Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7527

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
09/842001-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van onttrekking aan het gezag van minderjarige en bewezenverklaring van meerdere aanklachten van smaad en eenvoudige belediging jegens ex-partner. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt ten dele toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/842001-19 en 09/837027-21 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 15 juli 2021

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 april 2019 (pro forma), 6 mei 2021 (regiezitting) en 1 juli 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.F. Baas en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. S. van der Eijk naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – samengevat - ten laste gelegd dat zij haar zoon [naam 1] van 23 december 2018 tot en met 13 januari 2019 heeft onttrokken aan het gezag van zijn vader en het opzicht van Jeugdbescherming (dagvaarding I, parketnummer 09/842001-19) en dat zij zich gedurende meerdere periodes schuldig heeft gemaakt aan smaad, laster en/of belediging ten aanzien van haar ex-partner [naam 1] (dagvaarding II, parketnummer 09/837027-21). De volledige tenlastelegging wordt als bijlage 1 aan deze uitspraak aangehecht.

3 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van dagvaarding II onder 1, op het standpunt gesteld dat de officier van justitie voor het overgrote deel van dit feit niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens de overschrijding de termijn van artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bij een klachtdelict moet de klacht worden ingediend binnen drie maanden na het moment waarop de aangever bekend werd met het strafbare feit.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overschrijding van deze termijn, nu de aangever aangifte heeft gedaan van feiten die zijn gepleegd in een langere pleegperiode. Uit vaste jurisprudentie volgt dat aan het einde van een langere pleegperiode aangifte kan worden gedaan over die gehele pleegperiode. Van een aangever kan immers niet verwacht worden dat hij elke drie maanden opnieuw aangifte doet.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van een deel van de in dagvaarding II onder 1 genoemde feiten, sprake is van een overschrijding van de klachttermijn van artikel 66, eerste lid, Sr. Daartoe overweegt zij het volgende.

Smaad en belediging zijn klachtdelicten. Dat betekent dat dergelijke misdrijven niet kunnen worden vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het feit is gepleegd. De wetgever heeft aan de indiening van een dergelijke klacht een termijn verbonden van drie maanden (artikel 269 jo. 66 Sr), welke termijn aanvangt op het moment dat de tot het indienen van een klacht gerechtigde kennis heeft gekregen van de geuite beschuldigingen.

Daarmee heeft de wetgever enerzijds de tot een klacht gerechtigde de mogelijkheid willen ontnemen om tot in lengte van jaren gebruik te kunnen blijven maken van dat recht en anderzijds de beledigende niet onbeperkt een “zwaard” van vervolging boven het hoofd kan worden gehouden.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat ruimhartig wordt omgegaan met de vereisten van de indiening van een klacht (met name de aard en de inhoud van de klacht), maar de wettelijke klachttermijn wordt strikt gehandhaafd (HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242). Bepalend voor de ontvankelijkheid is volgens deze jurisprudentie het moment waarop voor het eerst de wens tot vervolging is geuit.

De aangifte is van 26 mei 2016. Daarin wordt aangifte gedaan van feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van 29 december 2013 tot en met 22 april 2016. Het gaat in dit geval niet om een voortdurend delict, maar om een verzameling van op zichzelf staande uitlatingen die de aangever in zijn aangifte in 2016 als smaad of belediging kwalificeerde. Uit de aangifte blijkt dat aangever op de hoogte was van de genoemde uitingen, nu hij verklaart dat het in 2013 is begonnen en dat hij hiervan nooit eerder aangifte heeft gedaan. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de aangever pas op een later moment op de hoogte is geraakt van de verschillende uitlatingen die in de aangifte worden genoemd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klachttermijn ten aanzien van een deel van de uitlatingen al was verstreken op het moment dat aangever aangifte deed. Nu de aangifte op 26 mei 2016 is gedaan, is de klachttermijn van drie maanden (90 dagen) verstreken ten aanzien van de uitlatingen die zijn gedaan vóór 26 februari 2016. Dat betekent dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van de uitlatingen die zijn gedaan voor 26 februari 2016.

Bij de inhoudelijke bespreking van het feit (hierna onder 4.7) zal worden ingegaan op de gevolgen daarvan voor de tenlastelegging.

4 De bewijsbeslissing

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder dagvaarding I ten laste gelegde en de onder dagvaarding II telkens primair ten laste gelegde feiten. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte ontslag van alle rechtsvervolging van het bij dagvaarding I ten laste gelegde en vrijspraak van het bij dagvaarding II ten laste gelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4.3.

Vrijspraak dagvaarding II, feit 2 en 4

Ten aanzien van dagvaarding II feit 2 onder primair

De rechtbank moet beoordelen (samengevat) of de verdachte aangever [naam 1] opzettelijk in zijn eer en goede naam heeft aangerand door de tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.

Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan. Wel moet dan uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat die mededeling is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.

Onder feit 2 gaat het om een artikel in het [dagblad] en om een uitlating op social media. Het artikel in het [dagblad] betreft een interview met de verdachte naar aanleiding van haar werk. Het interview ziet in het bijzonder op het werk van de verdachte als voorvechtster voor vrouwen wereldwijd, wier rechten door vechtscheidingen ernstig onder druk zijn komen te staan. In het interview stipt de verdachte kort aan dat zij persoonlijk ervaring heeft met het onderwerp, gelet op de moeizame scheiding van haar ex-man (de rechtbank begrijpt: [aangever] ). De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met dit artikel, anders dan de officier van justitie in zijn requisitoir heeft betoogd, niet het opzet had om de aangever in een kwaad daglicht te stellen en daaraan ruchtbaarheid te geven. De ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte zijn gedaan in de context van een maatschappelijke kwestie en slechts ter illustratie van haar expertise. Daarbij is de naam van de aangever niet genoemd.

Ten aanzien van de ten laste gelegde uitlating op social media, namelijk “Lost both my children to abusive father of kids”, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze uitlating de eer en goede naam van de aangever heeft aangetast. De uitlating is gedaan in de Engelse taal, de naam van de aangever is niet genoemd en evenmin is duidelijk geworden of deze uitlating op een openbare pagina is geplaatst, of dat het een besloten groep betrof.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van dagvaarding II feit 2 onder subsidiair

Om een uitlating te kunnen kwalificeren als beledigend, is noodzakelijk dat de belediger opzet heeft op de aanranding van iemands eer of goede naam. Gelet op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, de omstandigheid dat de naam van de aangever niet wordt genoemd en het feit dat de gebruikte woorden op zichzelf niet beledigend zijn, maakt dat het vereiste opzet bij de verdachte niet is komen vast te staan. De rechtbank zal op grond van het voorgaande de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 4 onder primair

De rechtbank dient te beoordelen (samengevat) of de verdachte de ten laste gelegde uitlatingen op sociale media heeft gedaan om de goede naam en eer van de aangever aan te randen, door de telastlegging van een bepaald feit met als doel hier ruchtbaarheid aan te geven. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte dit opzet heeft gehad. In de berichten is geen bepaald feit aan de aangever toegeschreven. De naam van de aangever is weliswaar in te tenlastelegging tussen haakjes achter de uitlatingen gezet, maar uit de uitlatingen zelf blijkt niet dat het om de aangever zou gaan. Daarnaast ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het grievend karakter van de uitlatingen. De stelling dat iemand onder behandeling staat bij een psycholoog of psychiater levert in zijn algemeenheid geen aantasting van de eer of goede naam op.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit en zal haar daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 4 onder subsidiair

Voor de ten laste gelegde uitlatingen, geldt ook hier dat de uitlatingen op zichzelf in zijn algemeenheid geen grievend karakter hebben. Daarnaast geldt dat de uitlatingen onvoldoende herleidbaar zijn naar de aangever. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat niet wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging en zal haar daarom ook vrijspreken van dit feit.

4.5.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016090252, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer Leidschendam /Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1-215).

1. Het proces-verbaal van aangifte verhoor van aangever [naam 1] , opgemaakt op 26 mei 2016, voor zover inhoudende (p. 3-6):


Ik wil aangifte doen van smaad/laster tegen mijn ex-vrouw genaamd [verdachte] geboren op [geboortedag] 1967. Zoals ik al reeds heb verteld lijd ik momenteel enorm. Dit heeft ook te maken met het feit dat [verdachte] iedereen betrekt in de situatie die alleen mij en haar aangaan.

2. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen 8, opgemaakt op 28 april 2016, voor zover inhoudende (p. 20 en 28):

(p. 20) Op 22 april 2016 zijn er diverse watsapp berichten verzonden naar de telefoon van de zoon van betrokkene [partner van aangever] . In deze berichten schrijft [verdachte] onder ander dat:

- [aangever] en zijn criminele vriendin haar voor twee ton hebben opgelicht;

- [aangever] al 6 jaar wordt behandeld voor persoonlijkheidsstoornissen;

- [verdachte] door oplichting van die wtee alles kwijt is;

- [aangever] haar geprobeerd heeft te vermoorden;

- [aangever] en pathologische leugenaar is.

(p. 28) Jouw moeder ( [partner van aangever] ) moet ophouden met haar criminele activiteiten of ik schakel de pers in. [aangever] wordt al zes jaar behandeld op de afdeling persoonlijkheidsstoornissen, heeft met je moeder mijn kinderen bij me weg laten halen en me voor meer dan 2 ton opgelicht. Hij zei: ik stop nooit tot

je zelfmoord pleegt. De man is een pathologische leugenaar;

3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 1 juli 2021, voor zover inhoudende: “Ik had dat niet moeten doen.”

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 3

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018119529, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer Leidschendam /Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 120-178).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] opgemaakt op 7 mei 2018 , voor zover inhoudende (p. 120-121):


"Pleegdatum/tijd: Tussen vrijdag 27 april 2018 om 11:00 uur en maandag 7 mei 2018 om 11:00 uur. Ik doe aangifte van smaad en laster tegen mijn ex vrouw [verdachte] Mijn vrouw heeft een boek geschreven genaamd: [naam 1]

met als ondertitel [naam 1] . Ik heb hiervoor een zaak aangespannen bij de rechter en er is een uitspraak geweest dat er een verkoopverbod is voor haar boek. Tevens geef ik u enkele krantenknipsels waarin het verkoopverbod van dit boek wordt beschreven. In deze krantenartikelen worden enkele facetten uit dit boek vermeld, wat ik zie als een ernstige aantasting van en een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van mij en mijn twee kinderen.

2. Een geschrift, te weten [naam 1] voor zover inhoudende (p. 50 van het boek):

Je bent mijn vrouw, [verdachte] ,' zegt hij. 'Als je bij me weggaat, zorg ik ervoor dat je de kinderen nooit meer ziet. Ik ontvoer ze naar Mexico. Ik zeg tegen iedereen dat je

gestoord bent, en je weet dat iedereen me altijd gelooft. Ik ga het huis nooit uit. Ik maak je financieel kapot en stop daar niet mee tot je zelfmoord pleegt.

3. Een geschrift, te weten een vonnis in kort geding van 3 mei 2018 van de Rechtbank Den Haag, team handel – voorzieningenrechter, [zaaknummer] , voor zover inhoudende:

2.3.

De achterzijde van het boek vermeldt verder:

Tot de dood ons scheidt is het schokkende verhaal van een moeder die strijdt voor haar kinderen en niet opgeeft. [verdachte] is jarenlang geterroriseerd door haar ex-man en op een geraffineerde wijze (gaslighting) geestelijk mishandeld.

4.7.

Dat er sprake is van ernstige beschuldigingen aan het adres van [aangever] wordt door de uitgever en [verdachte] niet betwist.

4.8.

Dergelijke beschuldigingen en uitlatingen dienen, gelet op voormelde conclusie dat het boek wordt gepresenteerd als waargebeurd verhaal, voldoende steun te hebben in feitenmateriaal. Daarvan is geen sprake. De door de uitgever en [verdachte] in dit geding overgelegde stukken kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 5

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019215976, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer Leidschendam/Voorburg, met bijlagen.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 3 augustus 2019, voor zover inhoudende:


"Ik doe aangifte van smaad/smaadschrift/laster/belediging door mijn ex-vrouw [verdachte] geboren [geboortdag] -1967 te [geboorteplaats] . Op 22 juli 2019 zag ik op Facebook dat mijn ex-vrouw een stuk had geplaatst op haar openbare profiel.

In dit stuk word ik beschuldigd dat ik mijn zoon mishandeld zou hebben.

Ook wordt ik ervan beschuldigd dat ik mijn dertienjarige zoon al maanden isoleer en opsluit, omdat hij wegliep vanwege huiselijk geweld en kindermishandeling bij mij thuis.

2. Een geschrift, te weten een facebookpagina [verdachte]

Mijn dertienjarige zoon wordt al maanden geïsoleerd en opgesloten omdat hij ongeveer vijftig keer wegliep vanwege huiselijk geweld en kindermishandeling bij zijn vader thuis.

Mijn zoon is nadat hij hulp zocht vanwege huiselijk geweld en kindermishandeling, niet naar huis durfde en door de emotionele pijn door ouderverstoting niet geholpen, maar gestraft. Hij is in een groot aantal instellingen opgesloten en geïsoleerd. Mijn zoon zit nog steeds vast en wordt vrijwel volledig van de rest van de wereld geïsoleerd. Hij krijgt verschillende therapieën er mag niet gesproken worden over de mishandeling en hij krijgt onder andere bij de Waag in het bijzijn van zijn vader en de jeugdbeschermer te horen dat hij moet leren naar zijn vader te luisteren.

4.6.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het onder dagvaarding I ten laste gelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezenverklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018437784, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 433).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 juli 2021;

2. Het proces-verbaal van verdenking, op 2 januari 2019 (p. 1-3);

3. Het proces-verbaal van bevindingen de Horizon, opgemaakt op 11 januari 2019 (p. 94-96);

4. De beschikking beëindiging gezag van de Rechtbank Den Haag d.d. 8 juni 2018 (p. 128-129);

5. De beschikking van het Gerechtshof Den Haag, d.d. 12 december 2018 (p. 134-136);

6. Het proces-verbaal van binnentreden in woning, opgemaakt op 13 januari 2019 (p. 239-240);

7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 januari 2019 (p. 241);

8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] , opgemaakt op 17 januari 2019 (p. 392-401).

4.7.

Bewijsoverwegingen

Het toetsingskader van smaad

Zoals hiervoor onder 4.3 al kort is uiteengezet, moet de rechtbank beoordelen of de verdachte aangever [aangever] opzettelijk in zijn eer en goede naam heeft aangerand door de telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Er is sprake van “een bepaald feit” wanneer het feit zo is ten laste gelegd dat het een concrete gedraging van de ander aanwijst. Het gaat hierbij dus niet om een eigenschap van de ander, maar om gedrag. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan. Wel moet dan uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat die mededeling is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.

Ten aanzien van dagvaarding II feit 1, primair en subsidiair

In de tenlastelegging worden drie categorieën uitlatingen genoemd: (1) de berichten aan [partner van aangever] en haar zoon, (2) de berichten aan [naam 2] , de werkgever van aangever, en (3) de berichten aan anderen via e-mail en/of social media.

Uit de aangifte blijkt dat de uitlatingen van categorie 3 zijn gedaan in de periode mei – juni 2014 (proces-verbaal nummer PL1500-2016090252, p. 4-5). Zoals hiervoor (onder 3.3) werd overwogen, is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de uitlatingen die zijn gedaan voor 26 februari 2016. Ten aanzien van categorie 3 is de officier van justitie dus niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de ten laste gelegde uitlatingen die de verdachte jegens [naam 1] , de huidige partner van de aangever, en haar zoon (categorie 1) is de officier van justitie slechts ontvankelijk ten aanzien van de WhatsApp-berichten die de verdachte op 22 april 2016 heeft verzonden naar de telefoon van de zoon van [partner van aangever] (p. 28). Deze WhatsApp-berichten zijn gestuurd naar de zoon van de nieuwe partner van de aangever, terwijl hij in het geheel niet betrokken was bij het conflict tussen de verdachte en aangever. De verdachte heeft in deze berichten allerlei beschuldigingen geuit over aangever, zonder dat zij een reden had om de zoon van [partner van aangever] daarmee te belasten. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de berichten worden afgeleid dat de verdachte deze berichten niet stuurde om het aan een breder publiek bekend te maken, maar omdat zij ten einde raad was met haar situatie (‘Beste [aangever] , ik verzoek jullie voor de laatste keer mijn huis te verlaten. (…) Ik stuur deze app door naar je stiefzoon omdat ik niet meer weet wat ik aan de grootse oplichting moet doen.). Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen dat het doel van de verdachte was om ruchtbaarheid te geven aan de beschuldigingen en is smaad niet bewezen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde uitlatingen die de verdachte jegens [naam 2] , de werkgever van aangever, heeft gedaan (categorie 2), is de officier van justitie slechts ontvankelijk ten aanzien van het e-mailbericht van de verdachte aan [naam 1] ( [naam 2] ) van [geboortedag] 2016 (p. 87). Nog los van het feit dat dit bericht niet wordt genoemd in de tenlastelegging, lijkt het ook bedoeld te zijn om de werkgever om hulp te vragen in een conflict dat was ontstaan tussen de verdachte en de aangever. Naar het oordeel van de rechtbank is daardoor niet voldaan aan het vereiste van verspreiding onder een breder publiek van willekeurige derden.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van dagvaarding II feit 1 onder subsidiair

Om een uitlating te kunnen kwalificeren als beledigend, is noodzakelijk dat de belediger opzet heeft op de aanranding van iemands eer of goede naam. Dat kan ook voorwaardelijk opzet zijn.

Ten aanzien van de WhatsApp-berichten aan de zoon van [partner van aangever] overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de context waarin de uitlatingen zijn gedaan en gezien de inhoud van deze berichten, waarin serieuze beschuldigingen worden geuit jegens aangever zonder dat daarvoor enige onderbouwing werd geleverd, was de kans aanmerkelijk te noemen dat aangever zich in zijn eer of goede naam aangetast zou voelen zodra hij op de hoogte zou raken van deze beschuldigingen. Door deze berichten te sturen naar een derde die niet betrokken was bij het conflict tussen de verdachte en aangever, heeft de verdachte bewust het risico aanvaard dat die kans zich zou verwezenlijken. Zij had redelijkerwijs moeten weten dat aangever door deze berichten beledigd zou zijn.

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde dan ook bewezen ten aanzien van deze berichten.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 3: het boek [(boek) die door verdachte is geschreven]

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in het door de verdachte geschreven boek [naam 1] smaad opleveren jegens de aangever. Het gaat hier immers, om het ten laste leggen van bepaalde feiten die aangever in een kwaad daglicht stellen, zoals het feit dat hij zou hebben gedreigd haar kinderen te ontvoeren naar Mexico. Dat de namen die in het boek van de verdachte zijn gebruikt, fictief zijn of dat de ondertitel van het boek is verzonnen door de uitgever, kan de verdachte niet helpen. In een van de hand van verdachte eerder verschenen boek, [naam 1] ” waarnaar in het onderhavige boek wordt verwezen, zijn de aangever en de kinderen van hem en verdachte immers wél bij naam genoemd. Hierdoor is eenvoudig te achterhalen over wie het boek gaat, ook als de lezer niet in direct verband staat met de aangever. Het verweer van de verdediging dat geen sprake is van aanranding van de eer of goede naam van de aangever omdat zijn echte naam niet is genoemd in het boek, verwerpt de rechtbank daarom.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van haar artistieke en literaire vrijheid, hetgeen het smadelijke karakter van het boek zou wegnemen. Zo wilde de verdachte met haar verhaal juist een maatschappelijke discussie uitlokken. De voorzieningenrechter heeft echter op 3 mei 2018 bevolen dat het betreffende boek uit de handel gehaald diende te worden, nu de inhoud van het boek belastend is voor de aangever en bovendien niet met feiten is onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover er al sprake is geweest van het laten uitlokken van een maatschappelijk debat, het hoofddoel van de verdachte is geweest het ruchtbaarheid geven aan de onvrede die zij heeft jegens de aangever.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte met haar boek gebruik heeft gemaakt van haar vrijheid van meningsuiting, zoals bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in het boek inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangever. De rechtbank erkent dat eenieder het recht heeft op vrijheid van meningsuiting en dat dit een groot goed is. Dit recht brengt echter niet alleen vrijheden met zich, maar ook verantwoordelijkheden en verplichtingen. Het is geen onbeperkt recht. De vrijheid van meningsuiting vindt zijn grens bijvoorbeeld in verschillende bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, zoals – in dit geval – het verbod op smaadschrift, die de verdachte met haar boek heeft overschreden. Gelet op het voorgaande, verwerpt de rechtbank het verweer.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 5

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich met de ten laste gelegde uitlating schuldig heeft gemaakt aan smaad. De uitlating betreft de telastlegging van een bepaald feit en tast de eer en goede naam van de aangever aan. De verdachte doet een concrete uitspraak over de veiligheid van haar zoon bij zijn vader thuis. Voorts heeft de verdachte deze uitlating gedeeld op haar Facebookprofiel, dat blijkens de door de aangever gemaakte schermafbeelding openbaar toegankelijk was. Dit betekent dat zij deze uitlating publiekelijk ten toon heeft gesteld aan een breder publiek van willekeurige derden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door de uitlating op haar openbare Facebookprofiel te plaatsen opzet had op het aantasten van de eer of goede naam van de aangever en het ruchtbaarheid geven daar aan. De verdediging heeft aangevoerd dat de uitlating in een bredere context moet worden gezien en dat de verdachte slechts aandacht heeft willen vragen voor de precaire situatie waarin haar zoon zich toen bevond. De rechtbank is van oordeel dat het de verdachte vrij stond om aandacht te vragen voor de situatie bij de politie of een andere hulpverleningsinstantie. In plaats daarvan heeft zij er bewust voor gekozen om de uitlating op haar openbare Facebookprofiel te doen, waar eenieder daarvan kennis kon nemen. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank is met betrekking tot het onder dagvaarding I ten laste gelegde feit en de onder dagvaarding II onder 1 subsidiair (partieel), 3 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

4.8.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

Dagvaarding I

zij in de periode van 23 december 2018 tot en met 13 januari 2019 in Nederland, opzettelijk een minderjarige, [zoon van partijen] , geboren op [geboortedag 2] 2005, heeft onttrokken en onttrokken gehouden aan het wettig over hem gesteld gezag

[aangever] en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem

uitoefende (Jeugdbescherming West), immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige meegenomen (naar een woning in Nieuwkoop) en

- voornoemde minderjarige (daar) ondergebracht en doen

verblijven en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en de

invloedssfeer van [aangever] en/of Jeugdbescherming West gebracht en

gehouden;

Dagvaarding II

1. subsidiair

zij op 22 april 2016 in Nederland, opzettelijk [aangever] schriftelijk heeft beledigd, immers heeft zij (met voormeld doel) aan [partner van aangever] ’s zoon onder meer medegedeeld:

-Jouw moeder ( [partner van aangever] ) moet ophouden met haar criminele activiteiten of ik schakel de pers in. [naam 1] wordt al zes jaar behandeld op de afdeling persoonlijkheidsstoornissen, heeft met je moeder mijn kinderen bij me weg laten halen en me voor meer dan 2 ton opgelicht. Hij zei: ik stop nooit tot je zelfmoord pleegt. De man is een pathologische leugenaar;

3.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 7 mei

2018 in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om

daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van een geschrift verspreid, immers heeft zij (met voormeld doel) een voor voornoemde [aangever] zeer belastend boek geschreven en laten uitgeven met de titel [(boek) die door verdachte is geschreven] waarin onder meer wordt gesteld dat verdachte jarenlang is geterroriseerd door haar ex-man en op een geraffineerde wijze (gaslighting) geestelijk is

mishandeld en waarin verdachte onder andere meedeelt dat haar ex-man

( [aangever] ) tegen haar zou hebben gezegd: "Je bent mijn vrouw [verdachte] . Als je bij

me weg gaat, dan zorg ik er voor dat je de kinderen nooit meer ziet. Ik

ontvoer ze naar Mexico. Ik zeg iedereen dat je gestoord bent. Ik maak je

financieel kapot en ga daar mee door totdat je zelfmoord pleegt. Je weet wat

je te doen staat";

5.

zij in de periode van 22 juli 2019 tot en met 3 augustus 2019 in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van een geschrift openlijk tentoongesteld, immers heeft zij (met voormeld doel) een bericht door middel van social media onder andere medegedeeld aan anderen dat:

- haar 13-jarige zoon al maanden wordt geïsoleerd en opgesloten omdat hij ongeveer 50 keer wegliep vanwege huiselijk geweld en kindermishandeling bij zijn vader ( [aangever] ) thuis.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, ten aanzien van het bij dagvaarding I tenlastegelegde, primair op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar het feit heeft gepleegd, maar dat sprake was van overmacht in de zin van een noodtoestand, waardoor het voor de verdachte onmogelijk was om anders te handelen dan zij heeft gedaan en zij derhalve geen strafbaar feit heeft gepleegd. De verdachte zag zich enerzijds geconfronteerd met het feit dat zij geen gezag had over haar zoon en anderzijds de gezondheid van haar zoon, die op het moment dat de verdachte het feit pleegde, in een noodsituatie verkeerde. De zoon van verdachte uitte zich suïcidaal en zou ook een suïcidepoging hebben gedaan, zat onder de blauwe plekken, was gevlucht uit de instelling waar hij op dat moment verkeerde en kon niet naar zijn vader wegens de onveilige situatie daar. Het was voor de verdachte niet mogelijk om anders te handelen dan zij heeft gedaan, nu de politie de verdachte al eerder heeft weggestuurd en Jeugdbescherming West het oordeel was toegedaan dat haar zoon gewoon bij zijn vader kon wonen.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodtoestand. Zo heeft de onttrekking aan het gezag van de zoon drie weken geduurd en heeft de verdachte tijdens die drie weken ruimschoots de tijd gehad om te overwegen of de onttrekking van haar zoon nog wel voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verder is de onttrekking niet ten einde gekomen door toedoen van de verdachte, maar door toedoen van de politie, die de verdachte en haar zoon uiteindelijk heeft weten op te sporen. De verdachte heeft andere mogelijkheden tot haar beschikking gehad, namelijk het zich wenden tot de politie, de jeugdzorg of de bijzondere curator van haar zoon. De omstandigheid dat de verdachte door eerdere ervaringen geen vertrouwen had in deze instanties, maakt niet dat sprake is van een noodsituatie.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Om te kunnen spreken van overmacht in de zin van noodtoestand is vereist dat sprake is van een conflict tussen onderling strijdige plichten en belangen waarbij de verdachte het zwaarstwegende belang heeft laten prevaleren en daardoor de wet overtreedt.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of sprake was van een noodtoestand. De rechtbank begrijpt dat een moeder zich geroepen kan voelen om op te komen voor het belang van haar kind als zij meent dat het kind schade wordt toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat op de avond van 23 december 2018 toen haar zoon [zoon van partijen] naar haar toe is gekomen en zij hem heeft meegenomen sprake was van een noodsituatie.

De stelling dat [zoon van partijen] zelfmoord zou hebben willen plegen door zijn polsen door te snijden, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Getuige [naam 1] is arts van beroep en heeft [zoon van partijen] diezelfde avond gezien, maar zij heeft hem niet onderzocht. Getuige [naam 1] heeft verklaard dat zij rode strepen zonder bloed op de armen van [zoon van partijen] heeft gezien. Uit het dossier blijkt echter ook dat [zoon van partijen] die avond over het hek van de instelling is geklommen toen hij naar zijn moeder vluchtte.

Daarnaast acht de rechtbank het opmerkelijk dat de gevaarlijke en onveilige situatie waarin de zoon van de verdachte zich zou bevinden, niet wordt ondersteund door verklaringen van onafhankelijke getuigen of deskundigen. De getuigen die de verklaringen van de verdachte bevestigen hebben hun wetenschap niet verkregen uit eigen waarneming, maar slechts uit wat de verdachte hen daarover heeft verteld. De rapportages die de verdachte aan het dossier heeft laten toevoegen zien op misstanden in jeugdinstellingen in algemene zin, maar bieden weinig aanknopingspunten om vast te kunnen stellen in welke situatie [zoon van partijen] verkeerde op de bewuste avond en op welke wijze dit een noodtoestand voor de verdachte zou vormen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet aannemelijk is geworden, dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een noodtoestand waar de verdachte op moest reageren door de wet te overtreden. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank concludeert dat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van psychische overmacht, vanwege de omstandigheden die zijn genoemd onder 5.1.

6.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hier bij de verdachte geen sprake van was. Uit gedragsdeskundig onderzoek van de deskundigen van het NIFP volgt wel dat de verdachte beperkt is in haar wilsvrijheid en de strafbare feiten haar in verminderde mate moeten worden toegerekend, maar daaruit blijkt eveneens dat de verdachte zich ervan bewust was dat zij anders had moeten handelen en dat haar primaire doel de zorg voor haar zoon was. Dit maakt dat zij voldoende wilsvrijheid heeft gehad om het ten laste gelegde feit niet te plegen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep op psychische overmacht bij de verdachte, gelet op de conclusies van de deskundigen van het NIFP zoals aangehaald door de officier van justitie, onvoldoende onderbouwd. Het verweer wordt verworpen. .

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 239 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor het bij dagvaarding I ten laste gelegde en vrijgesproken dient te worden van alle bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking aan het gezag van haar minderjarige zoon en het meermalen plegen van smaadschrift en een belediging jegens haar ex-man, de vader van haar kinderen.

De gepleegde feiten zijn voortgekomen uit een slepende vechtscheiding, waar de emoties bij alle partijen hoog zijn opgelopen. De verdachte heeft het welzijn van haar kinderen willen dienen, en in het bijzonder van haar jongste zoon [naam 1] . Daarbij heeft zij echter de grenzen van het betamelijke overschreden. De strafbare gedragingen van de verdachte hebben zich over een periode van meerdere jaren afgespeeld en de gemoederen zijn met de onttrekking aan het gezag van [zoon van partijen] tot een kookpunt gekomen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij de persoonlijke problemen die zij had met haar ex-partner publiekelijk heeft willen uitvechten, omdat ze daarmee ook de situatie voor haar kinderen, die ze zegt te willen beschermen, nog ingewikkelder en schrijnender heeft gemaakt. Hoewel de verdachte ter zitting heeft gezegd dat zij dit alles anders had moeten aanpakken, ziet de rechtbank ook dat zij de schuld vaak buiten zichzelf legt en anderen (met name haar ex-partner en instellingen als jeugdzorg en de jeugdbescherming) aanwijst als degenen die van dit alles de oorzaak zijn. Dit baart de rechtbank zorgen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 juni 2021, waar uit blijkt dat zij niet eerder werd veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van 22 maart 2019 (psycholoog Yntma) en 27 maart 2019 (psychiaters Roza en Passe) over de verdachte. De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische, histrionische en borderline trekken. Hierdoor is de verdachte beperkt in staat om een andere dan haar eigen waarheid te beschouwen. De vanuit haar persoonlijkheidsstoornis voortvloeiende verstoorde emotieregulatie en probleemoplossende vaardigheden hebben het mogelijk moeilijker voor haar gemaakt tot rationele keuzes te komen. De deskundigen adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De rapportages van de deskundigen zijn onderbouwd door een inzichtelijke en uitgebreide motivering. De rechtbank zal de adviezen daarom overnemen en de feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 11 januari 2021. De reclassering spreekt van een laag recidiverisico en concludeert dat reclasseringsbegeleiding slechts toegevoegde waarde kan hebben waar het gaat om het contact met de zoon van de verdachte. De reclassering acht het bereiken van gedragsverandering bij de verdachte niet mogelijk, gelet op haar proceshouding en het feit dat zij niet open staat voor forensische behandeling.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij acht een gevangenisstraf van 89 dagen passend en geboden, met aftrek van het voorarrest. Dat betekent dat de verdachte haar straf al in voorarrest heeft uitgezeten. De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat het gedeeltelijk oude feiten betreft. Verder weegt mee dat de feiten in verminderde mate aan haar worden toegerekend, dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, dat de verdachte zich langere tijd zonder problemen aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat de reclassering de kans op herhaling inschat als laag. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.

8 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert ten aanzien van dagvaarding I een schadevergoeding van €4.365,28, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit €2.865,28 aan materiële schade (reiskosten) en €1.500,00 aan immateriële schade.

[aangever] heeft zich ten aanzien van dagvaarding II als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partij toewijsbaar zijn, met uitzondering van de gevorderde reiskosten, nu er onvoldoende rechtstreeks verband is tussen het gepleegde feit en de schade. De officier van justitie vordert de toewijzing van de vordering tot een bedrag van €9.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, wegens de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van dagvaarding I

De rechtbank zal, voor zover de vordering ten aanzien van dagvaarding I betrekking heeft op de post reiskosten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de door de benadeelde partij gestelde schade (reiskosten naar een andere jeugdinstelling) niet zonder meer kan worden beschouwd als het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, nu zij van oordeel is dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van dagvaarding II

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 1, 3 en 5 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van €1.500,00, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 augustus 2019, omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de schade in elk geval uiterlijk op deze datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bij dagvaarding II onder 1 primair, 3 primair en 5 primair bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 261, 266 en 279 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de bij dagvaarding II onder 1 (primair en subsidiair) genoemde uitlatingen voor zover die zijn gedaan voor 26 februari 2016;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 1 (primair), 2 (primair en subsidiair) en 4 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I tenlastegelegde feit en de bij dagvaarding II onder 1 subsidiair, 3 primair en 5 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.8. bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1 subsidiair

eenvoudige belediging;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 3 primair

smaadschrift;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 5 primair

smaadschrift;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 89 (negenentachtig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van dagvaarding I niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van dagvaarding II gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 1.500,00, aan [aangever] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2019 tot de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van dagvaarding II voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van €1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is voldaan;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.W.E. de Ruiter, voorzitter,

mr. B.A. Sturm, rechter,

mr. J.J. Arts, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2021.

Bijlage 1

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I (09/842001-19)

zij in of omstreeks de periode van 23 december 2018 tot en met 13 januari

2019 te s-Gravenhage en/of te Nieuwkoop en/of (elders) in Nederland,

opzettelijk een minderjarige, [zoon van partijen] , geboren op [geboortedag 2] 2005, heeft

onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over hem gesteld gezag

( [aangever] ) en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem

uitoefende (Jeugdbescherming West), immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige meegenomen (naar een woning in Nieuwkoop) en/of

- voornoemde minderjarige (daar) vastgehouden en/of ondergebracht en/of doen

verblijven en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de

invloedssfeer van [aangever] en/of Jeugdbescherming West gebracht en/of

gehouden;

Dagvaarding II (09/837027-21)

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 2013

tot en met 22 april 2016 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever]

heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten,

met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van

geschriften verspreid en/of openlijk tentoongesteld,

immers heeft zij telkens (met voormeld doel)

aan een of meerdere personen en/of instanties te weten onder andere

aan [partner van aangever] en/of haar zoon onder meer medegedeeld dat:

-Hij ( [aangever] ) heeft gezegd me ( [verdachte] ) alles af te pakken: mijn kinderen, mijn

huis, me berooid achter te laten en mijn leven te verwoesten. Dat heeft hij

allemaal gedaan. Hij is dag en nacht bezig mij kapot te maken; (pag 21) en/of

-Psyq, waar [aangever] geholpen wordt op de afdeling persoonlijkheidstoornissen,

heeft het afgelopen jaar meerdere keren verzocht om onderzoek naar vader en

de ernstige zorgen om de kinderen aangegeven. Hier is niets mee gedaan. Er

zijn zowel waarschuwingen bij huisarts, jeugdzorg en jeugdformaat gedaan over

zorg om narcistisch misbruik, uitbuiting en kindermishandeling; (pag 22) en/of

-Ik kom inmiddels rond van 50 euro per week omdat [aangever] nog steeds

niet gediagnostiseerd is, als narcist ver boven zijn stand blijft wonen en

leven en zich nu al anderhalf jaar schuldig maakt aan ernstig parasitair

gedrag. De man heeft geen enkel ziektebesef; (pag 26) en/of

-Hij ( [aangever] ) weigert al 3 jaar het huis te verkopen en heeft mij afgeperst

met kinderbeschermende maatregelen ("als jij villa en school niet betaalt

regel ik een OTS en UHP"; (pag 27) en/of

-Jouw moeder ( [partner van aangever] ) moet ophouden met haar criminele activiteiten

of ik schakel de pers in. [aangever] wordt al zes jaar behandeld op de afdeling

persoonlijkheidsstoornissen, heeft met je moeder mijn kinderen bij me weg

laten halen en me voor meer dan 2 ton opgelicht. Hij zei: ik stop nooit tot

je zelfmoord pleegt. De man is een pathologische leugenaar; (pag 28). althans

(telkens) soortgelijke bewoordingen en/of

aan een of meer medewerkers van [naam 2] (werkgever van voornoemde [aangever] ) onder

meer medegedeeld dat:

-Zij, verdachte, zich ernstige zorgen over zijn ( [aangever] ) psychische

gezondheid maakt en/of dat [aangever] haar al zeer lange tijd bedreigt en ook geen

geld aan haar overmaakt (pag 81) en/of

-Voornoemde [aangever] haar, verdachte,

bedreigt, manipuleert en dat hij liegt en/of dat zij, verdachte, voornoemde

[aangever] al verschillende keren heeft gesmeekt om hulp te zoeken voor zijn

ernstige narcistische persoonlijkheid en dat zij nogmaals hulp vraagt van

[aangever] ' therapeut van de afdeling persoonlijkheidsstoornissen en zij hoopt dat

deze nu ingrijpt; (pag 83) en/of

-Haar, verdachtes, leven ernstig is ontregeld door [aangever] die

bij [naam 2] werkzaam is en/of dat ontelbare hulpverzoeken aan zijn therapeut bij

Psyq op de afdeling persoonlijkheidsstoornissen haar kinderen en haar

(verdachte) niet hebben geholpen en/of dat hij ( [aangever] ) eerder zijn andere ex

volledig kapot heeft gemaakt en/of dat hij ( [aangever] ) heeft geprobeerd haar

(verdachte) aan te zetten tot zelfmoord door bakken met pillen aan haar voor

te houden; (pag 84), althans (telkens) soortgelijke bewoordingen en/of

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere medegedeeld aan anderen

dat:

- die [aangever] haar zou uitbuiten, en/of

- zij vermoedt dat die [aangever] aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt en/of

- die [aangever] haar zou hebben afgeperst met kinderbeschermende maatregelen en/of

- [dochter van partijen] en [zoon van partijen] getreiterd worden door voornoemde [aangever] , zijnde

de vader van die [kinderen van partijen] en/of,

- haar, verdachte's, kind bang is voor die [aangever] en/of,

- de kinderen van die [aangever] geen medische zorg krijgen en/of,

- [dochter van partijen] door haar vader zonder eten wordt opgesloten in haar kamer en/of

- dat zij, verdachte, door die [aangever] is afgeperst, en/of die [aangever] haar,

verdachtes,

auto onveilig heeft gemaakt, en/of haar, verdachte, stalkte, en/of hackte,

en/of inbrak in haar,

verdachtes, woning, en/of haar, verdachte, heeft gechanteerd, en/of bedreigd

en/of haar en haar,

verdachtes, kinderen heeft mishandeld, althans (telkens) mededelingen met een

soortgelijke strekking/inhoud (pag 60-74)

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 2013

tot en met 22 april 2016 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk [aangever] schriftelijk heeft beledigd,

immers heeft zij telkens (met voormeld doel)

aan een of meerdere personen en/of instanties te weten onder andere

aan [partner van aangever] en/of haar zoon onder meer medegedeeld dat:

-Hij ( [aangever] ) heeft gezegd me ( [verdachte] ) alles af te pakken: mijn kinderen, mijn

huis, me berooid achter te laten en mijn leven te verwoesten. Dat heeft hij

allemaal gedaan. Hij is dag en nacht bezig mij kapot te maken; (pag 21) en/of

-Psyq. waar [aangever] geholpen wordt op de afdeling persoonlijkheidstoornissen,

heeft het afgelopen jaar meerdere keren verzocht om onderzoek naar vader en

de ernstige zorgen om de kinderen aangegeven. Hier is niets mee gedaan. Er

zijn zowel waarschuwingen bij huisarts, jeugdzorg en jeugdformaat gedaan over

zorg om narcistisch misbruik, uitbuiting en kindermishandeling; (pag 22) en/of

-Ik kom inmiddels rond van 50 euro per week omdat [aangever] nog steeds

niet gediagnostjseerd is, als narcist ver boven zijn stand blijft wonen en

leven en zich nu al anderhalf jaar schuldig maakt aan ernstig parasitair

gedrag. De man heeft geen enkel ziektebesef; (pag 26) en/of

-Hij ( [aangever] ) weigert al 3 jaar het huis te verkopen en heeft mij afgeperst

met kinderbeschermende maatregelen ("als jij villa en school niet betaalt

regel ik een OTS en UHP"; (pag 27) en/of

-Jouw moeder ( [partner van aangever] ) moet ophouden met haar criminele activiteiten

of ik schakel de pers in. [aangever] wordt al zes jaar behandeld op de afdeling

persoonlijkheidsstoornissen, heeft met je moeder mijn kinderen bij me weg

laten halen en me voor meer dan 2 ton opgelicht. Hij zei: ik stop nooit tot

je zelfmoord pleegt. De man is een pathologische leugenaar; (pag 28), althans

(telkens) soortgelijke bewoordingen en/of

aan een of meer medewerkers van [naam 2] (werkgever van voornoemde [aangever] ) onder

meer medegedeeld dat:

-Zij, verdachte, zich ernstige zorgen over zijn ( [aangever] ) psychische

gezondheid maakt en/of dat [aangever] haar al zeer lange tijd bedreigt en ook geen

-Voornoemde [aangever] haar, verdachte, bedreigt, manipuleert en dat hij liegt

en/of dat zij, verdachte, voornoemde [aangever] al verschillende keren heeft

gesmeekt om hulp te zoeken voor zijn ernstige narcistische persoonlijkheid en

dat zij nogmaals hulp vraagt van [aangever] ' therapeut van de afdeling

persoonlijkheidsstoornissen en zij hoopt dat deze nu ingrijpt; (pag 83)

-Haar, verdachtes, leven ernstig is ontregeld door [aangever] die

bij [naam 2] werkzaam is en/of dat ontelbare hulpverzoeken aan zijn therapeut bij

Psyq op de afdeling persoonlijkheidsstoornissen haar kinderen en haar

(verdachte) niet hebben geholpen en/of dat hij ( [aangever] ) eerder zijn andere ex

volledig kapot heeft gemaakt en/of dat hij ( [aangever] ) heeft geprobeerd haar

(verdachte) aan te zetten tot zelfmoord door bakken met pillen aan haar voor

te houden; (pag 84), althans (telkens) soortgelijke bewoordingen en/of

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere medegedeeld aan anderen

dat:

- die [aangever] haar zou uitbuiten,

- zij vermoedt dat die [aangever] aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt en/of

- die [aangever] haar zou hebben afgeperst met kinderbeschermende maatregelen en/of

- [kinderen van partijen] getreiterd warden door voornoemde [aangever] . zijnde

de vader van die [kinderen van partijen] en/of,

- haar, verdachte's, kind bang is voor die [aangever] en/of,

- de kinderen van die [aangever] geen medische zorg krijgen en/of,

- [dochter van partijen] door haar vader zonder eten wordt opgesloten in haar kamer en/of

- dat zij, verdachte, door die [aangever] is afgeperst, en/of die [aangever] haar,

verdachtes,

auto onveilig heeft gemaakt, en/of haar, verdachte, stalkte, en/of hackte,

en/of inbrak in haar,

verdachtes, woning, en/of haar, verdachte, heeft gechanteerd, en/of bedreigd

en/of haar en haar,

verdachtes, kinderen heeft mishandeld, althans (telkens) mededelingen met een

soortgelijke strekking/inhoud (pag 60-74)

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2017

tot en met 12 augustus 2017 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever]

heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten,

met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van

geschriften verspreid en/of openlijk tentoongesteld,

immers heeft zij telkens (met voormeld doel)

aan een of meerdere personen en/of instanties te

weten onder andere aan het [dagblad] onder meer heeft medegedeeld dat

haar ex-man ( [aangever] ) haar (verdachte) jarenlang heeft bedreigd dat hij haar

volledig kapot zou maken na een eventuele scheiding, dat hij er voor zou

zorgen dat zij haar kinderen nooit meer zou zien, dat zij dakloos zou worden

en failliet zou gaan en dat hij nooit zou stoppen haar leven kapot te maken

tot zij zelfmoord zou plegen, ondanks waarschuwingen aan de instanties van

Psyq, waar hij jaren behandeld werd en wordt op de afdeling

persoonlijkheidsstoornissen dat er onderzoek gedaan moest warden naar zijn

gedrag en/of dat zij (verdachte) alles is kwijtgeraakt door narcistisch

misbruik waar nooit onderzoek naar is gedaan (pag 22), althans mededelingen in

soortgelijke bewoordingen en/of

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere (in de Engelse taal)

medegedeeld aan anderen dat zij haar beide kinderen is kwijtgeraakt aan de

'abusive father of kids" ( [aangever] ) (pag 19), althans mededelingen in

soortgelijke bewoordingen;

Subsidiair, indien het vorenstaande met tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2017

tot en met 12 augustus 2017 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk [aangever] schriftelijk heeft beledigd,

immers heeft zij telkens aan een of meerdere personen en/of instanties te

weten onder andere aan het [dagblad] onder meer heeft medegedeeld dat

haar ex-man ( [aangever] ) haar (verdachte) jarenlang heeft bedreigd dat hij haar

volledig kapot zou maken na een eventuele scheiding. Dat hij er voor zou

zorgen dat zij haar kinderen nooit meer zou zien, dat zij dakloos zou warden

en failliet zou gaan en dat hij nooit zou stoppen haar leven kapot te maken

tot zij zelfmoord zou plegen, ondanks waarschuwingen aan de instanties van

Psyq, waar hij jaren behandeld werd en wordt op de afdeling

persoonlijkheidsstoornissen dat er onderzoek gedaan moest warden naar zijn

gedrag en/of dat zij alles is kwijtgeraakt door narcistisch misbruik waar

nooit onderzoek naar is gedaan (pag 22), althans mededelingen in soortgelijke

bewoordingen en/of

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere (in de Engelse taal)

medegedeeld aan anderen dat zij haar beide kinderen is kwijtgeraakt aan de

'abusive father of kids" ( [aangever] ) (pag 19), althans mededelingen in

soortgelijke bewoordingen;

3.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 7 mei

2018 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand door

telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om

daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid en/of

openlijk tentoongesteld,

immers heeft zij (met voormeld doel) een voor

voornoemde [aangever] zeer belastend boek geschreven en/of laten uitgeven met de

titel "Tot de dood ons scheidt" en als ondertitel "Leven met een wraakzuchtige

ex" waarin onder meer wordt gesteld dat verdachte jarenlang is geterroriseerd

door haar ex-man en op een geraffineerde wijze (gaslighting) geestelijk is

mishandeld en/of waarin verdachte onder andere meedeelt dat haar ex-man

( [aangever] ) tegen haar zou hebben gezegd: "Je bent mijn vrouw [verdachte] . Als je bij

me weg gaat, dan zorg ik er voor dat je de kinderen nooit meer ziet. Ik

ontvoer ze naar Mexico. Ik zeg iedereen dat je gestoord bent. Ik maak je

financieel kapot en ga daar mee door totdat je zelfmoord pleegt. Je weet wat

je te doen staat", althans soortgelijke bewoordingen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 7 mei

2018 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk [aangever] schriftelijk heeft beledigd,

immers heeft zij een voor voornoemde [aangever] zeer belastend boek geschreven

en/of laten uitgeven met de titel "Tot de dood ons scheidt" en als ondertitel

"Leven met een wraakzuchtige ex" waarin onder meer wordt gesteld dat verdachte

jarenlang is geterroriseerd door haar ex-man en op een geraffineerde wijze

(gaslighting) geestelijk is mishandeld en/of waarin verdachte onder andere

meedeelt dat haar ex-man ( [aangever] ) tegen haar zou hebben gezegd: "Je bent mijn

vrouw [verdachte] . Als je bij me weg gaat, dan zorg ik er voor dat je de kinderen

nooit meer ziet. Ik ontvoer ze naar Mexico. Ik zeg iedereen dat je gestoord

bent. Ik maak je financieel kapot en ga daar mee door totdat je zelfmoord

pleegt. Je weet wat je te doen staat", althans soortgelijke bewoordingen;

4.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2018 tot en met 6

december 2018 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft

aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten,

met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van

geschriften verspreid en/of openlijk tentoongesteld,

immers heeft zij telkens (met voormeld doel)

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere medegedeeld aan anderen

dat:

- een onderzoek gevraagd is naar narcistisch misbruik en uitbuiting van moeder

en kinderen (door voornoemde [aangever] ) door Psyq, waar vader behandeld wordt op

de afdeling persoonlijkheidsproblematiek (bericht 31) en/of

- de vader zegt dat zijn zoon borderliner is net als zijn moeder, omdat hij na

mishandeling wegloopt naar zijn moeder (bericht 35), althans (telkens)

mededelingen in soortgelijke bewoordingen heeft verspreid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2018

tot en met 6 december 2018 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk [aangever] schriftelijk heeft beledigd,

immers heeft zij telkens (met voormeld doel)

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere medegedeeld aan anderen

dat:

- een onderzoek gevraagd is naar narcistisch misbruik en uitbuiting van moeder

en kinderen (door voornoemde [aangever] ) door Psyq, waar vader behandeld wordt op

de afdeling persoonlijkheidsproblematiek (bericht 31) en/of

- de vader zegt dat zijn zoon borderliner is net als zijn moeder, omdat hij na

mishandeling wegloopt naar zijn moeder (bericht 35), althans (telkens)

mededelingen in soortgelijke bewoordingen heeft verspreid;

5.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2019 tot en met 3 augustus

2019 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand door

telastlegging van een of meer bepaalde feiten,

met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van

geschriften verspreid en/of openlijk tentoongesteld,

immers heeft zij telkens (met voormeld doel)

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere medegedeeld aan anderen

dat:

- haar 13-jarige zoon al maanden wordt geïsoleerd en opgesloten omdat hij

ongeveer 50 keer wegliep vanwege huiselijk geweld en kindermishandeling bij

zijn vader [aangever] ) thuis, althans (telkens) mededelingen in soortgelijke

bewoordingen heeft verspreid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2019

tot en met 3 augustus 2019 te Wassenaar en/of Voorschoten, en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk [aangever] schriftelijk heeft beledigd,

immers heeft zij telkens

middels een of meerdere berichten door middel van onder meer email en/of

social media (zoals Google + en Facebook) onder andere medegedeeld aan anderen

dat:

- haar 13-jarige zoon al maanden wordt geïsoleerd en opgesloten omdat hij

ongeveer 50 keer wegliep vanwege huiselijk geweld en kindermishandeling bij

zijn vader [aangever] ) thuis, althans (telkens) mededelingen in soortgelijke

bewoordingen heeft verspreid;