Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7014

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
30-07-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4765
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ongedateerde brief is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4765

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Nijman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. W.M. Logtenberg).

Procesverloop

Bij ongedateerde brief heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat bij besluit van 22 maart 2019 reeds is besloten op zijn verzoek om handhaving vanwege overtreding van artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag (APV).

Bij besluit van 7 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van beiaardier [A] . De zaak is zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen geregistreerd onder de zaaknummers SGR 19/2745, SGR 20/2502 en SGR 20/6339.

Overwegingen

1. Eiser woont aan [straat] [huisnummer] te [plaats] , in de nabijheid van de Grote Kerk. Hij heeft bij brief van 10 januari 2019 de burgemeester verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van het carillon van de Grote Kerk op grond van artikel 4:6 van de APV. In reactie hierop heeft verweerder de onder het procesverloop vermelde ongedateerde brief verzonden.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de ongedateerde brief niet op rechtsgevolg is gericht maar enkel strekt tot het informeren van eiser dat bij besluit van 22 maart 2019 is beslist op zijn verzoek om handhaving.

3. Eiser kan het standpunt van verweerder volgen dat bij het besluit van 22 maart 2019 is beslist op het verzoek om handhaving op grond van artikel 4:6 van de APV. Eiser stelt evenwel dat de ongedateerde brief tot veel onduidelijkheid leidt en hij om die reden in aanmerking dient te komen voor een proceskostenvergoeding.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.2.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de ongedateerde brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 22 maart 2019 mede heeft beslist op eisers verzoek om handhaving op grond van artikel 4:6 van de APV. Verweerder heeft in de ongedateerde brief enkel verwezen naar dit besluit om eiser erover te informeren dat reeds een beslissing door verweerder is genomen op zijn verzoek om handhaving. De ongedateerde brief brengt dan ook geen verandering teweeg in de rechtspositie van eiser. Dit betekent dat geen bezwaar openstond tegen deze brief. Verweerder heeft daarom terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. De rechtbank ziet niet in dat de ongedateerde brief tot enige onduidelijkheid heeft geleid. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot een proceskostenveroordeling te komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.