ridge

zone 63, with the upper section 73, mid-section 71 and

lower section 72 helps to stiffen the distal end of the side

wall 43 and prevent the rim 47 being deflected down into

contact with the capsule holder 20.

[0097] Downward movement of the enclosing member

2 may continue beyond the point illustrated in Figure 12

until the inner rim 23a contacts and bears against the

floor 64 of the annular trough 60.

2.8.

EP 521 bevat (onder andere) de hieronder weergegeven figuren:

2.9.

Om tegemoet te komen aan bezwaren van de onderzoeker van het Europees Octrooibureau (EOB) gebaseerd op de in [0004] van het octrooi genoemde publicatie WO2013/136209 (zie hierna onder 2.15), heeft KDE gedurende de verleningsprocedure conclusie 1 gewijzigd, in de zin dat het kenmerk ‘and wherein the annular trough (60) is adapted to form a sealing interface with a leading edge (23) of the enclosing member (2), and the side wall (43) is adapted such that during closure of the enclosing member (2) the side wall (43) is plastically drawn over the leading edge (23) of the enclosing member (2)’, dat in de aanvrage in afhankelijke conclusie 6 was opgenomen, als kenmerk aan conclusie 1 is toegevoegd.

2.10.

GB 925, waarvan het octrooi prioriteit inroept, bevat uitvoeringsvoorbeeld 1 zoals beschreven in [0048] tot en met [0074] van EP 521 en de figuren 1 tot en met 6 uit het octrooi, maar niet de uitvoeringsvoorbeelden 2 en 3 van EP 521 en bijbehorende figuren, zoals beschreven in [0075] tot en met [0086] en figuren 7 tot en met 12, respectievelijk [0087] tot en met [0098] en figuren 13 tot en met 18 van het octrooi.

Belmoca

2.11.

Belmoca is een Belgische onderneming die zich toelegt op het vermarkten van koffiecapsules. Zij vermarkt sinds 2016 een aluminium koffiecapsule die geschikt is voor Nespresso-machines onder het merk Belmio (hierna: de Belmio capsule).

2.12.

In Nederland worden de Belmio capsules te koop aangeboden door onder andere Albert Heijn en Blokker.

2.13.

TRiOS Precision Engineering (hierna: TRiOS) heeft in opdracht van KDE de Belmio capsules onderzocht en getest in verschillende types Nespresso-machines, waaronder de Inissia-machine. TRiOS heeft een rapport opgemaakt, gedateerd 28 juni 2018, waarin zij verslag doet van haar onderzoek (hierna: het TRiOS rapport). Globaal omvatte het onderzoek:

In de voetnoten bij deze beschrijving zijn definities gegeven van de in het rapport gebruikte termen:

TRiOS komt in haar rapport onder meer tot de volgende conclusies:

(...)

2.13.1.

In bijlage 4 van het TRiOS rapport zijn resultaten weergegeven van de proefnemingen met de Belmio capsules die in de verschillende types Nespresso-machines (Inissia, Citiz en Pixxie) zijn geplaatst en waarmee koffie is gezet (“brewed”). Bij wijze van voorbeeld geeft de rechtbank hieronder een aantal resultaten weer. De bovenste afbeeldingen (met de referentienummers 19-001 en 20-001) zijn door TRiOS weergegeven als referentie aan een Belmio-capsule die niet in een koffiemachine is geplaatst. De rode stippellijn geeft volgens het TRiOS rapport de mogelijke positie van de stud plate weer. Uit voetnoot 3 blijkt dat TRiOS met stud plate doelt op capsule holder (20) van EP 521.

2.13.2.

Het TRiOS rapport bevat ook een aantal dwarsdoorsnedes van gebruikte Belmio capsules waarbij in dezelfde afbeelding de (nog ongebruikte) referentiecapsule is weergegeven:

Section view of not brewed Belmio 19-001 compared with Belmio 19-003 in Inissia

Section view of not brewed capsule Belmio 19-001 compared with Belmio 19-004 brewed in Citiz

Section view of not brewed capsule Belmio 19-001 compared with Belmio 19-002 brewed in Pixie

Stand van de techniek

2.14.

Op de prioriteitsdatum behoorde tot de stand van de techniek een aluminium koffiecapsule waarbij de afdichting van het omsluitend deel op de capsule werd bewerkstelligd door een siliconen ring in de rand van de capsule. Nestlé had octrooi op de maatregel voor deze siliconen ring om de capsule, waaronder in EP 1700548 (hierna: EP 548). EP 548 beschrijft dat het centrale idee van de in dat octrooi geclaimde uitvinding ligt in het verplaatsen van "a resilient part of the sealing engagement from the beverage production device to the capsule". EP 548 bevat de hierna weergegeven figuur (waarbij het resilient part rood is gearceerd).

2.15.

Op 19 september 2013 is een aanvrage van 28 februari 2013 gepubliceerd voor een ‘System for making beverages’ met aanvraagnummer WO2013/136209 (hierna WO 209). In de verleningsprocedure voor EP 521 is WO 209 aangemerkt als dichtstbijzijnde stand van de techniek (‘D1’). WO 209 bevat – voor zover hier relevant – de volgende beschrijving op pagina 4:

en op pagina 10:

en op pagina 11:

Voorts bevat WO 209 de hierna weergegeven figuren:

3 Het geschil

in conventie

3.1.

KDE heeft haar eis bij akte eiswijziging vermeerderd en vervolgens bij conclusie van repliek nogmaals vermeerderd, maar daarbij niet voortgebouwd op de eerste eisvermeerdering. Ter zitting heeft zij verklaard dat die eisvermeerderingen cumulatief opgevat moeten worden. KDE vordert gelet op die verklaring samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

Belmoca verbiedt op enigerlei wijze onrechtmatig te handelen door betrokken te zijn bij indirecte inbreuk op EP 521 (NL) (zo nodig conform een van de hulpverzoeken), in het bijzonder door het aanbieden of leveren van de Belmio capsules voor toepassing van de in EP 521 geoctrooieerde uitvinding, of die inbreuk te bevorderen of faciliteren;

3.1.2.

voor recht verklaart dat Belmoca door het aanbieden en/of leveren van de Belmio capsules indirecte inbreuk maakt op EP 521 (NL);

3.1.3.

Belmoca gebiedt een brief te schrijven aan wederverkopers van de Belmio capsules waarmee Belmoca indirecte inbreuk maakt op EP 521 (NL), waarin zij een recall doet;

3.1.4.

Belmoca gebiedt KDE opgave te doen van de namen en adressen van de wederverkopers van de Belmio capsules die inbreuk maken op EP 521 (NL), met kopieën van de aan hen verzonden recall brieven;

3.1.5.

Belmoca gebiedt alle bij haar voorradige en geretourneerde Belmio capsules waarmee Belmoca indirecte inbreuk maakt/heeft gemaakt op EP 521 (NL) en haar promotiemateriaal daarvoor te vernietigen;

3.1.6.

Belmoca gebiedt een bericht te plaatsen op haar website waarin zij de bezoekers van de website informeert dat zij met de Belmio capsule inbreuk maakt op EP 521 (NL);

3.1.7.

Belmoca gebiedt opgave te doen van naam en adresgegevens van haar wederverkopers van de Belmio capsules, de hoeveelheid in Nederland verkochte Belmio capsules en de daarmee behaalde bruto- en nettowinst;

3.1.8.

onder bepaling van een dwangsom bij overtreding van het in 3.1.1 beschreven verbod en/of de in 3.1.3, 3.1.4, 3.1.5, 3.1.6 of 3.1.7 beschreven geboden;

3.1.9.

Belmoca veroordeelt tot schadevergoeding of, ter keuze van KDE, winstafdracht, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke (handels-)rente;

3.1.10.

Belmoca veroordeelt in de proceskosten ex artikel 1019h Rv1 met wettelijke rente.

3.2.

Daarnaast heeft KDE bij wijze van provisionele voorziening voor de duur van het geding, gevorderd dat de vorderingen 3.1.1, 3.1.3, 3.1.4, 3.1.5, 3.1.6, 3.1.7, 3.1.8 en 3.1.10 voorlopig worden toegewezen.

3.3.

KDE legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Belmoca indirecte inbreuk maakt op EP 521 (NL) door de Belmio capsules aan te bieden en te leveren aan wederverkopers in Nederland die bestemd zijn voor toepassing van de geoctrooieerde uitvinding. KDE stelt dat Belmoca daarbij indirecte inbreuk maakt op conclusie 1 en een aantal van conclusie 1 afhankelijke conclusies van EP 521 (NL). Uit het TRiOS rapport blijkt dat aan alle kenmerken van EP 521 wordt voldaan bij gebruik van de Belmio capsules in verschillende types Nespresso-machines. De Belmio capsules zijn een wezenlijk bestanddeel voor de toepassing van de uitvinding in de zin van artikel 73 ROW2. Subsidiair stelt KDE dat Belmoca onrechtmatig handelt door buiten Nederland Belmio capsules te leveren, waarvan zij weet of behoort te weten dat die bestemd zijn voor gebruik in Nederland waarmee inbreuk wordt gemaakt op EP 521 (NL).

3.4.

Belmoca voert gemotiveerd verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

Belmoca vordert voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie beslist dat geen sprake is van inbreuk op een geldig octrooi en op die grond de vorderingen van KDE afwijst, (samengevat) een verklaring voor recht dat Belmoca geen inbreuk maakt op EP 521 (NL), een verbod voor KDE om tegen derden uitlatingen te doen met de strekking dat Belmoca inbreuk maakt op intellectuele eigendomsrechten van KDE en een veroordeling tot schadevergoeding, met veroordeling van KDE in de proceskosten in reconventie ex artikel 1019h Rv.

3.7.

Belmoca legt hieraan ten grondslag dat KDE ten onrechte aan derden mededelingen doet dat Belmoca inbreuk zou maken op EP 521, waardoor derden niet of niet langer bereid zijn Belmio capsules van haar af te nemen. KDE handelt daardoor onrechtmatig. Belmoca lijdt hierdoor aanzienlijke schade en heeft belang bij een verklaring voor recht dat zij geen inbreuk maakt op EP 521.

3.8.

KDE voert gemotiveerd verweer.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank is internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in conventie op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo3, omdat Nederland het land is waar de gestelde indirecte inbreuk op EP 521 wordt gemaakt en waar de schadelijke gevolgen intreden van het gestelde onrechtmatig handelen buiten Nederland. In reconventie volgt die bevoegdheid uit artikel 8 lid 3 Brussel I bis-Vo. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank berust op artikel 80 lid 1 sub a ROW.

in conventie

Inbreuk op EP 521

4.2.

De rechtbank zal, in navolging van partijen, conclusie 1 verdelen in de volgende kenmerken (a) tot en met (i):

( a) drankproductiesysteem omvattende: een capsule (1) bevattende drankingrediënten; en een drankbereidingsmachine;

( b) waarbij de capsule (1) een bekervormig lichaam (40) en een deksel (41) omvat;

( c) waarbij het bekervormige lichaam (40) een basis (42) en een zijwand (43) heeft en het deksel (41) afdichtend is bevestigd aan het bekervormige lichaam (40);

( d) waarbij de capsule (1) is ontworpen voor inbrenging in de drankbereidingsmachine om toe te laten dat een onder druk staande vloeistof door de capsule (1) stroomt teneinde door interactie met de drankingrediënten een drank te produceren;

( e) waarbij de drankbereidingsmachine een omsluitend deel (2) heeft dat is aangepast om selectief beweegbaar te zijn tussen

(i) een open positie, om inbrenging van de capsule (1) in de drankbereidingsmachine mogelijk te maken,

(ii) en een gesloten positie, waarin het omsluitende deel (2) afdichtend op de capsule (1) aangrijpt;

( f) waarbij, voorafgaand aan inbrenging, de zijwand (43) omvat:

(i) een ringvormige trog (60), die gedimensioneerd is om het omsluitende deel (2) op te nemen bij een beweging van het omsluitende deel (2) naar de gesloten positie;

(ii) een eerste zijwandgedeelte (61), dat zich tussen de basis (42) en de ringvormige trog (60) uitstrekt; en

(iii) een tweede zijwandgedeelte (62), dat zich tussen de ringvormige trog (60) en een rand (47) van de capsule (1) uitstrekt;

( g) waarbij het bekervormige lichaam (40) is gevormd van aluminium, een aluminiumlegering of een laminaat omvattende ten minste een laag gevormd van aluminium of een aluminiumlegering;

( h) waarbij het eerste zijwandgedeelte (61), ringvormige trog (60) en tweede zijwandgedeelte (62) integraal zijn gevormd; en

( i) waarbij

(i) de ringvormige trog (60) is aangepast voor het vormen van een afdichtend interface met een voorste rand (23) van het omsluitende deel (2),

(ii) en de zijwand (43) dusdanig is aangepast, dat tijdens sluiting van het omsluitende deel (2) de zijwand (43) plastisch over de voorste rand (23) van het omsluitende deel (2) wordt getrokken.

4.3.

Tussen partijen is (onder andere) in geschil of de Belmio capsules voldoen aan kenmerk (i) onderdeel (ii) van conclusie 1. De rechtbank is van oordeel dat de Belmio capsule niet aan dit kenmerk voldoet, zodat die capsule niet onder de beschermingsomvang van het octrooi valt. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.4.

Partijen leggen kenmerk (i) onderdeel (ii) ieder anders uit. Op grond van artikel 53 lid 2 ROW wordt, overeenkomstig artikel 69 lid 1 EOV4 en het daarbij behorende uitlegprotocol, het uitsluitend recht van een octrooi bepaald door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg van die conclusies. Artikel 1 van het bij artikel 69 EOV behorende uitlegprotocol (hierna: het Protocol) luidt, in de Nederlandse vertaling:

Artikel 69 mag niet worden uitgelegd in de zin als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen alleen maar mogen dienen om de onduidelijkheden welke in de conclusies zouden kunnen voorkomen op te heffen. Het mag evenmin worden uitgelegd in die zin, als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de bescherming zich ook uitstrekken tot datgene wat de octrooihouder, naar het oordeel van de deskundige die beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg moet daarentegen tussen deze twee uitersten het midden houden, waarbij zowel een redelijke bescherming aan de aanvrager als een redelijke rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

4.5.

In overeenstemming met deze uitlegregel van het Protocol heeft de Hoge Raad de in zijn eerdere uitspraken gebezigde formuleringen, “hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is”, onderscheidenlijk “de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte”, bestempeld als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de “uitersten” in de woorden van het Protocol)5. Daarbij dient het achterhalen van de achter de woorden van de conclusies liggende uitvindingsgedachte ertoe een uitsluitend op de letterlijke betekenis van de bewoordingen gegronde en daarom voor een redelijke bescherming van de octrooihouder wellicht te beperkte of onnodig ruime uitleg te vermijden6. De beschrijving en de tekeningen vormen in dat kader een belangrijke bron. Van de beschrijving maakt onderdeel uit een weergave van de stand van de techniek die de aanvrager als nuttig beschouwt voor het begrijpen van de uitvinding. Ook niet in de beschrijving genoemde stand van de techniek kan van belang zijn. Bij de uitleg van een octrooi is immers leidend het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek7.

4.6.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vraag hoe kenmerk (i) onderdeel (ii) uitgelegd moet worden, als gemiddelde vakman in aanmerking een werktuigbouwkundig ingenieur (ing) met kennis van het terrein van houders van drank-ingrediënten waaronder houders voor koffie, ongeacht van welk materiaal die zijn gemaakt, en de machines voor toepassing daarvan. Dat die vakman bekend is met de in 2.14 beschreven Nespresso-capsules en verschillende types Nespresso-machines is tussen partijen niet in geschil. Wat de vakman precies verstaat onder ‘plastisch trekken over’ is in geschil, maar partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de vakman weet dat daarbij sprake is van het (uit-)rekken van materiaal door een trekkracht.

4.7.

Deze vakman zou het octrooi in zijn geheel lezen en daarbij het kenmerk dat ‘de zijwand dusdanig is aangepast, dat tijdens sluiting van het omsluitende deel de zijwand plastisch over de voorste rand van het omsluitende deel wordt getrokken’ uitleggen in het licht van de onderdelen van de beschrijving die daarop betrekking hebben. Over het ‘plastisch over de voorste rand van het omsluitend deel trekken’ leest hij bij het eerste uitvoeringsvoorbeeld in randnummer [0072] en [0073] (onderstreping toegevoegd door de rechtbank): ‘during the step of closing the enclosing member relative to the capsule holder the side wall of the capsule is contacted by the enclosing member to deform the side wall. In particular, the leading edge enters the annular trough and bears on the floor and/or the inner wall and/or the outer wall. The floor is driven downwards by the action of the enclosing member to nip the floor (and the lid sealed to the floor) against the capsule holder. The leading edge may also act to pinch the material of the side wall during this movement which consequently causes the ridge zone to be pivoted inwards to bring the apex of the ridge zone and/or the outer wall of the annular trough into sealing engagement with the outer face of the annular element as shown in Figure 6. Importantly, the initial point of contact between the leading edge and the floor is axially spaced from the capsule holder such that there is room for the side wall to deform downwards towards the capsule holder enough to allow for inward pivoting of the ridge zone before the side wall is nipped against the capsule holder.

[0073] The induced movement of the side wall causes the side wall to undergo plastic deformation. In particular, as the side wall is deformed downwards , the side wall (in particular portions of the annular trough) may be plastically drawn over the leading edge of the enclosing member which encourages the material of the side wall to be closely conformed to the grooves of the leading edge. Thus, the annular trough may form a sealing interface with the leading edge of the enclosing member.

4.8.

De vakman leest in de beschrijving dus dat het ‘plastisch trekken over’ plaatsvindt gedurende de neerwaartse beweging van de zijwand vanaf het eerste contact met het omsluitende deel rondom de capsule tot het moment dat de capsule wordt geklemd tegen de capsule houder. Dat zorgt er volgens het octrooi voor dat de capsulewand vervormt over de voorste rand van het omsluitend deel. De vakman begrijpt dat voor het ‘plastisch trekken over de voorste rand’ een trekkracht nodig is. Als er alleen een drukkracht op de capsule wordt uitgeoefend, wordt de capsule in zijn geheel richting de capsulehouder geduwd. Hij zal op basis van zijn algemene vakkennis inzien dat er voor het uitoefenen van trekkracht door het omsluitend deel, weerstand van de capsule nodig is en dat voor de plastische vervorming, het uitrekken, ruimte nodig is. Die ruimte moet voldoende zijn om het randgebied omhoog en naar binnen te laten draaien (enough to allow for inward pivoting). De vakman weet ook dat het in het octrooi toegepaste materiaal, aluminium, door die trekkracht plastisch zal vervormen en dunner zal worden. De voor deze vervorming noodzakelijke trekkracht in het materiaal van de zijwand kan ontstaan doordat de rand van de capsule (met nummer 47 in de figuren) bij het begin van de sluiting van het omsluitende deel al steunt op de capsulehouder. Daardoor wordt de apex van het randgebied als het ware ‘omhoog gehouden’, resulterend in de nodige trekkracht in de zijwanden van de trog. Zo is ook te zien in de figuren 1 tot en met 6 bij dit uitvoeringsvoorbeeld.

4.9.

Hij ziet dat het octrooi benadrukt (‘importantly’) dat het plastisch trekken over mogelijk is doordat zich in axiale richting voldoende ruimte bevindt tussen de vloer van de trog en de capsulehouder, waardoor die vloer neerwaarts wordt bewogen en de zijwand van de capsule kan vervormen terwijl die plastisch over de voorste rand van het omsluitend deel wordt getrokken. Door de neerwaartse beweging van de vloer en het rekken van de zijwanden van de trog over het omsluitend deel, wordt daar de sealing interface tussen capsule en omsluitend deel bereikt die het octrooi tot doel heeft.

4.10.

Daarbij ziet de vakman in figuren 3 en 4 dat zich onder de vloer van de trog en het deksel van de capsule aanvankelijk de beschreven ruimte in axiale richting bevindt, die in figuren 5 en 6 is gevuld met de plastisch over de voorste rand van het omsluitend deel getrokken zijwand van de capsule. KDE heeft die axiale ruimte in haar processtukken ingekleurd met een blauw blokje in figuur 4, als volgt:

De vakman ziet in deze figuren ook dat gedurende de beweging in axiale richting van het omsluitend deel, het deel van de zijwand bestaande uit de zijwanden van de trog, d.w.z. het deel in de bovenstaande figuren rechts ervan (met nummer 45) en het deel links ervan tot aan de apex zich uitrekken, plastisch over de voorste rand van het omsluitende deel getrokken worden en daar een afsluiting vormen. Hieruit zal hij opmaken, dat het plastische trekken over inhoudt dat de wand van de capsule in axiale richting uitgerekt wordt door de neerwaartse beweging van de voorste rand en daarbij de axiale ruimte benut, die zich aanvankelijk tussen de vloer van de trog en de capsulehouder bevond.

4.11.

Belmoca bestrijdt dat het tweede en het derde uitvoeringsvoorbeeld nog onder conclusie 1 van EP 521 vallen nadat kenmerk (i) onderdeel (ii) aan conclusie 1 is toegevoegd tijdens de verleningsprocedure. KDE verdedigt het standpunt dat dat wel het geval is. De rechtbank overweegt als volgt. In het octrooi is niet vermeld dat uitvoeringsvoorbeelden twee en drie niet (langer) onder de beschermingsomvang van de conclusies vallen. De vakman die op zoek is naar de juiste uitleg van kenmerk (i) onderdeel (ii) zal dus ook die uitvoeringsvoorbeelden bestuderen, waarbij hij in [0075] leest dat kenmerken van uitvoeringsvoorbeeld één en twee ‘may be interchanged and combined as desired’ en ‘only differences between the embodiments will be described in detail. In other respects the reader is directed to the description of the prior embodiment8.

4.12.

In randnummers [0082] en [0083] van het octrooi wordt vervolgens uiteengezet hoe de sealing interface tot stand komt in het tweede uitvoeringsvoorbeeld. Daarbij vindt plastische vervorming van de zijwand van de capsule plaats ‘As shown in figures 11 and 12, on closing the enclosing member 2 relative to the capsule holder 20 the side wall 43 of the capsule is contacted by the enclosing member 2 to deform the side wall 43’. De vakman leest in die beschrijving dat de voorste rand van het omsluitend deel in de trog wordt ontvangen en tegelijkertijd (of kort daarna) de apex van het randgebied de bodem van de ringvormige groef van het omsluitend deel raakt: ‘In particular, the inner rim 23a of the leading edge 23 is received in the annular trough 60 and bears on the outer wall 66 while at the same time (or shortly thereafter) the apex 67 of the ridge zone 63 is received in recess 23c’. In figuur 10 bij dit tweede uitvoeringsvoorbeeld lijkt de bodem van de ringvormige groef in het omsluitende deel radiaal gezien iets verder naar buiten te liggen dan de apex van het randgebied. Dit is niet beschreven in de beschrijving van uitvoeringsvoorbeeld twee. Als de vakman dit verschil uit die figuur afleest, zal hij begrijpen dat de apex door de wisselwerking van de axiale beweging van de voorste rand van het omsluitende deel met de buitenwand van de trog radiaal iets naar buiten wordt bewogen. Die beweging komt overeen met de door KDE bepleite vergroting van de omtrek van het randgebied in radiale richting, vergelijkbaar met een muts die over het hoofd getrokken wordt (in omgekeerde zin althans). De vakman zal deze vervorming echter niet opvatten als het plastically drawn over the leading edge, want de apex raakt de groef gelijktijdig of kort nadat de voorste rand de buitenwand van de trog heeft geraakt. Pas daarna zal volgens de beschrijving door de kracht die door de neerwaartse beweging van het voorste deel wordt uitgeoefend op de zijwand van de trog en de apex, de capsulerand plastisch over het voorste rand worden getrokken.

4.13.

In tegenstelling tot uitvoeringsvoorbeeld één is in de figureren 7 tot en 12, behorende bij uitvoeringsvoorbeeld twee, te zien dat de capsulerand (met nummer 47) in uitvoeringsvoorbeeld twee niet verlaagd, maar op hetzelfde niveau als de vloer van de trog is voorzien. In uitvoeringsvoorbeeld twee zal het omsluitende lichaam, dat met zijn ringvormige groef (met nummer 23c) op de apex rust en tegen de buitenwand van de trog aanligt, het randgebied en de trog van de capsule dan ook zonder weerstand naar beneden bewegen. De binnenrand van het omsluitingslichaam, dat volgens de figuren bij dit uitvoeringsvoorbeeld bovendien een congruente vorm heeft met de top en de buitenwand van de trog, ligt volgens de beschrijving tegen de apex en buitenwand van de trog aan. Zolang door de vrije ruimte onder de trog de zijwand van de capsule zich nog vrij naar beneden kan bewegen, kan nog geen tegenkracht ontstaan, die ervoor zorgt dat de buitenwand van de trog gerekt wordt.

4.14.

De vakman leest in [0082] over het vervolg van de beweging van het omsluitingslichaam: ‘The ridge zone 63 (and floor 64) is driven downwards by the action of the enclosing member 2 on the outer wall 66 and/or apex 67 causing the outer wall 66 of the annular trough 60 and the outer wall 68 of the ridge zone 63 to buckle and deform/crumple’. De voor deze laatste vervorming benodigde tegenkracht is alleen te verklaren met hetgeen in [0083] is gesteld: ‘The downward movement of the ridge zone 63 also nips the floor 64 (and the lid 41 sealed to the floor 64) against the capsule holder as shown in figure 12.’. In figuur 12 is te zien dat de basis van de buitenwand (met nummer 68) van het randgebied en de bodem van de trog (met nummer 64) tegen de capsulehouder aan liggen, terwijl de buitenwand van de trog en de buitenwand van het randgebied (resp. 66 en 68 in de figuur) deels al zijn ingeknikt. Pas bij deze fase van de beweging van het omsluitingslichaam zou er volgens de beschrijving een ‘plastisch trekken over de voorste rand van het omsluitingslichaam’ plaatsvinden:‘During this movement the material of the outer wall 66 of the annular trough 60 may be plastically drawn over the leading edge 23 to conform the outer wall 66 of the annular trough 60 to the grooves or indentations to provide an effective seal.’.

4.15.

Bij uitvoeringsvoorbeeld drie (zie figuur 16) ligt de apex van het randgebied in het directe axiale verlengde van de ringvormige groef (met nummer 23c) van het omsluitende deel. Volgens figuur 18 en [0094] tot en met [0097], die inhoudelijk overeenkomen met [0082] tot en met [0085] van uitvoeringsvoorbeeld twee, vindt daarbij geen radiaal naar buiten bewegen van de apex plaats, maar wordt de apex direct in de ringvormige groef ‘gevat’. De neerwaartse beweging van het omsluitingslichaam veroorzaakt een neerwaartse beweging van het randgebied en de trog van de capsule, op identieke wijze als bij uitvoeringsvoorbeeld twee in de vrije ruimte onder de trog, totdat volgens [0095] de vloer van de trog tegen de capsulehouder stuit. Alleen dan kan de noodzakelijke tegenkracht voor het ‘plastisch trekken over de voorste rand van het omsluitende deel’ gaan ontstaan. Daarbij is op identieke wijze als bij uitvoeringsvoorbeeld twee een knikken/kreukelen van de buitenwand van de trog en de buitenwand van het randgebied het gevolg, zie in [0094]: ‘The ridge zone 63 (and floor 64) is driven downwards by the action of the enclosing member 2 on the outer wall 66 and/or apex 67 causing the outer wall 66 of the annular trough 60 and the outer wall 68 of the ridge zone 63 to buckle and deform/crumple’.

4.16.

Beide uitvoeringsvoorbeelden komen dus wat betreft de fase waarin en de manier waarop het ‘plastisch trekken over de voorste rand van het omsluitingslichaam’ zou moeten plaatsvinden, op hetzelfde neer. De beschrijving maakt echter niet duidelijk hoe dat dan gebeurt. De vakman leest in de beschrijving in [0082] en [0094] alleen:‘During this movement the material of the outer wall 66 of the annular trough 60 may be plastically drawn over the leading edge 23 to conform the outer wall 66 of the annular trough 60 to the grooves or indentations to provide an effective seal.’ Uit de beschrijving en tekeningen maakt hij echter niet op hoe dit werkt, als er pas een trekkracht kan ontstaan op het moment dat de trog de capsulehouder raakt en er tegelijkertijd ook sprake is van knikken en kreukelen van de buitenwand van de trog en het randgebied.

4.17.

Als de vakman figuren 9, 10, 15 en 16 bekijkt, neemt hij aanvankelijk ook axiale ruimte onder de vloer van de trog waar in die figuren en ziet hij dat die ruimte in de figuren 11, 12, 17 en 18 na sluiting van de capsulehouder is verdwenen. De ruimte in het randgebied tussen de buitenwanden van het randgebied (met nummers 66 en 68), is in die figuren nog wel aanwezig nadat een sealing interface is ontstaan. Het lijkt er in de figuren 11, 12, 17 en 18 op dat het omsluitend deel een drukkracht op de apex van het randgebied uitoefent, waardoor de buitenwand van de trog tegen de capsulehouder gedrukt wordt. Ook met deze drukkrachten is het mogelijk dat de buitenwand van de trog aldaar zich laat conformeren aan de vorm van de radiale groeven in de voorste rand, zoals de beschrijving stelt. Hierdoor kan de ‘sealing interface’ ontstaan. Daarbij is echter geen sprake van een trekkracht. De figuren zullen de vakman dus evenmin duidelijkheid geven hoe het ‘plastisch trekken over de voorste rand’ in deze uitvoeringsvoorbeelden tot stand komt.

4.18.

De vakman zal door deze onduidelijkheid tot de conclusie komen dat uitvoeringsvoorbeelden twee en drie niet (langer) onder de conclusies van het octrooi zoals verleend vallen. Hij ziet daarin immers niet dat het randgebied van de capsule plastisch over de voorste rand van het omsluitend deel wordt vervormd door een trekkracht. Als hij niet al tot de conclusie komt dat die uitvoeringsvoorbeelden niet (langer) onder de beschermingsomvang van het octrooi vallen, dan wordt de vakman in elk geval geconfronteerd met een onduidelijkheid in deze uitvoeringsvoorbeelden. Deze onduidelijkheid dient ten nadele van de octrooihouder te werken bij de uitleg van de conclusies. De vakman zal voor de uitleg van het ‘plastisch trekken over de voorste rand’ in dat geval alleen te rade kunnen gaan bij uitvoeringsvoorbeeld één, wat ook in lijn is met de beschrijving in [0075] en [0087]. Een daarmee overeenkomende uitleg houdt in dat het ‘plastisch trekken over de voorste rand’ van de zijwand van de capsule plaatsvindt doordat tijdens de beweging van het omsluitend deel de zijwand in axiale richting over de voorste rand van het omsluitend deel getrokken wordt. Uit de – veronderstelde – inwisselbaarheid tussen de verschillende uitvoeringsvormen zal de vakman dan opmaken dat voor het ‘plastisch trekken over de voorste rand’ in ieder geval ruimte aanwezig moet zijn onder de vloer van de trog, in de axiale richting waarin het omsluitend deel beweegt naar de capsulehouder, in combinatie met een tegenkracht, om de capsulewand over de voorste rand van het omsluitend deel te kunnen trekken op dezelfde wijze als beschreven in 4.8 tot en met 4.10.

4.19.

Samenvattend: de vakman zal kenmerk (i) onderdeel (ii) zo uitleggen, dat de capsulewand door een trekkracht uit wordt gerekt in axiale richting over de rand van het omsluitend deel, met gebruikmaking van de ruimte die zich in axiale richting tussen de capsulewand en de capsulehouder bevindt, in combinatie met een tegenkracht.

4.20.

Uitgaande van deze uitleg van kenmerk (i) onderdeel (ii), slaagt het verweer van Belmoca dat bij toepassing van de Belmio capsules in een drankproductiesysteem volgens het octrooi, niet wordt voldaan aan dat kenmerk. KDE onderbouwt de gestelde inbreuk met het TRiOS rapport. Uit het TRiOS rapport blijkt dat het laagste punt van de Belmio capsules, dat door KDE wordt aangemerkt als de vloer van de trog, van meet af aan (nagenoeg) tegen de capsulehouder aan ligt. Daaronder bevindt zich geen axiale ruimte en de zijwand van de capsule, waar het de zijwand van het randgebied betreft en de daar tegenover liggende zijwand van de trog, wordt dus ook niet in die ruimte naar beneden getrokken over de voorste rand van het omsluitend deel in de zin van het octrooi. De in 2.13.1 weergegeven dwarsdoorsnedes van Belmio capsules waarmee in een Nespresso-machine koffie is gezet en waarin de rode stippellijn de positie van de capsulehouder (stud plate in de woorden van het TRiOS rapport) weergeeft, laten dat duidelijk zien. Ook de simulatie weergegeven in het TRiOS rapport zelf (zie 2.13) bevestigt dat.

4.21.

De rechtbank kan aan de hand van het TRiOS rapport ook niet vaststellen dat er sprake is van een plastische vervorming van de zijwand van de trog in axiale richting, die is veroorzaakt door een hiervoor bedoelde trekkracht. KDE heeft niet gesteld en gemotiveerd dat dat als vanzelf zou volgen uit de omstandigheid dat zich, zoals zij heeft aangevoerd, bij de Belmio capsules wel ruimte bevindt onder het initiële contactpunt van de zijwand met het omsluitend deel en de omstandigheid dat de zijwand door de beweging van het omsluitend deel deels in die ruimte wordt gedrukt. Bij pleidooi heeft KDE er op gewezen dat het TRiOS rapport aantoont dat de diameter van de zijwand van de Belmio capsule groter wordt op de plaats waar deze door de voorste rand wordt geraakt en dat de geometrie en stijfheid van de zijwand een neerwaartse vervorming veroorzaken, die resulteert in trekkrachten. Uit het TRiOS rapport blijkt echter niet dat er een trekkracht ontstaat die de vervorming van de Belmoca capsules veroorzaakt. Paragraaf 39 van het TRiOS rapport (zie 2.13), waar KDE in dit verband naar verwijst, bevat slechts de conclusie dat de zijwand over de voorste rand van het omsluitend deel wordt getrokken. Annex 4 bij het TRiOS rapport, waar in het (hoofd)rapport naar wordt verwezen, maakt echter niet duidelijk dat de gemeten vervorming wordt veroorzaakt door trekkrachten. Aan kenmerk (i) onderdeel (ii) van conclusie 1 in de hiervoor beschreven uitleg, wordt door de Belmio-capsule dan ook niet voldaan.

4.22.

KDE heeft zich subsidiair nog beroepen op equivalentie, maar dat beroep had betrekking op het verweer van Belmoca tegen de stelling dat de Belmio capsule beantwoordt aan kenmerk (f) en kan KDE dus niet baten bij het onderhavige kenmerk.

4.23.

De slotsom is dus dat de vorderingen van KDE afgewezen dienen te worden.

4.24.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de nietigheids- en overige weren van Belmoca, noch aan het door KDE ingestelde incident tot toewijzing van een provisionele voorziening.

in reconventie

4.25.

Belmoca heeft een vordering in reconventie ingesteld, onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie tot de conclusie komt dat geen sprake is van inbreuk op een geldig

octrooi en op die grond de vorderingen van KDE afwijst. Aan die voorwaarde is voldaan.

4.26.

Belmoca vordert in reconventie ten eerste een verklaring voor recht dat zij geen inbreuk maakt op EP 521 (NL) door het op de markt brengen van de Belmio capsule. Belmoca heeft haar belang bij deze vordering onderbouwd met de stelling dat zij haar (potentiële) afnemers daarmee kan informeren over het oordeel van de rechtbank. Zij wijst er daarbij op dat een Deense afnemer er voor heeft gekozen niet langer de Belmio capsules te kopen, nadat KDE handhavingsmaatregelen in Denemarken had genomen en dat andere (potentiële) afnemers zorgen hebben geuit over de in deze procedure gestelde inbreuk door Belmoca.

4.27.

KDE betwist dat Belmoca een voldoende belang heeft bij die vordering. Het belangvereiste voor het verkrijgen van een verklaring voor recht moet echter met terughoudendheid worden toegepast9. De door Belmoca daartoe aangevoerde omstandigheden zijn daarvoor voldoende concreet en aannemelijk. Anders dan KDE heeft bepleit, is niet nodig dat Belmoca aantoont dat er een causaal verband is tussen het onderhavige geschil en de keuze van (potentiële) afnemers van Belmoca om geen Belmio capsules in te kopen. Noch is daarvoor vereist dat Belmoca aantoont dat een dergelijke keuze het gevolg is van handelen van KDE. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is voor dit declaratoir niet toewijsbaar.

4.28.

Belmoca heeft daarnaast een zogenoemd wapperverbod gevorderd en schadevergoeding op te maken bij staat, waarvoor onrechtmatig wapperen de grondslag vormt. Als uitgangspunt geldt dat voor onrechtmatige handhaving van een octrooi (‘wapperen’) niet voldoende is dat de octrooipretentie achteraf onjuist blijkt te zijn. Daarvoor is tevens vereist dat aan de octrooihouder van deze gedraging een verwijt kan worden gemaakt10. De octrooihouder die zich beroept op een octrooi, handelt onrechtmatig indien hij weet, dan wel dient te beseffen, dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het octrooi geen stand zal houden in een procedure11 of zijn wederpartij daarop geen inbreuk maakt. Belmoca heeft niet gesteld waarom er bij KDE sprake was van een zodanig weten of dienen te beseffen dat er een serieuze kans was dat in een procedure zou worden vastgesteld dat Belmoca geen inbreuk maakt op EP 521 (NL). Belmoca heeft dat na de betwisting daarvan door KDE ook niet nader onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van onrechtmatig wapperen door KDE geen sprake is. De vorderingen van Belmoca die daarop zien zullen worden afgewezen.

in conventie en reconventie voorts

4.29.

KDE zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

4.30.

Omdat beide partijen in reconventie op niet-ondergeschikte punten in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten in reconventie compenseren.

4.31.

Partijen hebben in conventie en reconventie een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd en de rechtbank bericht dat zij over de hoogte van de kosten een afspraak hebben gemaakt. Die afspraak houdt in ieder geval in dat de redelijke en evenredige proceskosten voor de gehele procedure € 125.000 (all inclusive) bedragen. Volgens KDE geldt voorts, indien de vorderingen van KDE in conventie worden afgewezen, dat Belmoca recht heeft op de afgesproken proceskostenvergoeding. Indien in dat geval reconventionele vorderingen zouden worden afgewezen, zal het te ontvangen bedrag voor Belmoca € 10.000 minder zijn (dus € 115.000). Volgens Belmoca geldt, indien zij in conventie recht heeft op vergoeding van haar kosten, maar in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangemerkt, € 10.000,- in mindering dient te worden gebracht op het totaal door haar te ontvangen bedrag, zodat zij dan recht heeft op
€ 115.000,-.

4.32.

De rechtbank beschouwt de toe te wijzen verklaring voor recht als een vordering die direct samenhangt met het verweer van Belmoca in conventie en dus niet zal hebben geleid tot substantiële kosten in reconventie voor Belmoca. De overige vorderingen van Belmoca hebben een minder directe samenhang met de procedure in conventie, in de zin dat het verweer in conventie niet volstaat als grondslag voor die vorderingen. Tegen die achtergrond vat de rechtbank de proceskostenafspraak tussen partijen aldus op, dat in het onderhavige geval de proceskosten in conventie in de hoofdzaak worden begroot op € 115.000, met begroting van de kosten in het incident in conventie op nihil en compensatie van kosten in reconventie. De rechtbank volgt daarbij dus de weergave van de afspraak die KDE heeft gegeven.

4.33.

De kostenveroordeling in conventie zal worden vermeerderd met het griffierecht ter hoogte van € 639, zodat de totale kostenveroordeling in conventie € 115.639 bedraagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt KDE in de kosten van de procedure, in de hoofdzaak begroot op € 115.639 en in het incident op nihil,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

verklaart voor recht dat Belmoca geen inbreuk maakt op het Nederlandse deel van EP 521 door het op de markt brengen van de Belmio capsule,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.6.

compenseert de kosten, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus, mr. M.J.J. Visser en mr. ir. H. Meinders en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2021.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Rijksoctrooiwet

3 Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

4 Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), inwerkingtreding: 1-4-2012, Trb. 2012, 1, (eerste:1977), laatstelijk gewijzigd bij Trb. 2017, 168

5 vgl. HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3522 en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3680

6 vgl. HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1609

7 HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:854 (Resolution/Astrazeneca), HR 5 februari 2016, ECLI:HR:2016:196 (Bayer/Sandoz), HR 4 april 2014, ECLI:HR:2014:816 (Medinol/Abbott)

8 Een vergelijkbare bepaling met betrekking tot uitvoeringsvoorbeeld drie is in [0087] opgenomen.

9 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5630 (Yukos)

10 HR 6 april 1962, ECLI:NL:HR:1962:AC3804 (Drevfelin/Wientjes)

11 HR 29 september 2006, ECLI: NL:HR:2006:AU6098 (CFS Bakel/Stork)