Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6937

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
21-178
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 7 Wet DNA-onderzoek minderjarige ongegrond. Geen schending van het vertrouwensbeginsel. Minderjarigheid veroordeelde is geen uitzondering als bedoeld in art. 2 van die wet. Tijdsverloop staat afname DNA niet in de weg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/760393-12

Raadkamernummer: RK21/178

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat mr. Römelingh, adres: Jan van Nassaustraat 55, 2596 BP te Den Haag.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit bezwaar op 1 juni 2021 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van een deel van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De veroordeelde, bijgestaan door mr. Römelingh, is in raadkamer gehoord.

Inleiding

Bij vonnis van 2 juli 2012 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld voor openlijke geweldpleging tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij beslissing van 26 oktober 2020 heeft de officier van justitie de afname van celmateriaal bevolen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Deze afname heeft plaatsgevonden op 14 januari 2021. De veroordeelde heeft op 20 januari 2021 het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA ingediend bij de griffie van deze rechtbank.


Het bezwaar

Het standpunt van de verdediging komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat het afnemen van DNA in deze zaak in strijd met het vertrouwensbeginsel. Ten tijde van de veroordeling van veroordeelde was het beleid van het Openbaar Ministerie om geen DNA af te nemen bij minderjarigen. Door de uitspraak in de ‘Zaak Bart van U’ is dat beleid met terugwerkende kracht gewijzigd. Een dergelijke beleidswijziging met terugwerkende kracht is in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijk strafprocesrecht, in het bijzonder met het vertrouwensbeginsel. De veroordeelde mocht vertrouwen op het impliciete besluit van het Openbaar Ministerie, dat geen DNA zou worden afgenomen.

Voorts heeft, gelet op het tijdsverloop, de afname van DNA geen betekenis voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. De veroordeelde was ten tijde van het begaan van het strafbare feit 13 jaar oud en er is geen sprake van recidive. Hoewel het feit is te kwalificeren als openlijke geweldpleging, ging het in die zaak om een ruzie tussen dertienjarigen. Dat is niet een typische zaak waarbij DNA van betekenis kan zijn. Wanneer de zaak van de veroordeelde wordt vergeleken met de uitspraken van de VN Mensenrechtencomité, waarin werd geoordeeld dat afname van DNA disproportioneel was, meent de veroordeelde dat hetzelfde oordeel in deze zaak ook gegeven kan worden. In die zaken ging het immers om minderjarigen die werden veroordeeld voor soortgelijke dan wel zwaardere strafbare feiten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. De officier van justitie is verplicht om DNA af te nemen bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Uit de inmiddels door de Hoge Raad gevormde jurisprudentie kan worden afgeleid dat de uitzonderingen zoals bedoeld in de Wet DNA zeer beperkt moeten worden uitgelegd en dat in het onderhavige geval geen uitzondering aan de orde is die maakt dat DNA-afname bij veroordeelde achterwege had moeten blijven. De officier van justitie kijkt daarbij onder meer naar hoogte van de straf die destijds aan veroordeelde is opgelegd. In de door de raadsman genoemde zaken van het VN Mensenrechtencomité ging het om zaken waar lagere straffen zijn opgelegd. Voorts blijkt uit de justitiële documentatie van de veroordeelde dat hij nadien verschillende keren met justitie in aanraking is gekomen, zodat de kans op recidive niet zeer klein wordt geacht.

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de Wet DNA bij veroordeelden (hierna: de Wet DNA) kan de officier van justitie bevelen dat celmateriaal wordt afgenomen bij een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Bij vonnis van 2 juli 2012 is de veroordeelde door de kinderrechter veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor openlijke geweldpleging. Dit is een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering, zodat bij de veroordeelde op basis van deze wet celmateriaal kon worden afgenomen. Het bevel en de afname voldoen ook verder aan de daartoe (in de wet) gestelde vormvoorschriften.

Schending vertrouwensbeginsel

Voor zover de veroordeelde een beroep heeft gedaan op schending van het vertrouwensbeginsel, wordt dit beroep verworpen. Er is geen schriftelijke en ondubbelzinnige toezegging door of namens de officier van justitie dat bij de veroordeelde geen DNA zou worden afgenomen en/of verwerkt. Er is dan ook geen sprake van een rechtens te respecteren opgewekt vertrouwen.

Uitzonderingsbepaling

De rechtbank stelt voorop dat tekst, doel en strekking van de Wet DNA als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij sprake is van een uitzonderingsgeval (Hoge Raad 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234, herhaald in Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).

De Wet DNA kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Over de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond heeft de Hoge Raad in voormelde arresten bepaald dat geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de wet, behelst.

Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.

Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat op basis van de Wet DNA bij de belangenafweging geen onderscheid tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijk generieke uitzondering ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) kan worden ontleend. De rechter moet bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was echter wel betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.

De enkele omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het feit slechts 13 jaar was, is hiertoe - gelet op voormelde jurisprudentie - onvoldoende. In dit geval gaat het bovendien om een reeks aan confrontaties die (middels een gevoegde behandeling) hebben geleid tot één veroordeling voor openlijke geweldpleging. De rechtbank gaat dan ook niet mee in het standpunt van de raadsman dat ‘slechts’ sprake was van ruzie tussen dertienjarigen. Voorts kan gelet op het strafblad van de veroordeelde d.d. 1 februari 2021 evenmin worden gezegd dat het recidive gevaar gering is, nu de verdachte voor onder andere Opiumfeiten en een mishandeling is veroordeeld na de veroordeling uit 2012.

Tot slot staat de wettelijke regeling - i.h.b. art. 2, eerste lid, van de Wet DNA - er niet aan in de weg dat bij een veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen en het DNA-profiel wordt bepaald en verwerkt na een lang tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel tot afname van celmateriaal. Weliswaar blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het in verband met de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van belang is dat het bevel tot afname van celmateriaal door de officier van justitie zo spoedig mogelijk na de veroordeling wordt gegeven, maar in gevallen dat daaraan niet wordt voldaan kan niet worden gezegd dat de veroordeelde daardoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad (Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2073).

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep van veroordeelde op de uitzonderingsgrond van de Wet DNA.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. L. Kelkensberg, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. Ö. Aydin, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2021.

Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.