Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
NL21.6170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een vreemdeling die al 37 jaar rechtmatig in Nederland woont, mag voorlopig blijven tot over zijn bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.6170

V-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

In het besluit van 25 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker ingetrokken en hem een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat hij zijn bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2021 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Motivering

1. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1970. Sinds 1984 verblijft hij met een verblijfsvergunning in Nederland.

2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker ingetrokken, omdat hij voor meerdere misdrijven is veroordeeld. Hij heeft in totaal ruim zeven jaren gevangenisstraf opgelegd gekregen. Een van de veroordelingen betreft een misdrijf uit de Opiumwet waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Bovendien is aan verzoeker een gevangenisstraf opgelegd wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad.

3. Verzoeker voert tegen het bestreden besluit aan dat hij al 37 jaar in Nederland woont. Hij is mantelzorger voor zijn moeder en kampt zelf met een hartaandoening. Hij heeft een verklaring van de huisarts overgelegd. Ter zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat hij een zoon en dochter in Nederland heeft en bij een glazenwassersbedrijf werkt. Verzoeker heeft gevraagd om een voorlopige voorziening, zodat hij totdat op zijn bezwaar is beslist, Nederland niet hoeft te verlaten.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wat in bezwaar wordt aangevoerd geen reden geeft om aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit te twijfelen. Voor verzoeker staat een vlucht naar Marokko geboekt op vrijdag 2 juli 2021.

5. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen van verweerder om verzoeker al voordat op zijn bezwaar is beslist uit te zetten.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder het bestreden besluit zorgvuldig heeft genomen. Zo heeft verweerder eerst een voornemen uitgebracht en verzoeker in de gelegenheid te stellen op het voornemen te reageren. Bij dat voornemen heeft verweerder bovendien een uitgebreide vragenlijst gevoegd. Verzoeker heeft niet gereageerd op het voornemen. De voorzieningenrechter ziet daarnaast het zwaarwegende belang van verweerder bij het bestreden besluit.

7.1

Daar tegenover staat dat, hoewel het belang van verweerder groot is, niet is gebleken dat dit belang zo dringend is dat verzoeker op zeer korte termijn moet worden uitgezet. Daar komt bij dat niet in geschil is dat verzoeker al 37 jaar rechtmatig in Nederland verblijft. Ook is niet in geschil dat de zwaarste veroordeling van verzoeker al meer dan zeven jaar geleden heeft plaatsgevonden, te weten in 2013, voor feiten gepleegd in 2009 en 2010, en dat verzoeker sindsdien één keer voor veel minder ernstige feiten is veroordeeld.

7.2

Ter zitting heeft verzoeker gesteld familiebanden (in elk geval zijn moeder en twee kinderen) en werk in Nederland te hebben. Deze stellingen moeten nog worden onderbouwd met bewijsstukken, maar de voorzieningenrechter hecht er nu al waarde aan, aangezien het wel voor de hand ligt dat met een zo langdurig verblijf in Nederland, er makkelijk bewijs te leveren zal zijn. Daar komt bij dat verzoeker ter zitting de indruk heeft achtergelaten dat hij niet bij machte was om eerder en adequater te reageren op het bestreden besluit. Ten slotte acht de voorzieningenrechter voor het treffen van deze voorlopige voorziening van belang dat verzoeker zich aan de meldplicht heeft gehouden en niet is ondergedoken na het bestreden besluit.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu het grootste deel van de motivering van het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening pas ter zitting naar voren is gekomen. De voorzieningenrechter vindt het in dat geval onredelijk verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021 door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.