Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
C/09/576703 / FA RK 19-5112
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, verhuizing, verwijzing naar de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 19-5112

Zaaknummer: C/09/576703

Datum beschikking: 11 maart 2021

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 5 juli 2019 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. B.L. Lok te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

thans wonende te [woonplaats 2] (voorheen te [woonplaats 3] )

advocaat: mr. R.T.Ph. Jacobs te Amsterdam.

Procedure

Bij beschikking van 1 november 2019 van deze rechtbank is, dan wel zijn, voor zover hier van belang:

  • -

    ouders doorverwezen naar (De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling

  • -

    een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de minderjarige bij de vader zal zijn:

- in de ene week van vrijdagochtend 09:00 uur tot zondag 18:00 uur (inclusief avondeten), waarbij de vader [voornaam minderjarige] op vrijdag ophaalt bij de moeder en de moeder haar op zondag bij de vader ophaalt; en

- in de andere week van woensdagochtend 10:00 uur tot vrijdagavond 19:00 uur, waarbij de moeder [voornaam minderjarige] op woensdag naar de vader brengt en de vader haar op vrijdag weer terugbrengt bij de moeder;

  • -

    een door de vader aan de moeder met ingang van 1 november 2019 te betalen voorlopige kinderalimentatie bepaald (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 175,-- per maand,

  • -

    iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (inclusief dwangsommen), de hoofdverblijfplaats, de informatieregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

  • -

    een bericht van Jeugdformaat dat het traject ouderschapsbemiddeling op 12 mei 2020 is gestart;

  • -

    het f9-formulier van 17 november 2020 van de zijde van de vader;

  • -

    het f9-formulier van 13 januari 2021 van de zijde van de moeder met bijlagen;

  • -

    het wijzigingsverzoekschrift tevens inhoudende een aanvullend verzoekschrift van de vader;

  • -

    het f9-formulier van 19 januari 2021 van de zijde van de moeder met bijlagen;

  • -

    het f9-formulier van 21 januari 2021 van de zijde van de vader met bijlagen

Op 21 januari 2021 is de zaak ter digitale zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen vergezeld van hun advocaten en de heer [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer zoals dat thans luidt

De vader heeft zijn verzoek gewijzigd en heeft thans – enigszins verkort weergeven - in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

I

primair

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vast te stellen bij de vader;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van ieder der ouders vast te stellen, in die zin dat de minderjarige bij de moeder zal zijn:

 om de week, waarbij geldt dat de moeder de minderjarige na haar omgangsweek met haar op vrijdag om 17:00 uur bij de vader thuisbrengt en dat de vader de minderjarige na zijn omgangsweek met haar op vrijdag om 17:00 uur bij de moeder thuisbrengt, waarbij de bedoeling is dat de minderjarige bij de vader verblijft in de weken dat zijn andere dochter [naam dochter] ook bij hem verblijft

 de helft van de algemeen erkende feestdagen, zulks in goed overleg te verdelen;

 op moederdag, waarbij geldt dat – indien moederdag in de omgangsweek van de vader valt – de omgangsweek van de moeder wordt verlengd met het weekend waarin moederdag valt, waarbij hetzelfde geldt voor de vader op vaderdag en wanneer vaderdag in de omgangsweek van de moeder valt;

 op de verjaardag van moeder, waarbij geldt dat de minderjarige op de verjaardag van de vader bij de vader verblijft;

dit op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;

althans subsidiair:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vast te stellen bij de moeder, waarbij de moeder uiterlijk binnen één maand dient terug te verhuizen naar (de directe omgeving van) [woonplaats 1] , waarbij als de moeder hiertoe niet overgaat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige onmiddellijk zal wijzigen naar dat van de vader, met bevel tot afgifte en zo nodig met uitvoering met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en subsidiair op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;

  • -

    een zorgregeling vast te stellen, indien de moeder is terugverhuisd, in die zin dat de minderjarige bij de vader zal zijn:

- om de week, waarbij geldt dat de vader de minderjarige na zijn omgangsweek met haar op vrijdag om 17:00 uur bij de moeder thuisbrengt en dat de moeder de minderjarige na haar omgangsweek met haar op vrijdag om 17:00 uur bij de vader thuisbrengt, waardoor de minderjarige verblijft bij de vader in de weken dat zijn andere dochter [naam dochter] ook bij hem verblijft;

- de helft van de algemeen erkende feestdagen, zulks in goed overleg te verdelen;

- op vaderdag, waarbij geldt dat – indien vaderdag in de omgangsweek van de moeder valt – de omgangsweek van de vader wordt verlengd met het weekend waarin vaderdag valt, waarbij hetzelfde geldt voor moederdag en wanneer moederdag in de omgangsweek van de vader valt;

- op de verjaardag van vader;

op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;

althans: een zorgregeling vast te stellen met een zo hoog mogelijke frequentie als de rechtbank juist acht;

althans meer subsidiair indien de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarige zonder voorwaarden bij de moeder bepaalt een zorgregeling vast te stellen in die zin dat de minderjarige bij de vader verblijft:

- om de week, waarbij geldt dat de vader de minderjarige na zijn omgangsweek met haar op vrijdag om 17:00 uur naar de aan partijen bekende parkeerplaats in [plaats 1] toebrengt en de moeder haar daar ophaalt en dat de moeder de minderjarige na haar omgangsweek met haar op vrijdag om 17:00 uur bij de vader thuisbrengt, waardoor de minderjarige verblijft bij de vader in de weken dat zijn andere dochter [naam dochter] ook bij hem verblijft;

- de helft van de algemeen erkende feestdagen, zulks in goed overleg te verdelen;

- op vaderdag, waarbij geldt dat – indien vaderdag in de omgangsweek van de moeder valt – de omgangsweek van de vader wordt verlengd met het weekend waarin vaderdag valt, waarbij hetzelfde geldt voor moederdag en wanneer moederdag in de omgangsweek van de vader valt;

- op de verjaardag van vader;

op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;

althans: een zorgregeling vast te stellen met een zo hoog mogelijke frequentie als de rechtbank juist acht;

II

en een informatie- en consultatieregeling vast te stellen over alle belangrijke zaken aangaande de minderjarige, zoals daar in elk geval zijn, dan wel zullen zijn:

 de ontwikkeling;

 de gezondheid en medische zaken

 verblijf gedurende vakanties of anderszins binnen of buiten Nederland;

althans subsidiair:

een informatie- en consultatieregeling vast te stellen zoals de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vader, althans tot het geven van een (tussen)beschikking zoals de rechtbank juist acht.

Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht om:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de moeder en te bepalen dat [voornaam minderjarige] in de basisregistratie personen bij de moeder wordt ingeschreven, althans dat er een (tussen) beschikking wordt gegeven zoals de rechtbank juist acht;

- vaststelling van kinderalimentatie van € 182,-- per maand met ingang van 16 september 2019;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft daartegen verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats

Kernpunt van het geschil tussen ouders is de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] .

Ten tijde van de vorige mondelinge behandeling speelde dit ook al een rol. Daarbij is (kort weergegeven) van belang dat ouders hebben samengewoond in [woonplaats 1] en dat de moeder na het verbreken van de relatie met [voornaam minderjarige] naar haar ouders in [woonplaats 3] is verhuisd. De vader was het hier niet mee eens. Hij wil, net als dat hij dat met zijn oudste dochter uit een eerdere relatie heeft, een zorgregeling bij helfte. Ten tijde van de tussenbeschikking van 1 november 2019 zijn ouders naar ouderschapsbemiddeling van Jeugdformaat verwezen. Daarnaast heeft de rechtbank onder meer overwogen:

Zoals ter zitting met ouders besproken zal de rechtbank, gelet op het belang van [voornaam minderjarige] , beslissen over een tijdelijke zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie. De overige (definitieve) beslissingen zullen worden aangehouden, zulks in afwachting van het resultaat van ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal om die reden ook nog geen beslissing nemen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] . Zoals ter zitting besproken gaat de rechtbank ervan uit dat de feitelijke situatie in stand wordt gehouden tot hierop definitief wordt beslist.

De feitelijke situatie was aldus dat [voornaam minderjarige] nog op het adres van de vader (het voormalig gezamenlijk adres) staat ingeschreven, maar dat zij bij haar moeder en diens ouders (haar grootouders) verbleef. Verder is bij beschikking van 1 november 2019 een tijdelijke zorgregeling en kinderalimentatie bepaald zoals hierboven onder de feiten weergegeven. Bij die zorgregeling is onder meer rekening gehouden met de reistijd tussen ouders.

De gesprekken in het kader van ouderschapsbemiddelingstraject zijn in zoverre succesvol, dat inmiddels de communicatie tussen ouders is verbeterd en dat zij zich beiden houden aan de afspraken omtrent de huidige zorgregeling. Struikelblok is echter de vraag wat [voornaam minderjarige] ’s hoofdverblijf zal zijn – en welke zorgregeling zal gaan gelden – vanaf het moment dat zij vier jaar is en naar school zal gaan. Vanaf die leeftijd is, gelet op de reisafstand, de huidige zorgregeling niet meer mogelijk. Mede op advies van Jeugdformaat is daarom om een mondelinge behandeling verzocht waarbij de verwachting is dat zodra er een definitieve beslissing op de hoofdverblijfplaats is gegeven (en daarmee ook vaststaat in welke omgeving [voornaam minderjarige] naar school gaat), ouders binnen het traject verder kunnen met het maken van afspraken op de andere onderwerpen. Indien er geen beslissing komt op de hoofdverblijfplaats is vanuit Jeugdformaat aangegeven dat zij zich enkel kunnen richten op het vastleggen van de huidige afspraken omtrent de zorgregeling totdat [voornaam minderjarige] vier jaar is.

Ter zitting is door de ouders bevestigd dat zij bovenal een beslissing wensen over het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige] . Zij verwachten, conform het genoemde advies, vervolgens samen nadere afspraken te kunnen maken. De advocaat van de moeder heeft ter zitting laten weten dat in dit kader een raadsonderzoek hem (ook) wenselijk voorkomt. Dan kan door professionals worden bekeken welke hoofdverblijfplaats, zorgregeling en informatie- en consultatie regeling het meest in het belang van [voornaam minderjarige] is.

De moeder is na de vorige beschikking verhuisd naar [woonplaats 2] en wenst dat dit ook de hoofdverblijfplaats voor [voornaam minderjarige] wordt. Zij woont daar samen met haar huidige partner en is in verwachting. Volgens de moeder was het erg lastig om een woning te vinden. In [woonplaats 2] was dit makkelijker. Haar partner komt bovendien uit [woonplaats 2] en het is maar een half uur rijden van haar ouders in [woonplaats 3] . De vader wist volgens de moeder dat zij van plan was om een andere woning te zoeken en dat zij daarbij nooit de intentie had om terug te keren naar [woonplaats 1] . De vader heeft daar nooit bezwaar tegen gemaakt. De moeder heeft er verder op gewezen dat zij tot eind juli 2021 verlof zal hebben van haar werk. Na afloop hiervan zal zij haar werkduur verkorten van vier naar drie dagen. Op die manier heeft zij meer tijd voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] ; de vader werkt immers fulltime waardoor de zorg alsdan meer door derden wordt gedaan. De moeder heeft daarbij altijd het grootste deel van de zorg op zich genomen.

De vader is het niet eens met de verhuizing van moeder naar [woonplaats 2] . Hij betwist dat hij hiermee heeft ingestemd. De moeder heeft hem enkel medegedeeld dat zij de sleutel had gekregen van een woning in [woonplaats 2] . Volgens de vader had de moeder daarbij geen enkele noodzaak om naar [woonplaats 2] te verhuizen. Zij heeft hem al doende met de rug tegen de muur gezet. Zowel de uitvoering van de huidige regeling, als de vaststelling van de toekomstige regeling, is daardoor complex geworden. De vader kan niet de kant van de moeder op verhuizen, omdat hij binnen 16 kilometer van [woonplaats 1] moet blijven wonen, gelet op de zorgregeling die is afgesproken voor zijn oudste dochter. De moeder kan echter wel weer (in de buurt) van [woonplaats 1] komen wonen. Daarmee is een zorgregeling bij helfte – ook op het moment dat [voornaam minderjarige] naar school zal gaan - weer mogelijk. Bij een dergelijke regeling kan [voornaam minderjarige] dan zowel haar moeder als haar toekomstige broertje geregeld zien, alsook haar vader en haar zus. Ook overigens, als de moeder niet in de buurt komt wonen, zal de vader een zo uitgebreid mogelijke zorgregeling niet in de weg staan.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat ouders op grond van artikel 1:253a van het BW in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover kunnen voorleggen aan de rechtbank. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De ouders kunnen onder andere een beslissing vragen over de hoofdverblijfplaats van het kind. De rechtbank zal een beslissing nemen waarbij de belangen van [voornaam minderjarige] voorop staan.

Allereerst overweegt de rechtbank dat zij zich voldoende voorgelicht acht en, net als de raadsmedewerker ter zitting, geen aanleiding ziet voor een raadsonderzoek. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat de kernproblematiek tussen de ouders niet wordt opgelost met zo’n onderzoek. De sleutel ligt hier in de communicatie tussen de ouders, waaraan reeds werd gewerkt bij de ouderschapsbemiddeling.

Door naar [woonplaats 2] te verhuizen, heeft de moeder de vader voor een voldongen feit geplaatst. Dit heeft er ook toe geleid dat de spanningen tussen de ouders zijn opgelopen, terwijl zij juist bij ouderschapsbemiddeling stappen hadden gezet in verbetering hiervan.

Door de verhuizing van de moeder met [voornaam minderjarige] van [woonplaats 3] naar [woonplaats 2] , is de afstand tussen de verblijfplaatsen van de ouders verder vergroot. Dit bemoeilijkt niet alleen de uitvoering van de huidige zorgregeling en de vaststelling van een daarop gelijkende toekomstige regeling, maar betekent ook dat beide ouders, en in het bijzonder [voornaam minderjarige] , worden geconfronteerd met een (relatief) lange(re) reistijd. In de vorige beschikking is niet voor niets reeds overwogen dat de toen geldende situatie, waarbij de vader in [woonplaats 1] verbleef en de moeder in [woonplaats 3] verbleef, diende te worden gehandhaafd. Door zonder nadrukkelijke instemming van de vader of zonder vervangende toestemming van de rechter te verhuizen, heeft de moeder niet in het belang van [voornaam minderjarige] gehandeld. De rechtbank acht dit kwalijk. Een serieuze poging van de moeder om met de vader tot overeenstemming te komen over de door haar gewenste verhuizing, waarbij zij rekenschap gaf van de gevolgen hiervan, had voor de rechtbank een indicatie kunnen zijn van haar intentie om ten behoeve van [voornaam minderjarige] een goede ouderschapsrelatie met de vader te onderhouden, inclusief het contact met [voornaam minderjarige] . Dat is immers wat van de moeder moet worden gevergd. Helaas is dat hier niet gebeurd en dat weegt de rechtbank dan ook – onder verwijzing naar de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation - ten nadele van de moeder mee in haar beslissing. Nu de rechtbank niet is gebleken van enige contra-indicaties voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de vader, komt zij tot de volgende beslissing.

De rechtbank acht het gelet op hiervoor overwogene in het belang van [voornaam minderjarige] dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben. Op die manier is een uitgebreide zorgregeling met beide ouders, haar halfzus en haar toekomstige halfbroertje het meest gewaarborgd. Het onder I primair verzochte verzoek van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij hem zal daarom worden toegewezen, zulks onder afwijzing van het zelfstandig verzoek van de moeder. Het meer subsidiaire en het subsidiaire verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is gelet op het vorenstaande niet meer aan de orde.

Zorgregeling, informatie- en consultatieregeling, dwangsom, kinderalimentatie en proceskosten

Zoals reeds overwogen, verloopt de huidige zorgregeling goed. De ouders houden zich aan de afspraken. Ongeacht dat de hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald, acht de rechtbank het van belang dat deze zorgregeling vooralsnog wordt gehandhaafd in afwachting van de resultaten van ouderschapsbemiddeling. Immers, nu de rechtbank definitief beslist op de hoofdverblijfplaats, gaat zij er vanuit dat de beide ouders, zoals ter zitting besproken, zich weer zullen wenden tot Jeugdformaat om daar (nadere) afspraken te maken over de zorgregeling. Dit dus zowel ten aanzien vanaf het moment dat [voornaam minderjarige] naar school zal gaan, als de huidige situatie. Voor wat betreft de informatie- en consultatieregeling, alsook de kinderalimentatie, verwacht de rechtbank dat de ouders hierover ook (nadere) afspraken zullen maken bij Jeugdformaat. De ouders dienen er daarbij aan te werken om - zoals ook in de vorige beschikking is overwogen - tot een ouderschapsplan te komen, waarin de gemaakte afspraken worden opgenomen. Een en ander betekent dat de voorlopige regelingen zoals vastgesteld bij beschikking van 1 november 2019 nog altijd van toepassing zijn.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de kinderalimentatie aanhouden als na te melden, in afwachting van het traject ouderschapsbemiddeling. Dit geldt ook voor iedere verdere beslissing (aldus behoudens die reeds is genomen over de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] ). Om onduidelijkheden te voorkomen zal de rechtbank ten slotte de zogenaamde lus die in de tussenbeschikking van 1 november 2019 ook was opgenomen weer in het dictum herhalen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige:

- [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij haar;

*

houdt de beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de kinderalimentatie pro forma aan tot 1 oktober 2021 in afwachting van de resultaten van het reeds ingezette traject Ouderschapsbemiddeling bij Kenniscentrum Kind en Scheiding;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres] , [postcode] [plaats 2] ;

bepaalt overeenkomstig de beschikking van 1 november 2019 dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;

bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (inclusief dwangsommen), de informatie- en consultatieregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.M. Vingerling, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Berkel als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van

11 maart 2021.