Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7403

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
20/5730
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeid als zelfstandige. Niet ingeschreven in de KvK. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/5730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

In het besluit van 8 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘arbeid als zelfstandige bij Unsal Cooking’ afgewezen.

In het besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1974 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op
20 februari 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’. Bij zijn aanvraag heeft hij de volgende stukken overgelegd:

  • -

    Een ondernemingsplan ‘Unsal Cooking’ (ongedateerd);

  • -

    Een bijlage antecedentenverklaring van 20 februari 2020;

  • -

    Een kopie van zijn paspoort.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en ook niet van het mvv-vereiste kan worden vrijgesteld. Eiser staat niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en zijn ondernemingsplan is onvolledig, summier en niet onderbouwd. De vereisten voor toelating voor het verrichten van arbeid als zelfstandige zijn niet in strijd met de standstill-bepaling. Zijn beroep op artikel 8 van het EVRM1 heeft eiser niet onderbouwd.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij wel voldoet aan de vereisten van de vergunning en daarom moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verder staat in de aanvraag niet dat inschrijving bij de KvK een vereiste is en uit niets volgt dat het marktonderzoek door een deskundige moet worden uitgevoerd. Verweerder heeft geen volledige en voldoende belangenafweging verricht. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het aan hem uitgevaardigde terugkeerbesluit is onvoldoende gemotiveerd. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet gehoord in bezwaar.

4. Verweerder voert aan dat zowel uit de aanvraag als uit het beleid volgt welke stukken van eiser verlangd worden. Eiser staat niet ingeschreven bij de KvK en reeds daarom is de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep op artikel 4:84 van de Awb, noch het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt, nu eiser die niet nader heeft onderbouwd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder in redelijkheid kan verlangen dat de aanvrager de volgens zijn beleid vereiste stukken overlegt, mits deze daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.2 Dit betekent dat verweerder naast een ondernemingsplan opgesteld door een deskundige meer stukken ter onderbouwing van eisers aanvraag kan verlangen. Op het aanvraagformulier, in bijlage 8aa bij het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en met name in paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is voldoende duidelijk vermeld welke bewijsmiddelen bij de aanvraag moeten worden overgelegd.

In het primaire besluit is bovendien door verweerder gemotiveerd uiteengezet welke bewijsmiddelen ontbreken en op welke onderdelen het ondernemingsplan tekortschiet. Desondanks heeft eiser noch in bezwaar, noch in beroep aangetoond dat hij is ingeschreven bij de KvK. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser reeds hierom niet voldoet aan de vereisten van de aanvraag en hij dus niet van het mvv-vereiste kan worden vrijgesteld.

6. De rechtbank stelt vast dat de overige beroepsgronden een herhaling betreffen van de gronden die eiser eerder in bezwaar heeft aangevoerd. Verweerder is hier in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op ingegaan. Nu eiser in beroep niet nader heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de gronden in bezwaar niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

7. Voorts heeft verweerder op grond van artikel 62 van de Vw aan eiser een vertrektermijn van vier weken opgelegd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het aan eiser is om omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen op grond waarvan van deze wettelijke termijn zou moeten worden afgeweken. Daarin is eiser niet geslaagd.

8. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
9 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3922.