Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
21/627 en 21/698
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beklag tegen inbeslagname ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (EOB). Overschrijding termijnen EOB-richtlijn. De termijnoverschrijding leidt niet tot het oordeel dat de uitvoering en dus de inbeslagname onrechtmatig is geweest. De voor het EOB geldende termijnen hebben tot doel de doorlooptijden in de internationale samenwerking te beknotten en niet het borgen van de belangen van individuele betrokkenen. Beklag ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Lurisnummer: EOB-I-2019041936 en EBB-I-2021007552

Raadkamernummers: 21/627 en 21/698

Beslissing van 22 juni 2021

Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a juncto artikel 5.4.10 en artikel 5.5.18 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte] (hierna: klager),

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat mr. T. Felix,

[adres] , [postcode] te [plaats] .

1 Inleiding

Op 29 oktober 2019 hebben de Belgische autoriteiten een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) uitgevaardigd, strekkende tot onder meer het uitvoeren van een huiszoeking in de woning van klager en beslaglegging op bewijsstukken in verband met een strafrechtelijk onderzoek.

Door de rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag is de doorzoeking van de woning van de verdachte in Capelle aan den IJssel bevolen. Deze doorzoeking heeft op 26 januari 2021 plaatsgevonden onder gezag van de rechter-commissaris in Rotterdam. Hierbij is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op twee mobiele telefoons (Iphone 7 en Iphone XR) en een geldbedrag van € 1.500,00.

Diezelfde datum hebben de Belgische autoriteiten een Europees Bevriezingsbevel (hierna: EBB) uitgevaardigd met betrekking tot cash geld en (luxe) goederen tot een bedrag van

€ 4.749,88.

Op 4 februari 2021 is namens klager bij de rechtbank Rotterdam een klaagschrift ingediend ex artikel 5.4.10 Sv juncto artikel 552a Sv, dat ziet op de uitvoering van het EOB (hierna: het EOB-klaagschrift).

Op 4 maart 2021 is door de rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 4.749,88.

De rechtbank Rotterdam heeft zich op 5 maart 2021 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het EOB-klaagschrift en heeft bevolen dat het EOB-klaagschrift ter behandeling wordt doorgezonden naar de rechtbank Den Haag.

Op 12 maart 2021 is namens klager bij de rechtbank Den Haag een klaagschrift ingediend ex artikel 5.5.18 Sv, dat ziet op de uitvoering van het EBB (hierna: het EBB-klaagschrift).

Het EOB en het EBB

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014, betreffende het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB-richtlijn) in strafzaken heeft tot doel om grensoverschrijdende strafrechtelijke onderzoeken in de Europese Unie te vereenvoudigen en te versnellen. Een EOB is een beslissing afkomstig van een rechterlijke autoriteit van een lidstaat van de EU, met uitzondering van Denemarken en Ierland, die ertoe strekt in een andere lidstaat één of meer bevoegdheden toe te passen met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal in een strafzaak. Een EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat. Aangezien het EOB gebaseerd is op het beginsel van wederzijdse erkenning is elk EU-land in principe verplicht om een dergelijk verzoek te erkennen en uit te voeren. Dit dient tevens snel en zonder enige verdere formaliteiten verricht te worden.

Met Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: EBB-Verordening), worden regels gesteld volgens welke een lidstaat een door een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat in een strafprocedure gegeven beslissing tot bevriezing op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Ook hiervoor geldt het beginsel van wederzijds erkenning.

Indien een voorwerp wordt veiliggesteld met het oog op bewijsvergaring, dan is het EOB van toepassing. Voor het veiligstellen van een voorwerp met het oog op latere confiscatie is een EBB vereist. Indien een voorwerp tot beide doeleinden moet dienen, wordt algemeen aangenomen dat het EOB moet worden gebruikt als bewijsvergaring het hoofddoel is. Het is aan de uitvaardigende autoriteit om dit te beoordelen en het doel van de bevriezingsmaatregel te verduidelijken.

De EOB-Richtlijn is in de Nederlandse wet geïmplementeerd in de artikelen 5.4.1 Sv tot en met 5.4.31 Sv, de EBB-Verordening in de artikelen 5.5.14 Sv tot en met 5.5.19 Sv.

De stukken

De rechtbank heeft kennisgenomen van enkele stukken met bovengenoemde lurisnummers, waaronder het EOB, het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van de rechter-commissaris van 3 februari 2021 en de kennisgeving van inbeslagneming. De Belgische autoriteiten hebben in de aanhef van het door hen uitgevaardigde EOB verzocht om geheimhouding van het onderzoek. Het EOB en de onderliggende stukken zijn daarom niet verstrekt aan klager. In het EBB is eveneens opgenomen dat de vertrouwelijkheid van de informatie in het bevel ook na de tenuitvoerlegging moet worden bewaard.

2 De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft de klaagschriften op 6 april 2021 in raadkamer behandeld. Op 6 april 2021 heeft de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Op 8 juni 2021 is het onderzoek in raadkamer voortgezet. Op de zitting van 8 juni 2021 is klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. Felix, gehoord, evenals de officier van justitie mr. B. de Jonge.

3 Het standpunt van klager

Gebrek aan stukken

De raadsman van klager heeft, zoals verwoord in zijn pleitnotitie, primair verzocht om het ontvangen van de stukken die niet inhoudelijk zien op het onderzoek, maar die inzicht geven in de rechtmatigheid van de erkenning en tenuitvoerlegging van het EOB. Dit ter toetsing van de formaliteiten. Het gaat om stukken over (a) de erkenning van het EOB en (b) de communicatie – voor zover die er was in 2020 – over het al dan niet uitstellen van de uitvoering van het EOB en of contact is geweest met België in 2021 over de vraag of er nog prijs werd gesteld op uitvoering van het onderzoek.

Klager heeft ingevolge artikel 23 lid 5 Sv recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet (artikel 23 lid 6 Sv). Voor het overige moet op zijn minst genomen duidelijk zijn welke stukken worden onthouden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het van belang is dat het Openbaar Ministerie inzicht geeft in de ontvangstdatum van het EOB en de erkenningsdatum, temeer nu het tijdsverloop in deze zaak een discussiepunt is.

Inbeslagname onrechtmatig

De raadsman van klager heeft voorts aangevoerd dat uit het EOB-Kaderbesluit (de rechtbank leest: de EOB-richtlijn) een aantal uitgangspunten volgen. Zo is de uitvoerende autoriteit gebonden aan strikte termijnen. Uiterlijk binnen 30 dagen moet het EOB worden erkend en uiterlijk binnen 90 dagen moet het EOB worden uitgevoerd (artikel 12 EOB-richtlijn; artikel 5.4.2 Sv). Slechts in overleg kan van deze termijn worden afgeweken. De uitvaardigende autoriteit toetst of inbeslagname binnen de termijn van 120 dagen noodzakelijk en proportioneel is. Deze termijnen beschermen de uitvaardigende lidstaat én de getroffen burger.

Toegepast op deze zaak heeft de klager zich op het standpunt gesteld dat de erkenning en uitvoering van het EOB onrechtmatig zijn, omdat de termijn van 120 dagen is overschreden en artikel 12 EOB-richtlijn niet is nageleefd. Daarmee is de inbeslagname onrechtmatig, moet het beklag gegrond worden verklaard en moeten de inbeslaggenomen telefoons en geld teruggegeven worden aan klager.

Prejudiciële vragen

Indien de rechtbank van oordeel is dat de genoemde termijnen niet zijn overschreden, omdat de Belgen in 2021 hebben ingestemd met de uitvoering of dat de termijnen niet ter bescherming van de rechtszoekende dienen, heeft de raadsman namens klager verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het verzoek om het ontvangen van de stukken die inzicht geven in de rechtmatigheid van de erkenning en de tenuitvoerlegging van het EOB heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de door de raadsman verzochte stukken niet bestaan, zodat aan het verzoek geen gevolg kan worden gegeven. Het EOB dateert van oktober 2019. Dit is op 14 november 2019 binnengekomen bij het Openbaar Ministerie en op 25 november 2019 is door het Openbaar Ministerie een akkoord gegeven op de uitvoering van het EOB. Naar de uitvaardigende staat wordt een ontvangstbevestiging verstuurd waarin wordt aangegeven dat het EOB wordt erkend. Vervolgens is wat voorwerk verricht en was de zaak in maart 2020 gereed voor doorzoeking. Op 2 april 2020 zou de doorzoeking plaatsvinden, maar toen werden alle doorzoekingen afgelast vanwege de geldende strikte coronamaatregelen. Vervolgens heeft het een tijd geduurd voordat uitvoering aan het EOB kon worden gegeven. Uit een interne notitie van de secretaris die de zaak in behandeling had, blijkt dat in 2021 telefonisch contact is geweest tussen de secretaris en de bevoegde autoriteit in België, waarbij uitdrukkelijk is bevestigd dat nog altijd behoefte bestaat aan de uitvoering van het EOB; hiermee is voldaan aan de eis van proportionaliteit.

Een officiële Nederlandse erkenningsbeslissing is niet opgemaakt; dat is ook geen wettelijk vereiste. Dat een erkenning van het EOB heeft plaatsgevonden, volgt evident uit de omstandigheid dat een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de door de raadsman genoemde termijnen heeft de officier van justitie gesteld dat er geen rechtsregel is die bepaalt dat een onderzoeksbevel binnen een bepaalde termijn moet worden uitgevoerd. Uit preambule 21 bij de EOB-richtlijn volgt dat de termijnen nadrukkelijk zijn gesteld met het oog op de belangen van de interstatelijke samenwerking. Op geen enkele wijze kan uit de EOB-richtlijn worden afgeleid dat de Europese wetgever beoogde daarmee ook andere belangen dan de interstatelijke belangen te dienen. Aldus bezien zijn geen rechtsregels geschonden en is de inbeslagname rechtmatig geweest.

Ook het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen moet worden afgewezen nu op de rechtbank niet een dergelijke verplichting rust en ook overigens de door de raadsman aangevoerde argumenten geen reden zijn om tot het stellen van prejudiciële vragen over te gaan.

Alles overwegende heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard omdat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, nu de Belgische autoriteiten om overdracht van de goederen hebben gevraagd.

5 Het oordeel van de rechtbank

5.1

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het beklag.

5.2

De ontvankelijkheid van klager

Ingevolge artikel 5.4.10 Sv moet een beklag tegen inbeslagname naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van het rechtsmiddel worden ingediend bij de rechtbank.


Na de beslaglegging op 26 januari 2021 is aan klager voormelde kennisgeving verstrekt. Klager heeft vervolgens binnen de termijn van veertien dagen zijn EOB-klaagschrift ingediend bij de rechtbank, zodat hij kan worden ontvangen in zijn EOB-beklag.

Voor EBB-klaagschriften gelden de reguliere termijnen die gelden ingevolge artikel 552a Sv. Deze moeten zo spoedig mogelijk worden ingediend, in elk geval binnen drie maanden nadat de zaak tot een einde is gekomen.

Het EBB-klaagschrift is ingediend op 12 maart 2021 en is hiermee binnen de termijn ingekomen. Klager kan dan ook eveneens worden ontvangen in zijn EBB-beklag.

5.3

Verzoek om stukken

Nu uit de mededeling van de officier van justitie in raadkamer volgt dat de door de raadsman verzochte stukken niet bestaan, waarbij de officier van justitie in voldoende mate uiteen heeft gezet hoe de EOB-procedure in de voorfase is verlopen - hij heeft de ontvangstdatum van het EOB genoemd en weergegeven hoe de erkenning heeft plaatsgevonden - wijst de rechtbank het verzoek om het verstrekken van de door de raadsman verzochte stukken af.

5.4.

De inhoudelijke beoordeling

De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden. Het beklag over de rechtmatigheid van de inbeslagneming dan wel voortduring van het beslag kan tevens betrekking hebben op de gevolgen van de eventuele overdracht van het beslag.

Wat betreft de vraag of is voldaan aan de eisen van de wet en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden, dient te worden gekeken naar de bepalingen met betrekking tot de erkenning en uitvoering. Een eventuele toetsing die de rechter uitvoert, mocht een beroep worden gedaan op de zorgvuldigheidseis, kan niet anders dan marginaal zijn, en betreft enkel de zorgvuldigheid waarmee de officier van justitie zijn afweging heeft gemaakt en de rechtmatigheid van de beslaglegging.

Met betrekking tot het door de raadsman aangevoerde omtrent de termijnoverschrijding overweegt de rechtbank als volgt. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de uitvoerende autoriteit in de onderhavige zaak niet heeft voldaan aan de voorgeschreven termijnen, zoals neergelegd in artikel 12 EOB-richtlijn en artikel 5.4.2 Sv. Anders dan de raadsman is de rechtbank evenwel van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot het oordeel dat de uitvoering en dus de inbeslagname onrechtmatig is geweest. Immers, deze voor het EOB geldende termijnen hebben tot doel de doorlooptijden in de internationale samenwerking te beknotten en niet het borgen van de belangen van individuele betrokkenen. Ook preambule 211 bij de EOB-richtlijn, genoemd door de officier van justitie, wijst daarop. De eventuele overschrijding van termijnen brengt niet met zich dat het beslag geen doel kan dienen.

Voorts moet de rechter, evenals in beklagprocedures naar aanleiding van beslag dat is gelegd in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek, toetsen of het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet. Die toets blijft marginaal, nu de omstandigheid dat een staat een EOB en/of EBB uitvaardigt in een (kennelijk) lopend onderzoek of strafrechtelijke procedure voldoende is om dit strafvorderlijk belang aan te nemen. Het is immers niet aan de Nederlandse rechter om onderzoek te doen naar de gronden voor het uitvaardigen van het onderliggende rechtshulpverzoek.

De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar fraude. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. Daarbij is gebruik gemaakt van de bevoegdheid als neergelegd in de artikelen 104 en 110 Sv. De inzet van deze bevoegdheid is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden voor als bedoeld in artikel 5.4.4 Sv.

De Belgische autoriteiten hebben voorts een EBB uitgevaardigd. Door de rechter-commissaris is een machtiging afgegeven tot het leggen van conservatoir beslag.

Nu de Belgische autoriteiten niet hebben medegedeeld af te zien van het beslag en zelfs een EBB hebben uitgevaardigd, is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen, zoals verzocht door de raadsman. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

Conclusie

Al het bovenstaande overziend moet het beklag ongegrond worden verklaard.

Termijnoverschrijding beslissing

Ten overvloede constateert de rechtbank dat de in artikel 5.4.10 lid 4 Sv neergelegde wettelijke termijn van dertig dagen om tot een beschikking te komen, is overschreden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van het beklag, nu ook deze krappe termijn tot doel heeft de doorlooptijden in de internationale samenwerking te beknotten en niet het borgen van de belangen van individuele betrokkenen.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Aldus gedaan te Den Haag door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, mr. A.P. Sno, rechter,

mr. N.R.A. Meerbeek, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2021.

Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 Preambule 21 luidt: “Met het oog op een snelle, doeltreffende en consistente samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten, moet worden voorzien in termijnen. De beslissing betreffende de erkenning of tenuitvoerlegging, alsmede de feitelijke tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel, moeten met dezelfde snelheid en prioriteit plaatsvinden als in een vergelijkbare binnenlandse zaak. Er moet worden voorzien in termijnen opdat binnen een redelijke tijdspanne een beslissing wordt genomen of het EOB ten uitvoer wordt gelegd, of opdat aan bepaalde procedurele regels in de uitvaardigende staat kan worden voldaan”.