Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:7010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-07-2021
Zaaknummer
SGR 20/5079
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Beëindiging tijdelijke opvang. Geen sprake van (voldoende) procesbelang. Nu eiseres en haar gezin nog altijd worden opgevangen, beschikt zij over het door haar gevraagde onderdak, ook al is het op grond van de Jeugdwet in plaats van de Wmo. De stelling dat van eiseres dat zij wel procesbelang heeft omdat de opvang een tijdelijk karakter heeft, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres zich wil wapenen tegen een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Daarin is echter naar vast rechtspraak geen procesbelang gelegen. Enig ander belang bij de behandeling van het beroep is door eiseres niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/5079


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.A.R. Schuckink Kool),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de voorwaardelijke toelating van eiseres en haar kinderen tot opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) per 21 februari 2020 beëindigd.

Bij besluit van 7 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben beide partijen ermee ingestemd dat het beroep vanwege de maatregelen rondom het coronavirus schriftelijk wordt afgehandeld.

Bij brief van 7 mei 2021 heeft de rechtbank schriftelijk aanvullende vragen aan eiseres gesteld. Eiseres heeft deze vragen bij e-mail van 11 mei 2021 beantwoord. Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 27 mei 2021 op de e-mail van eiseres gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum bepaald op heden.

Overwegingen

1.1

Eiseres is eind 2017 met haar twee minderjarige kinderen vanuit Suriname naar Nederland gekomen. Na enige tijd bij personen binnen haar netwerk te hebben verbleven, heeft zij zich op 10 juni 2019 bij het daklozenloket van de gemeente Den Haag gemeld. Bij besluit van 11 juni 2019 zijn eiseres en haar kinderen per direct tijdelijk toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Sindsdien verbleven zij in een hotel.

1.2

Naar aanleiding van een vervolgonderzoek heeft verweerder bij het primaire besluit de tijdelijke maatschappelijke opvang op grond van de Wmo beëindigd per 21 februari 2020. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres inmiddels voldoende zelfredzaam is om zelf voor huisvesting te zorgen. Volgens verweerder is er geen sprake van dringende redenen op grond waarvan eiseres en haar kinderen desondanks zijn aangewezen op maatschappelijke opvang.

1.3

Tegen het primaire besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend. Dit verzoek is bij uitspraak van 27 februari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:1670) door de voorzieningenrechter afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres in staat moet worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Dat het eiseres nog niet was gelukt zelfstandige woonruimte te verwerven, wijst volgens de voorzieningenrechter eerder op schaarste op de woningmarkt. De voorzieningenrechter merkt in dat kader op dat de Wmo niet is bedoeld om daarvoor een oplossing te bieden. In dit geval kan niet in redelijkheid worden gezegd dat het niet langer verstrekken van maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een fair balance tussen de publieke belangen die betrokken zijn en de particuliere belangen van eiseres en haar kinderen om toegang te houden tot de opvang.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de beëindiging gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen beperkingen heeft wat betreft het zich kunnen handhaven in de samenleving en in staat moet worden geacht om zelfstandig woonruimte te vinden. Verweerder sluit zich aan bij het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter en wijst op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraken van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3446 en ECLI:NL:CRVB:2019:3447. Uit deze rechtspraak leidt hij af dat in het geval van eiseres geen beroep (meer) kan worden gedaan op maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo. Uit voornoemde uitspraken van de CRvB blijkt verder volgens verweerder dat een weigering om maatschappelijke opvang te verstrekken in een geval als dit geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) teweeg brengt.

3. Eiseres voert aan dat verweerder een onjuiste uitleg geeft aan de door hem genoemde uitspraken van de CRvB. In tegenstelling tot die zaken kan eiseres geen zwaarwegende verwijten worden gemaakt wat betreft een beperkt zoekgedrag naar woonruimte. Eiseres reageert op alle mogelijke manieren op woningen, ook in krimpregio’s. Volgens eiseres berust het bestreden besluit op een faliekant onjuiste afweging van de betrokken belangen, met name de belangen van de kinderen van eiseres. Ter onderbouwing heeft eiseres een artikel uit het NJCM-Bulletin ingebracht. Hieruit leidt zij af dat een bestuursorgaan zich in de motivering van een besluit rekenschap dient te geven van de omstandigheid dat in het licht van artikel 3 van het IVRK het belang van het kind in de regel de doorslag behoort te geven.

4.1

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres (nog) voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
24 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:409) is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.

4.3

Bij brief van 7 mei 2021 heeft de rechtbank eiseres verzocht toe te lichten waar zij en haar kinderen na de beëindiging van de opvang hebben verbleven en hoe de huidige situatie is. Voorts heeft de rechtbank eiseres verzocht toe te lichten of nog sprake is van procesbelang en zo ja, waar dit procesbelang uit bestaat. In reactie hierop heeft eiseres bij email van 11 mei 2021 toegelicht dat zij en haar kinderen nog altijd opgevangen worden, thans op grond van de Jeugdwet. Volgens eiseres is het procesbelang erin gelegen dat de opvang enkel moment beëindigd kan worden, als gevolg waarvan eiseres en haar kinderen dakloos zouden worden.

4.4

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van (voldoende) procesbelang. Nu eiseres en haar gezin nog altijd worden opgevangen, beschikt zij over het door haar gevraagde onderdak, ook al is het op grond van de Jeugdwet in plaats van de Wmo. De stelling dat van eiseres dat zij wel procesbelang heeft omdat de opvang een tijdelijk karakter heeft, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres zich wil wapenen tegen een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Daarin is echter naar vast rechtspraak geen procesbelang gelegen. Enig ander belang bij de behandeling van het beroep is door eiseres niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.