Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6993

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
NL19.20920
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2019:13451
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na beantwoording prejudiciële vragen – opvolgende aanvragen – documenten – samenwerkingsplicht – beleid en besluit in strijd met Unierecht – beroep gegrond.

Op 10 juni 2021 heeft het Hof van Justitie de vragen van de rechtbank over het categoriaal ter zijde schuiven van documenten en het niet onverkort invulling geven aan de samenwerkingsplicht bij opvolgende aanvragen beantwoord.

De rechtbank stelt vast dat de vaststelling of een element of bevinding “nieuw” is enkel een feitelijke beoordeling behelst waarbij “de verwijtbaarheid” geen rol speelt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Hof uitgelegd dat de ontvankelijkheidsbeoordeling een lage drempel kent. Het Hof heeft het vereiste “aanzienlijk groter maken” niet verder uitgelegd. Uit het arrest van het Hof blijkt echter dat alleen als een opvolgende aanvraag wordt ingediend zonder nieuwe bewijzen of argumenten kan worden afgezien van een inhoudelijke beoordeling van elementen en bevindingen die aan een opvolgende aanvraag ten grondslag worden gelegd. De rechtbank leidt uit het arrest af dat het Hof een duidelijk onderscheid maakt tussen de ontvankelijkheidsbeoordeling en de inhoudelijke beoordeling van de nieuwe elementen en bevindingen. Op het moment dat de lidstaat de inhoud van de elementen en bevindingen onderzoekt is de drempel van de ontvankelijkheid reeds genomen, zodat de waardering van die elementen en bevindingen niet ten grondslag kan worden gelegd aan de beslissing om een opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren.

Het Hof heeft geen uitspraak gedaan, en dat heeft de rechtbank ook nadrukkelijk niet gevraagd, hoe vervolgens de documenten die in een opvolgende procedure worden overgelegd en die worden gekwalificeerd als nieuwe elementen en bevindingen moeten worden gewaardeerd bij de beoordeling of alsnog internationale bescherming moet worden verleend.

Om de bewijswaarde van documenten goed te kunnen beoordelen zal verweerder bij zijn beoordeling nadere feiten en omstandigheden moeten betrekken zoals bijvoorbeeld de aard van de documenten, hoe eiser aan de documenten is gekomen, waarom eiser vindt dat deze documenten zijn relaas ondersteunen en of dergelijke documenten in het land van herkomst gangbaar zijn ondanks dat Bureau Documenten niet over referentiemateriaal beschikt en ondanks documentenonderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over de echtheid van deze documenten. Verweerder zal zich dus dienen te vergewissen van dit soort feiten en omstandigheden door eiser actief te bevragen en dus door eiser in de gelegenheid te stellen hierover te verklaren in een gehoor. Verweerder kan zich dan ook in beginsel niet beperken door eiser enkel toe te staan deze informatie op de M35-O te vermelden en te reageren in een zienswijze, maar zal eiser -om tot een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit te komen- in persoon moeten horen.

Bij de beoordeling van opvolgende aanvragen geldt de samenwerkingsplicht onverkort. Dit betekent dat verweerder ook bij opvolgende aanvragen gehouden is om zich te vergewissen of er aanleiding bestaat een FMO op grond van artikel 18 van de Procedurerichtlijn te doen verrichten. Verweerder zal bovendien actief en welwillend moet onderzoeken en kenbaar moeten beoordelen of aan een verzoeker het voordeel van de twijfel kan worden gegund.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.20920 einduitspraak

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , geboren op [geboortedag] 1986, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. Van Laarhoven).

Procesverloop

Op 16 december 2019 heeft de rechtbank in een tussenuitspraak in de onderhavige procedure prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2019:13451).

Op 11 februari 2021 heeft Advocaat-Generaal Hogan een conclusie genomen (ECLI:EU:C:2021:117).

Op 10 juni 2021 heeft het Hof arrest gewezen en de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord (zaak C-921/19, LH tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, ECLI:EU:C:2021:478, hierna: LH).

Bij bericht van 10 juni 2021 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij uiterlijk op 25 juni 2021 een gemotiveerd standpunt aan de rechtbank kunnen doen toekomen over welke gevolgen het arrest voor de afdoening van de onderhavige procedure naar hun mening dient te hebben. Tevens zijn partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of er behoefte bestaat aan een nadere behandeling ter zitting. De rechtbank heeft hierbij medegedeeld dat indien binnen de gegeven termijn geen inhoudelijk standpunt wordt ingenomen of geen wens om een nadere behandeling ter zitting wordt geuit, de rechtbank zal aannemen dat hieraan geen behoefte bestaat en de rechtbank einduitspraak zal doen.

Eiser heeft bij bericht van 22 juni 2021 aangegeven welke gevolgen het arrest naar zijn mening dient te hebben voor de beslissing van de rechtbank. Eiser heeft geen wens geuit om nader ter zitting te worden gehoord.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn zienswijze op het arrest en de implicaties voor deze procedure te geven. Verweerder heeft evenmin te kennen gegeven een nadere behandeling ter zitting te wensen.

De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaak gesloten op 28 juni 2021.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de verwijzingsuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de verwijzingsuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft ongeveer drieënhalf jaar gewerkt als chauffeur voor ingenieur [naam] , de directeur van de Directie Wederopbouw en Ontwikkeling van Platteland van de provincie Fariab in Afghanistan. In het najaar van 2015 is de kolonne waarin eiser reed twee maal in een hinderlaag terecht gekomen. De eerste keer zijn ze ontzet door veiligheidsmensen en de tweede keer is eiser hard weggereden uit de kolonne en naar Golzad gegaan. Daar was er weer een hinderlaag, maar eiser heeft opnieuw weten te ontkomen. Vijfentwintig dagen later is de auto van eiser weer beschoten, door Talibs op motoren. Hij heeft echter weten te ontkomen. Daarna is eiser een paar keer gebeld door de Taliban met de boodschap dat hij de ingenieurs moest uitleveren en anders onthoofd zou worden. Eiser is uiteindelijk naar een vriend gegaan en heeft daar alles verteld. De vriend heeft eiser geholpen om Afghanistan te verlaten. Eiser heeft tevens medische problemen die naar zijn zeggen verband houden met het asielrelaas.

3. Verweerder heeft zich in de eerste asielprocedure op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden voor [naam] en de hinderlagen van de Taliban waarin hij terecht is gekomen, geloofwaardig zijn. Verweerder heeft de verklaringen over de individuele bedreigingen door de Taliban echter niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft deze aanvraag van eiser van 8 december 2015 bij besluit van 8 juni 2017 afgewezen. Dit besluit is door de uitspraak van 23 maart 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in rechte vast komen te staan.

4. Op 26 september 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De onderhavige procedure ziet op de behandeling van het beroep tegen de beslissing op deze opvolgende aanvraag. In deze procedure tracht eiser alsnog de individuele bedreigingen door de Taliban waarover hij heeft verklaard in de eerste procedure aannemelijk te maken. Hij heeft bij de indiening van de opvolgende aanvraag gesteld dat hij in het bezit is gekomen van nieuwe documenten, waaronder de originele documenten die hij in de eerdere procedure in kopie heeft overgelegd. Het betreffen de volgende stukken:

  • -

    een verklaring van de brandweer en vingerafdrukken van getuigen;

  • -

    een verklaring van de werkgever van eiser;

  • -

    een kopie van zijn werkcontract.

Bij de zienswijze heeft eiser een USB-stick overgelegd met daarop filmbeelden van de aanval door de Taliban.

5. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake zou zijn van nieuwe elementen en bevindingen. De authenticiteit van de overgelegde documenten kon namelijk niet worden vastgesteld en de filmbeelden op de USB-stick zijn niet afkomstig van een objectief verifieerbare bron. De rechtbank stelt vast dat er uit het onderzoek van verweerder geen indicaties naar voren zijn gekomen dat de documenten niet authentiek zouden zijn of niet afkomstig zouden zijn van een daartoe bevoegde instantie. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de documenten niet echt of inhoudelijk niet juist zijn. Verweerder heeft dus geen concrete twijfels over de authenticiteit van de documenten.

6. Onder verwijzing naar zijn beleid dat sinds 1 juli 2019 van kracht is heeft verweerder eiser niet in de gelegenheid gesteld om in een gehoor te verklaren over de wijze van verkrijging van de documenten, de reden dat deze documenten niet in de eerste procedure zijn overgelegd en op welke wijze deze documenten en filmbeelden zijn aanvraag nader kunnen onderbouwen en zijn relaas alsnog aannemelijk kunnen maken.

7. Verweerder heeft in de besluitvormingsfase de aard en inhoud van de documenten en de USB-stick niet beoordeeld en dus ook niet beoordeeld of de inhoud past bij informatie die hem bekend is uit openbare bronnen.

Verweerder heeft bij de motivering van zijn beslissing of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen voorts op geen enkele wijze betrokken hoe eiser deze documenten heeft verkregen en of deze gestelde wijze van verkrijging past bij wat bekend is uit openbare bronnen over de verkrijging van documenten in Afghanistan, terwijl eiser in de zienswijze deze informatie gedetailleerd aan verweerder heeft verschaft. Verweerder heeft eveneens bij zijn beoordeling niet -kenbaar- betrokken dat het asielrelaas van eiser in de eerste procedure grotendeels geloofwaardig is geacht. Verweerder heeft onder verwijzing naar zijn beleid en onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 mei 2011, zaaknr. 201007949/1) deze documenten en filmbeelden zonder inhoudelijke beoordeling terzijde geschoven en verwezen naar het in rechte vaststaande besluit.

Ter zitting is verweerder bij wijze van subsidiair standpunt alsnog ingegaan op de inhoud van de documenten en filmbeelden. Voor wat betreft de medische problemen die eiser stelt te hebben, heeft verweerder erop gewezen dat bij een opvolgende asielaanvraag niet wordt beoordeeld of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op medische gronden of voor uitstel van vertrek op medische gronden.

Beoordeling door de rechtbank

Uitleg Unierecht door het Hof van Justitie

8. De rechtbank heeft op 16 december 2019 de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd:

I Is het door de beslissingsautoriteit van een lidstaat bepalen dat originele documenten nooit nieuwe elementen of bevindingen kunnen zijn indien de authenticiteit van deze documenten niet kan worden vastgesteld verenigbaar met artikel 40, lid 2, Procedurerichtlijn1, in samenhang gelezen met artikel 4, lid 2, Kwalificatierichtlijn2 en artikelen 47 en 52 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? Indien dit niet verenigbaar is, maakt het dan nog verschil als bij een volgend verzoek kopieën van documenten of documenten die afkomstig zijn uit een niet-objectief verifieerbare bron worden ingebracht door de verzoeker?

II Moet artikel 40 Procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, Kwalificatierichtlijn, aldus worden uitgelegd dat het de beslissingsautoriteit van een lidstaat is toegestaan om bij de beoordeling van documenten en toekenning van bewijswaarde aan documenten onderscheid te maken tussen documenten die worden overgelegd bij een eerste verzoek en bij een volgend verzoek? Is het een lidstaat toegestaan om bij de overlegging van documenten bij een volgend verzoek geen verdere invulling meer te geven aan de samenwerkingsverplichting als de authenticiteit van die documenten niet kan worden vastgesteld?

9. In het arrest LH heeft het Hof de vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:

I Artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale wetgeving volgens welke elk document dat door een persoon die om internationale bescherming verzoekt ter staving van een volgend verzoek is overgelegd, automatisch wordt beschouwd als een document dat geen „nieuw element of nieuwe bevinding” in de zin van deze bepaling is, wanneer de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron van een dergelijk document niet objectief verifieerbaar is.

II Artikel 40 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/95, moet aldus worden uitgelegd dat, ten eerste, de beoordeling van de bewijzen die worden overgelegd ter staving van een verzoek om internationale bescherming niet verschillend mag zijn naargelang het gaat om een eerste verzoek of een volgend verzoek en, ten tweede, een lidstaat gehouden is samen te werken met een verzoeker bij de beoordeling van de relevante elementen van diens volgende verzoek als de verzoeker ter staving van dat verzoek documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.

10. Het hof heeft hierbij -onder meer- het volgende overwogen:

“(…)

40 In dit verband dient te worden opgemerkt dat artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 geen enkel onderscheid maakt tussen een eerste verzoek om internationale bescherming en een volgend verzoek wat de aard van de elementen of bevindingen betreft die kunnen aantonen dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, zodat de beoordeling van de feiten en omstandigheden ter staving van deze verzoeken in beide gevallen moet worden verricht overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95.

41 Om te beginnen omschrijft dit artikel 4, lid 2, de relevante elementen ter staving van een verzoek om internationale bescherming als die welke bestaan in „de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient”.

42 Vervolgens legt artikel 4, lid 3, onder b), van richtlijn 2011/95 de verplichting op om het verzoek op individuele basis te beoordelen, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met de door de verzoeker overgelegde relevante documenten, zonder te vereisen dat die documenten noodzakelijkerwijs geauthenticeerd zijn.

43 Ten slotte bepaalt artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 dat de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van zijn verklaringen in het verzoek, geloofwaardig geacht wordt en hem het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer, ten eerste, de verzoeker een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven, ten tweede, alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt zijn overgelegd, en er een bevredigende verklaring is gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen, ten derde, de verklaringen van de verzoeker samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek, ten vierde, de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk heeft ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en, ten vijfde, vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

44 Hieruit volgt dat elk document dat door de verzoeker ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming is overgelegd, moet worden beschouwd als een element van dat verzoek waarmee rekening dient te worden gehouden overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95, zodat het feit dat dit document niet kan worden geauthenticeerd of dat er geen objectief verifieerbare bron is, als zodanig niet kan rechtvaardigen dat een dergelijk document wordt uitgesloten van de behandeling waartoe de beslissingsautoriteit dient over te gaan overeenkomstig artikel 31 van richtlijn 2013/32.

45 Bij een volgend verzoek kan het feit dat een document niet is geauthenticeerd dus niet ertoe leiden dat dit verzoek onmiddellijk niet-ontvankelijk wordt verklaard, zonder dat wordt onderzocht of dit document een nieuwe bevinding of een nieuw element vormt en, in voorkomend geval, of het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.

46 Zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt een dergelijke uitlegging bevestigd door de omstandigheid dat volgens artikel 31, lid 8, onder e), van richtlijn 2013/32 zelfs valse verklaringen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming slechts rechtvaardigen indien daardoor aan dat verzoek van de verzoeker alle overtuigingskracht wordt ontnomen, hetgeen veronderstelt dat zij eerst ontvankelijk werden geacht en door de bevoegde autoriteit zijn onderzocht.

47 In de derde plaats wordt de uitlegging van artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32, zoals deze voortvloeit uit de context van deze bepaling, ook bevestigd door de doelstellingen van deze richtlijn.

48 Uit de overwegingen 3, 18 en 25 van richtlijn 2013/32 vloeit immers voort dat deze richtlijn de instelling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel beoogt in het kader waarvan, enerzijds, elke verzoeker daadwerkelijk toegang moet hebben tot de procedures, in de gelegenheid moet worden gesteld met de bevoegde autoriteiten samen te werken en te communiceren om de voor zijn zaak relevante feiten uiteen te zetten, en over voldoende procedurele waarborgen moet beschikken om zijn rechten in alle fasen van de procedure te doen gelden en, anderzijds, zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling.

(…)

50 Hieruit volgt dat het onderzoek of een volgend verzoek berust op nieuwe elementen of bevindingen in verband met de behandeling van de vraag of de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, beperkt dient te blijven tot de toetsing van het bestaan van elementen of bevindingen ter staving van dat verzoek die niet werden onderzocht in het kader van de op het vorige verzoek genomen beslissing en waarop die beslissing – die gezag van gewijsde heeft – niet kon worden gebaseerd.

(…)

52 Evenzo zou een uitlegging van die bepaling volgens welke elk document dat ter staving van een volgend verzoek wordt overgelegd, slechts ontvankelijk is voor zover dit document geauthenticeerd is, afbreuk doen aan de doelstelling van deze richtlijn om een behoorlijke en volledige behandeling van een dergelijk verzoek te waarborgen.

(…)

57 Ter beantwoording van deze vraag dient om te beginnen te worden opgemerkt dat uit de artikelen 40 tot en met 42 van richtlijn 2013/32, die betrekking hebben op volgende verzoeken, geenszins blijkt dat het de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om lidstaten toe te staan te bepalen dat de beoordeling van de ter staving van een verzoek om internationale bescherming overgelegde bewijzen verschillend kan zijn naargelang het gaat om een eerste verzoek of een volgend verzoek.

58 Integendeel, uit punt 40 van het onderhavige arrest blijkt dat artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 geen enkel onderscheid maakt tussen een eerste verzoek en een volgend verzoek wat de elementen of bevindingen betreft die kunnen aantonen dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, zodat de beoordeling van de feiten en omstandigheden ter staving van deze verzoeken in beide gevallen moet worden verricht overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95.

59 Dat een eerste verzoek reeds het voorwerp is geweest van een volledige behandeling rechtvaardigt dus weliswaar dat de lidstaten eerst voorafgaand onderzoeken of het volgende verzoek ontvankelijk is gelet op met name het bestaan – ter staving van dat verzoek – van nieuwe elementen of bevindingen in verband met de behandeling van de vraag of de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, maar deze omstandigheid kan niet tevens rechtvaardigen dat geen beoordeling van die elementen of bevindingen wordt verricht in het kader van dit voorafgaande onderzoek, overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder a), van richtlijn 2013/32 en – zoals de advocaat-generaal ook heeft opgemerkt in de punten 65 en 66 van zijn conclusie – overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95.

60 Voorts bepaalt artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 dat de betrokken lidstaat tot taak heeft om de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

61 Aangezien blijkens punt 44 van het onderhavige arrest ook een document waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is, een element vormt dat ter staving van het verzoek is overgelegd, is de betrokken lidstaat overeenkomstig bovengenoemde bepaling gehouden om dat document in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

62 Overigens dient in deze context in herinnering te worden gebracht dat het niet noodzakelijk is dat de lidstaat ervan overtuigd is dat het nieuwe document het volgende verzoek afdoende staaft opdat de overlegging van een dergelijk document ertoe kan leiden dat overeenkomstig artikel 40, lid 3, van richtlijn 2013/32 het verzoek verder ten gronde wordt behandeld overeenkomstig hoofdstuk II van deze richtlijn, maar het volstaat dat dit document de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.”

Grondig onderzoeken nieuwe elementen en bevindingen

11. De rechtbank stelt allereerst vast dat het Hof in punt 50 heeft overwogen dat sprake is van “nieuwe” elementen en bevindingen als deze niet eerder zijn onderzocht en de beslissing in de voorgaande procedure daarom niet (mede) gebaseerd kon zijn op deze in de opvolgende procedure overgelegde elementen en bevindingen. De rechtbank leidt uit deze overweging af dat de vaststelling of een element of bevinding nieuw is enkel een feitelijke beoordeling behelst. Indien een document in de eerdere procedure niet is overgelegd maar in de opvolgende procedure wel aan de aanvraag ten grondslag wordt gelegd, is reeds sprake van een element dat nieuw is ten opzichte van de voorgaande procedure. De formulering van punt 50 van het Hof leidt de rechtbank tot de conclusie dat bij de feitelijke vaststelling of sprake is van een nieuw element of bevinding de verwijtbaarheid geen rol speelt. Het gaat er dus niet om of de gegevens bij de eerdere aanvraag door de vreemdeling ingediend hadden moeten of kunnen worden, maar alleen om de vaststelling of dit in die eerdere procedure is gebeurd. Dat de verwijtbaarheid geen rol speelt, leidt de rechtbank ook af uit het arrest van het Hof van 4 oktober 2018, Ahmedbekova (ECLI:EU:C:2018:801 en JV 2018/205 m nt Reneman), waarin het Hof, zoals ook de Afdeling heeft geconcludeerd in haar uitspraak van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2073), bij de uitleg van artikel 40 lid 1 van de Procedurerichtlijn ook geen onderscheid maakt tussen achtergehouden en nieuwe asielmotieven.
Het voorgaande leidt de rechtbank overigens ook tot de conclusie dat de uitleg van de term ‘nieuwe elementen en bevindingen” in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:6088, bevestigd in ECLI:NL:RVS:2017:2718) niet langer opgaat. De vraag of een verzoeker het betreffende document in de eerdere procedure had kunnen of moeten overleggen en of de redenen die daarvoor worden aangedragen overtuigend zijn, ziet dus niet op de ontvankelijkheidsdrempel. In artikel 40, lid 4 van de Procedurerichtlijn is wel een afzonderlijke verwijtbaarheidstoets opgenomen die ziet op de ontvankelijkheid van de aanvraag, maar die bepaling heeft de Nederlandse wetgever niet geïmplementeerd. Het Hof heeft overigens in het arrest niet bepaald dat bij de waardering van nieuw overgelegde documenten niet mag worden betrokken of een verzoeker een deugdelijke verklaring heeft voor het niet eerder overleggen van dit document en of dit nalaten de mogelijkheid om het voordeel van de twijfel te gunnen regardeert.

12. Partijen waren verdeeld over de vraag of originele documenten waarvan de authenticiteit niet is vastgesteld of die niet afkomstig zijn uit een objectief verifieerbare bron bij voorbaat buiten beschouwing mogen worden gelaten of dat beoordeeld moet worden of er toch enige bewijswaarde aan de documenten kan worden toegekend voor het alsnog aannemelijk maken van een asielrelaas in een opvolgende procedure. Het Hof heeft deze vragen in zijn arrest van 10 juni 2021 op heldere wijze beantwoord.

13. Het Hof heeft uiteengezet dat uit het Unierecht, zowel uit de bewoordingen van de betreffende bepalingen als uit de doelstellingen van de richtlijn, volgt dat documenten niet mogen worden uitgesloten van het grondig onderzoeken of er behoefte aan internationale bescherming bestaat, enkel omdat de authenticiteit niet is vastgesteld of omdat de bron van het document niet objectief verifieerbaar is. Indien de ontvankelijkheidsdrempel wordt gehaald dienen alle documenten, omdat ze in beginsel elementen die een asielaanvraag kunnen ondersteunen zijn, te worden beoordeeld. Het Hof heeft hierbij benadrukt dat uit het Unierecht volgt dat er geen onderscheid mag worden gemaakt tussen eerste en opvolgende procedures bij het invulling geven aan de samenwerkingsplicht. In voorkomende gevallen kan dit dus ook betekenen dat indien de verzoeker aan zijn inspanningsplicht voldoet verweerder uitdrukkelijk moet motiveren waarom aan eiser het voordeel van de twijfel niet kan worden gegund.

14. Het Hof heeft geen uitspraak gedaan, en dat heeft de rechtbank ook nadrukkelijk niet gevraagd, hoe vervolgens de documenten die in een opvolgende procedure worden overgelegd en die worden gekwalificeerd als nieuwe elementen en bevindingen moeten worden gewaardeerd bij de beoordeling of een relaas alsnog aannemelijk is gemaakt en/of het aannemelijk geachte asielrelaas alsnog zodanig zwaarwegend is dat internationale bescherming moet worden verleend. De verwijzing van de rechtbank had uitsluitend betrekking op de vraag of categoriale uitsluiting van documenten verenigbaar is met het Unierecht en meer in het bijzonder omdat een dergelijke rechtspraktijk afbreuk doet aan het recht op asiel, het absolute verbod om gerefouleerd te worden en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, welke beginselen zijn verankerd in en gewaarborgd door het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en op de vraag of op de vraag of het is toegestaan een onderscheid te maken tussen eerste en opvolgende procedures als het gaat om invulling geven aan de samenwerkingsplicht bij het onderzoeken of er behoefte bestaat aan internationale bescherming. Deze door de rechtbank gestelde vragen zijn beantwoord door het Hof.

15. Dit betekent dat het aan verweerder is om in elke concrete procedure eerst te beoordelen of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen en vervolgens te beoordelen of deze nieuwe elementen en bevindingen het asielrelaas en de zwaarwegendheid hiervan alsnog aannemelijk maken. Uit het arrest volgt niet dat verweerder bij de waardering van documenten niet mag betrekken dat documenten niet eerder zijn overgelegd of dat de niet-authentieke documenten of documenten afkomstig uit een niet objectief verifieerbare bron niet worden ondersteund door de verklaringen van de verzoeker of algemene informatie.

16. Anders gezegd, het Hof heeft uitgelegd dat documenten, als de ontvankelijkheidsdrempel wordt gehaald, niet bij voorbaat ter zijde mogen worden gelegd, maar heeft niet bepaald dat aan alle documenten dezelfde “bewijswaarde” moet worden toegekend. Het Hof heeft in het arrest ook uiteengezet dat de beoordeling van de ontvankelijkheid niet vereist dat verweerder reeds overtuigd moet zijn dat de overgelegde documenten tot een toekenning van bescherming leiden. Verweerder zal eerst feitelijk moeten vaststellen of eiser iets “nieuws” dat bij de eerdere procedure niet is betrokken aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Vervolgens zal verweerder – nog steeds in het kader van de vraag naar de ontvankelijkheid – moeten beoordelen of dit “nieuws” ook de kans op bescherming aanzienlijk groter maakt, waarbij het Hof in punt 62 expliciet overweegt dat het niet noodzakelijk is dat de lidstaat ervan overtuigd is dat het nieuwe document het volgende verzoek afdoende staaft. Verweerder moet in het kader van zijn samenwerkingsplicht nu juist onderzoeken of de nieuwe elementen en bevindingen alsnog tot inwilliging van de aanvraag kunnen leiden. De -grondige- inhoudelijke beoordeling van deze elementen en bevindingen vindt dus pas plaats nadat de asielaanvraag ontvankelijk wordt geacht.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Hof hiermee uitgelegd dat de ontvankelijkheidsbeoordeling een lage drempel kent. Als de vreemdeling iets “nieuws” aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag legt en dit verband houdt met het asielrelaas zoals dit in de eerdere procedure naar voren is gebracht zal al snel moeten worden geconcludeerd dat dit de kans op bescherming aanzienlijk groter maakt. Het Hof verwijst immers bij deze overweging ook naar de conclusie van de AG om te duiden dat valse verklaringen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming slechts rechtvaardigen indien daardoor aan dat verzoek alle overtuigingskracht wordt ontnomen, hetgeen veronderstelt dat zij eerst ontvankelijk werden geacht en door de bevoegde autoriteit zijn onderzocht. De rechtbank leidt hier uit af dat elementen en bevindingen die niet zijn betrokken bij de beoordeling van een eerdere asielaanvraag enkel tot niet-ontvankelijkverklaring kunnen leiden als de overgelegde documenten in het kader van de beoordeling van de vraag of de vreemdeling voor een verzoek om internationale bescherming geen enkele relevantie hebben. Als evenwel zonder een inhoudelijke beoordeling van de elementen en bevindingen die aan een opvolgend verzoek ten grondslag wordt gelegd aanstonds duidelijk is dat dit nimmer tot (enige) ondersteuning kan leiden van de opvolgende aanvraag kan naar het oordeel van de rechtbank worden beslist dat van een verdere beoordeling wordt afgezien. Het Hof heeft het vereiste “aanzienlijk groter maken” niet verder uitgelegd. De rechtbank heeft ook niet gevraagd om een nadere uitleg van dit vereiste zoals dat is neergelegd in artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Uit het arrest van het Hof blijkt echter genoegzaam dat de beslisautoriteit gehouden is elke aanvraag om bescherming grondig te onderzoeken en alleen als een opvolgende aanvraag wordt ingediend zonder nieuwe bewijzen of argumenten kan afzien van een inhoudelijke beoordeling van elementen en bevindingen die aan een opvolgende aanvraag ten grondslag worden gelegd. Het Hof overweegt in punt 33 dat dan een bevoegdheid om een opvolgend verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen op grond van het beginsel van gezag van gewijsde bestaat omdat in dat geval het onevenredig zou zijn om de lidstaten te verplichten een nieuwe volledige onderzoeksperiode te volgen. De rechtbank leidt daarom uit het arrest af dat het Hof een duidelijk onderscheid maakt tussen de ontvankelijkheidsbeoordeling en de inhoudelijke beoordeling van de nieuwe elementen en bevindingen. Op het moment dat de lidstaat de inhoud van de elementen en bevindingen onderzoekt is de drempel van de ontvankelijkheid reeds genomen, zodat de waardering van die elementen en bevindingen niet ten grondslag kan worden gelegd aan de beslissing om een opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren.

18. Om de bewijswaarde van documenten goed te kunnen beoordelen zal verweerder bij zijn beoordeling nadere feiten en omstandigheden moeten betrekken zoals bijvoorbeeld de aard van de documenten, hoe eiser aan de documenten is gekomen, waarom eiser vindt dat deze documenten zijn relaas ondersteunen en of dergelijke documenten in het land van herkomst gangbaar zijn ondanks dat Bureau Documenten niet over referentiemateriaal beschikt en ondanks documentenonderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over de echtheid van deze documenten.

19. Verweerder zal zich dus dienen te vergewissen van dit soort feiten en omstandigheden door eiser actief te bevragen en dus door eiser in de gelegenheid te stellen hierover te verklaren in een gehoor. Verweerder kan zich dan ook in beginsel niet beperken door eiser enkel toe te staan deze informatie op de M35-O te vermelden en te reageren in een zienswijze, maar zal eiser -om tot een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit te komen- in persoon moeten horen.

20. De rechtbank komt in deze procedure tot de conclusie dat verweerder op grond van zijn beleid en de vaste jurisprudentie van de Afdeling, maar evident in strijd met het Unierecht in zijn besluitvorming de door eiser overgelegde documenten en filmbeelden zonder inhoudelijke beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten bij het onderzoeken of eiser zijn relaas alsnog aannemelijk heeft gemaakt en in aanmerking komt voor internationale bescherming.

21. Weliswaar heeft verweerder ter zitting desgevraagd bij wijze van subsidiair standpunt aangegeven dat de inhoud van de documenten en de filmbeelden niet kan afdoen aan het besluit, echter dit laat onverlet dat eiser in de gelegenheid had moeten worden gesteld om in een gehoor toe te lichten waarom hij zich op het standpunt stelt dat de overgelegde documenten en de USB-stick zijn relaas onderbouwen. Verweerder heeft de beelden die zijn opgeslagen op de USB-stick niet betrokken bij zijn besluitvorming. Om tot een goede bewijswaardering van deze elementen te komen dient verweerder eiser actief te bevragen naar onder meer de wijze en het tijdstip van verkrijgen en na te gaan of eiser kan verklaren over de waarde en betekenis van deze documenten in zijn land van herkomst. Verweerder zal bovendien de beelden die waarneembaar zijn op de USB-stick moeten plaatsen in de algemene informatie die hem bekend is over de Taliban en hun doorgaans uiterst gewelddadige bedreigingen en handelingen. Eiser zal ook in de gelegenheid dienen te worden gesteld om met zijn eigen verklaringen nader te onderbouwen dat de beelden passen in het algemene beeld van dreiging en geweldsniveau door de Taliban.

Voordeel van de twijfel

22. Verweerder dient deze nieuwe elementen in onderlinge samenhang te bezien en vervolgens te betrekken bij het reeds geloofwaardig geachte deel van het relaas van eiser, waarbij verweerder, gelet op het arrest van het Hof, net als bij een eerste aanvraag actief en welwillend zal moeten onderzoeken, voor zover hij op grond van de nieuwe elementen niet tot de conclusie komt dat het relaas integraal geloofwaardig is, of hij aan eiser het voordeel van de twijfel kan gunnen.

De rechtbank overweegt hierbij uitdrukkelijk dat het Hof in punt 43 uiteenzet hoe verweerder dit moet beoordelen op grond van het Unierecht. Dit toetsingskader is integraal overgenomen in de nationale regelgeving. Verweerder zal dus, als de thans aangevoerde elementen na een gehoor en inhoudelijke beoordeling niet tot een inwilliging leiden, niet alleen moeten motiveren waarom het relaas niet geloofwaardig of zwaarwegend genoeg is. Verweerder zal tevens uitdrukkelijk en kenbaar moeten motiveren of eiser oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen, eiser alles heeft overgelegd waarover hij beschikt, eiser, indien verweerder had verwacht dat hij meer zou kunnen overleggen, heeft kunnen uitleggen waarom hij daartoe niet in staat is, of de verklaringen van eiser samenhangend en niet strijdig zijn met algemeen bekende informatie over de Taliban, eiser zijn (opvolgende) verzoek zo spoedig mogelijk heeft ingediend en eiser in grote lijnen geloofwaardig heeft verklaard.

23. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de eerste procedure een aantal tegenstrijdigheden heeft tegengeworpen. Verweerder heeft niet overwogen dat de verklaringen van eiser niet passen bij het beeld dat verweerder op grond van algemeen bekende informatie heeft van de Taliban en meer in het bijzonder van de gewelddadige handelwijze als het gaat om de bejegening van individuen. Eiser is in de onderhavige procedure niet gehoord. Verweerder heeft ook niet tegengeworpen dat eiser in staat moet worden geacht zijn relaas met specifieke andere documenten te kunnen onderbouwen. Verweerder heeft niet tegengeworpen dat eiser specifieke andere documenten had kunnen overleggen maar dit niet heeft gedaan. Verweerder heeft tot slot van aanvang af het relaas van eiser grotendeels geloofwaardig geacht.

24. Indien verweerder na het horen en het grondig en in onderlinge samenhang beoordelen van de nieuwe elementen met de onderbouwing van het relaas van eiser in de eerste procedure en het daarbij reeds geloofwaardig geachte deel van relaas niet tot een inwilliging komt dient verweerder kenbaar - en dus voor de rechter toetsbaar- te motiveren waarom eiser niet het voordeel van de twijfel kan worden gegund en op grond daarvan tot inwilliging van de asielaanvraag kan worden overgegaan.

Beoordeling medische aspecten in opvolgende asielaanvragen

25. Eiser heeft aan deze opvolgende asielaanvraag ook zijn medische omstandigheden ten grondslag gelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in opvolgende procedures niet hoeft te worden beoordeeld of verblijf op reguliere gronden of uitstel van vertrek op medische gronden moet worden toegestaan.

26. De rechtbank stelt vast dat verweerder met deze overweging de strekking van deze beroepsgrond miskent. Eiser heeft bij de zienswijze informatie overgelegd van zijn psycholoog en psychiater, gedateerd op 17 oktober 2019. In deze brief worden de klachten van eiser en de voortgang van de behandeling van eiser beschreven. Eiser heeft in de gronden van beroep aangegeven dat deze informatie ook als een nieuw element moet worden gekwalificeerd omdat deze medische informatie een verband legt tussen zijn medische klachten en de gebeurtenissen in het land van herkomst. Uit deze toelichting volgt onmiskenbaar dat eiser deze medische informatie als steunbewijs voor zijn asielrelaas heeft overgelegd. In de brief worden bovendien ernstige psychische klachten beschreven. De rechtbank sluit niet uit dat deze beschreven klachten het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren regarderen.

27. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat deze brief ook een nieuw element is. Gelet op de datum van de brief van de behandelaars en de vaststelling dat deze brief dus niet is betrokken bij de beslissing in de voorgaande procedure en de inhoud bovendien de kern van het asielrelaas betreft wordt hiermee de ontvankelijkheidsdrempel gehaald.

28. Omdat eiser een verband legt tussen de kern van zijn asielrelaas en de door de behandelaars beschreven klachten en de aangewezen behandeling hiervoor dient verweerder te onderzoeken en beoordelen of sprake is van beperkingen om te kunnen verklaren of van medisch steunbewijs. Verweerder zal in zijn nieuw te nemen besluit moeten beoordelen of hij gelet op de door eiser overgelegde medische informatie gehouden is een forensisch medisch onderzoek zoals bedoeld in artikel 18 van de Procedurerichtlijn te laten verrichten.

29. De rechtbank wijst voor het beoordelingskader van artikel 18 van de Procedurerichtlijn naar de in rechte vaststaande uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6543). De rechtbank wijst er hierbij uitdrukkelijk op dat het Hof in het arrest LH heeft uitgelegd dat verweerder ook in opvolgende procedures invulling moet geven aan zijn samenwerkingsplicht en hierbij geen onderscheid mag worden gemaakt tussen een eerste en een opvolgende procedure. Verweerder zal moeten onderzoeken of een FMO nodig is om zich ervan te kunnen vergewissen of eiser in staat is om compleet, coherent en consistent te verklaren en om te kunnen onderzoeken of sprake is van medisch steunbewijs voor zover verweerder niet reeds op grond van de inhoudelijke beoordeling van de thans overgelegde documenten tot een inwilliging van de asielaanvraag overgaat al dan niet omdat aan eiser het voordeel van de twijfel wordt gegund. Verweerder zal bij zijn beoordeling of een FMO aangewezen is niet kunnen volstaan met het overwegen dat in de eerdere procedure is tegengeworpen dat eiser op onderdelen tegenstrijdig heeft verklaard maar zal moeten motiveren waarom een FMO geen verklaring kan opleveren voor deze tegenstrijdigheden. Weliswaar is aan het gehoor in de eerste procedure een advies van het FMMU vooraf gegaan en zijn destijds geen beperkingen om te horen en beslissen geconstateerd zodat verweerder in beginsel van de toen afgelegde verklaringen mag uitgaan. Verweerder dient echter de thans overgelegde medische informatie in het kader van zijn samenwerkingsplicht die in opvolgende procedures onverkort geldt grondig te onderzoeken en kan dit nieuwe element niet zonder inhoudelijke beoordeling ter zijde schuiven onder verwijzing naar de eerdere procedure.

30. Gelet op de beroepsgrond die eiser heeft gebaseerd op zijn medische informatie komt de rechtbank in deze procedure niet toe aan de vraag of de nationale rechtspraktijk, voor zover is bepaald dat in opvolgende procedures geen beoordeling plaats hoeft te vinden van de vraag of aan verzoekers om internationale bescherming verblijf op reguliere gronden moet worden toegestaan, verenigbaar is met het Unierecht.

Conclusie

31. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat verweerder eiser niet heeft gehoord en de overgelegde documenten, filmbeelden en medische informatie bij voorbaat terzijde heeft geschoven zonder de documenten inhoudelijk te onderzoeken en te betrekken bij de beoordeling of eiser in deze procedure zijn asielrelaas alsnog aannemelijk heeft weten te maken. Het besluit wordt ook vernietigd omdat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn samenwerkingsplicht die op grond van het Unierecht onverkort geldt in opvolgende procedures. Verweerder heeft weliswaar de overgelegde documenten laten beoordelen door Bureau Documenten, maar heeft uitsluitend omdat Bureau Documenten bij gebrek aan referentiemateriaal geen uitspraken kan doen over de authenticiteit, deze documenten niet bij zijn beslissing betrokken. Gelet op het arrest van het Hof wordt met die inspanning van verweerder niet voldaan aan de samenwerkingsplicht. Het Hof heeft immers in het arrest bij de beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbank duidelijk uiteengezet dat de nationale rechtspraktijk in strijd is met het Unierecht voor zover het gaat om het categoriaal uitsluiten van documenten bij het onderzoeken of er een behoefte aan internationale bescherming bestaat. Ook heeft het Hof duidelijk uiteengezet dat niet alleen de verzoeker maar ook verweerder aan zijn samenwerkingsplicht moet voldoen, ongeacht of het een eerste of een opvolgende aanvraag om bescherming betreft. Het maken van een onderscheid in het onderzoeken van documenten en/of het invulling geven aan de samenwerkingsplicht als het niet een eerste procedure betreft is in strijd met het Unierecht.

32. De rechtbank is niet in staat zelf te voorzien in de zaak omdat verweerder eiser zal moeten horen en alle nieuwe elementen en bevindingen grondig zal moeten onderzoeken en in onderlinge samenhang en gelet op het reeds geloofwaardig geachte deel van het relaas zal moeten beoordelen. Ook zal verweerder, indien hij het relaas en de vrees bij terugkeer niet aannemelijk acht, uitdrukkelijk moeten beoordelen en kenbaar moeten motiveren of aan eiser het voordeel van de twijfel kan worden gegund. Deze bevoegdheden komen in deze fase van de procedure toe aan verweerder en kunnen door de rechtbank (nog) niet worden beoordeeld.

De rechtbank zal ondanks het aanzienlijke tijdsverloop in de procedure geen termijn bepalen waarbinnen verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal immers moeten beoordelen of hij gelet op artikel 18 van de Procedurerichtlijn in samenhang met zijn samenwerkingsplicht een FMO moet laten verrichten en verweerder zal eiser over de door hem ingebrachte medische informatie moeten horen en deze nieuwe elementen en bevindingen grondig moeten onderzoeken.

33. Artikel 3.118b, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000, gelezen in samenhang met paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en deels nader uiteengezet in Werkinstructie 2019/9 bepalen dat verweerder documenten kan uitsluiten van de beoordeling, zonder gehoor een voornemen uit kan brengen en dat verweerder een niet-inwilligend besluit kan nemen indien een vreemdeling zijn opvolgende aanvraag onderbouwt met documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of de bron niet objectief verifieerbaar is. Gelet op het hiervoor overwogene zijn deze bepalingen in strijd met het Unierecht en dienen deze bepalingen dan ook, naar het oordeel van de rechtbank en exceptief toetsend, om die reden voor dit onderdeel, buiten toepassing te blijven. Dit betekent dat besluiten van verweerder dus niet langer op deze bepalingen gebaseerd kunnen worden.

34. De rechtbank gaat er overigens van uit dat verweerder zijn beleid onverwijld in overeenstemming brengt met het Unierecht en de uitleg die het Hof van Justitie in het arrest LH van 10 juni 2021 hieraan heeft gegeven.

35. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en zal zich daarbij baseren op het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpr) en de bijlage bij dit besluit.

36. De rechtbank beoordeelt in het kader van de proceskostenveroordeling, gelet op de omstandigheid dat er een verwijzing naar het Hof van Justitie heeft plaatsgevonden en hieruit dus reeds volgt dat sprake is van complexe rechtsvragen, het gewicht van de onderhavige zaken als zwaar, zodat aan elk te benoemen punt een wegingsfactor van 1,5 toekomt. De rechtbank neemt hierbij in ogenschouw dat, anders dan wanneer enkel in een nationaalrechtelijke procedure wordt opgekomen tegen besluitvorming, het optreden in een procedure die tot prejudiciële vragen leidt een andere en meer complexe voorbereiding vergt waarbij nagenoeg geen steun voor standpunten kan worden gevonden in reeds bestaande jurisprudentie en onder meer dus ook andere bronnen moeten worden betrokken bij het vertegenwoordigen van de vreemdeling.

37. Op grond van het Bpr zal de rechtbank in de procedure van eiser de volgende proceshandelingen waarderen en daaraan de navolgende punten toekennen.

- Beroepschrift, 1 punt

- Verschijnen ter zitting op 5 november 2019, 1 punt

- Schriftelijke opmerkingen bij het Hof van Justitie, 2 punten

- Nadere conclusie na wijzen arrest door het Hof, 1 punt

De proceskosten die verweerder in de zaak van eiser moet voldoen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank gelet op het bovenstaande vast op

€ 5.610,00 (5 punten met een waarde per punt van € 748,00,- en een wegingsfactor 1,5).

38. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draag verweerder op opnieuw te beslissen op de opvolgende asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5.610,00.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en

mr. R.H. van Marle, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 juli 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 16 december 2019 kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.