Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6967

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
AWB – 21 _ 306
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot subsidieverlening op grond van de NOW-3. De na juni 2020 aangenomen werknemers kunnen niet bij de berekening van de loonsom worden betrokken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder hoeft geen rekening te houden met de daadwerkelijke loonkosten van eiseres. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-7-2021
FutD 2021-2440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/306


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2021 in de zaak tussen

La Croûte B.V., te Warmond, eiseres,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigden: mr. J.J. Grasmeijer en M.A. Brouwer).

Procesverloop

In het besluit van 18 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder een tegemoetkoming op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3) aan eiseres toegekend ten bedrage van € 4.925,-, waarvan

€ 3.939,- als voorschot.

In het besluit van 16 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2021. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 16 november 2020 heeft eiseres een tegemoetkoming op grond van de NOW-3 aangevraagd in verband met een verwacht omzetverlies van 70% vanaf 1 oktober 2020. Bij het primaire besluit heeft verweerder een tegemoetkoming van € 4.925,- aan eiseres toegekend. Hiervan wordt € 3.939,- als voorschot uitbetaald. Voornoemde bedragen zijn berekend op basis van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2020 (de subsidieperiode).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om voor de loonsom af te wijken van het aangiftetijdvak juni 2020. De NOW-3 is zo vormgegeven dat verweerder in zeer korte tijd een grote hoeveelheid aanvragen kan beoordelen. Afwijken van de regeling zou tot gevolg hebben dat deze doelstelling niet gehaald kan worden. Het is daarom niet mogelijk om de loonsom te bepalen aan de hand van de loonkosten over de subsidieperiode. De door eiseres na juni 2020 aangenomen werknemers kunnen daarom niet bij de berekening van de loonsom worden betrokken. De aan eiseres toegekende tegemoetkoming is volgens verweerder dan ook juist vastgesteld.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat juni 2020 geen representatieve maand is. De situatie over de subsidieperiode is wezenlijk anders dan in juni 2020, nu eiseres in oktober 2020 haar restaurant moest sluiten vanwege de maatregelen omtrent het coronavirus. Eiseres heeft in augustus en september 2020 twee werknemers in dienst genomen en op eigen kracht kunnen draaien, waardoor zij geen beroep hoefde te doen op de NOW-2. Eiseres acht het onbegrijpelijk dat verweerder niet naar de actuele situatie kijkt op het moment van de aanvraag, zodat de tegemoetkoming overeenkomt met de werkelijkheid. De tegemoetkoming voorziet nu slechts in de loonkosten voor twee van de vier werknemers van eiseres.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank leest de beroepsgrond van eiseres dat zij niet begrijpt dat verweerder niet naar de actuele situatie kijkt op het moment van de aanvraag, als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Over de vraag of de loonsombepaling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. De NOW-3 is een noodmaatregel waarbij snel een zeer groot aantal werkgevers duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. Hierdoor heeft de NOW-3 noodgedwongen een generiek karakter en kan er niet steeds maatwerk worden geboden. Uit de toelichting bij de NOW-3 volgt dat voor de bepaling van de loonsom de voorschotten van alle drie de tranches van de NOW-3 worden gebaseerd op de loonsom van juni 2020. Hiervoor is gekozen omdat juni de meest representatieve maand is waarbij de loongegevens waren vastgesteld in de polisadministratie van het Uwv, nog voor de bekendmaking van het steun- en herstelpakket, wat risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik vermindert. Verder blijkt uit de toelichting dat de NOW-3 er niet op is gericht om risico’s van uitbreiding van het personeelsbestand af te dekken.1 De NOW-3 bevat ook geen hardheidsclausule op grond waarvan afgeweken kan worden van de bepalingen van deze regeling. Dat is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Er is mede gelet op het doel van de regeling en ondanks het feit dat met de regeling niet alle werkgevers worden geholpen, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat verweerder geen rekening hoeft te houden met de daadwerkelijke loonkosten van eiseres en dit niet hoeft te corrigeren. De rechtbank overweegt dat het op dit moment niet geheel duidelijk is hoe de uiteindelijke subsidievaststelling zal verlopen.

4.2.

De conclusie is dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiseres op grond van de NOW-3 recht heeft op een tegemoetkoming van € 4.925,- over de subsidieperiode. Daarvan betaalt verweerder een voorschot van € 3.939,-.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Stcrt. 2020, 52209, p. 18-19.