Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6783

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
NL21.7816
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Zwitserland, nieuwe aanvraag, situatie niet gewijzigd, minderjarigheid, doopakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.7816

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL21.7817).

Op 27 mei 2021 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om met spoed uitspraak te doen, onder verwijzing naar het bericht van verweerder dat voor eiser op 1 juni 2021 een vlucht is geboekt naar Zürich.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 28 mei 2021 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2021 in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Eritrese afkomst te zijn.

Op 18 oktober 2020 heeft eiser voor de eerste keer een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 22 februari 2021 op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw1 niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening2 Zwitserland

1. Vreemdelingenwet 2000.

2 Verordening (EU) nr. 604/2013.

verantwoordelijk was voor de behandeling van die aanvraag. Eiser is tegen dat besluit in beroep gegaan bij de rechtbank. Dat beroep is door de rechtbank op 16 maart 2021 ongegrond verklaard.3

2. Op 29 april 2021 is eiser in bewaring gesteld en is tevens de overdracht aan de Zwitserse autoriteiten op 6 mei 2021 aangekondigd. Daarop heeft eiser op 29 april 2021 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Naar aanleiding daarvan is de aangekondigde overdracht geannuleerd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit ook de asielaanvraag van 29 april 2021 op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw niet in behandeling genomen.

3. Verweerder is in het bestreden besluit (evenals in de eerdere beschikking van

22 februari 2021) uitgegaan van de geboortedatum van eiser die destijds in Zwitserland als geboortedatum in Eurodac is geregistreerd, namelijk [geboortedatum].

Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van meerderjarigheid. Eiser heeft aangevoerd dat hij minderjarig is. Hij stelt dat hij zijn minderjarigheid met een doopakte kan aanvoeren en dat deze akte zich in digitale vorm in zijn telefoon bevindt. Eiser geeft aan dat hij niet beschikt over zijn telefoon en stelt dat het op de weg van verweerder had gelegen om de doopakte feitelijk uit de telefoon te halen en om deze bij zijn beoordeling te betrekken.

4. De rechtbank heeft zich in eerste instantie afgevraagd op welke wettelijke grondslag het bestreden besluit is gebaseerd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit artikel 30, eerste lid, van de Vw als wettelijke grondslag heeft vermeld. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De formulering van het bestreden besluit doet vermoeden dat verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 30a van de Vw of aan artikel 4:6 van de Awb.4 Verweerder heeft namelijk in de motivering van het bestreden besluit de termen ‘opvolgende aanvraag’, ‘nieuwe elementen of bevindingen’ (artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vw) en ‘nieuwe feiten of omstandigheden’ (artikel 4:6 Awb) vermeld. De rechtbank gaat er evenwel van uit dat het bestreden besluit niet op die artikelen is gebaseerd. Toepassing van die artikelen zou immers hebben geleid tot het niet-ontvankelijk verklaren of het afwijzen van de aanvraag, maar in dit geval is het helemaal niet tot behandeling van de aanvraag gekomen, omdat verweerder er nog steeds van uitgaat dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

5. Verweerder heeft beoordeeld of aan de aanvraag van 29 april 2021 redenen ten grondslag hebben gelegen die aanleiding geven om, anders dan bij de aanvraag van

3 Zaaknummers NL21.2671 en NL21.2672, zittingsplaats Den Haag.

4 Algemene wet bestuursrecht.

18 oktober 2020, de aanvraag nu wel in behandeling te nemen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat dat niet het geval is.

Zoals ook al in de eerdere uitspraak van 16 maart 2021 is overwogen, is het aan eiser om zijn gestelde minderjarigheid te onderbouwen.

De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn asielaanvraag van 29 april 2021 en daarna geen bewijsstukken heeft overgelegd. De rechtbank stelt tevens vast dat eiser bij het gehoor op 10 mei 2021 expliciet en meerdere malen heeft verklaard dat zijn situatie ten opzichte van de vorige aanvraag niet is gewijzigd. Wel heeft eiser melding gemaakt van het bestaan van de doopakte en dat hij daarvan een kopie in zijn telefoon heeft zitten. Uit het rapport van gehoor blijkt echter niet dat eiser daarbij heeft aangegeven dat zijn telefoon in beslag was genomen of dat hij de wens heeft geuit om zijn telefoon weer terug te kunnen krijgen om de doopakte te kunnen tonen. Ook blijkt niet dat hij verweerder heeft verzocht om het document uit zijn telefoon te (laten) halen. Verder is niet gebleken dat eiser naderhand nog pogingen heeft ondernomen om (tijdelijk) zijn telefoon terug te krijgen of om het document uit zijn telefoon te laten halen. De rechtbank ziet niet in waarom de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van de doopakte bij verweerder zou moeten worden neergelegd. Het door eiser gestelde, dat zijn telefoon tijdens de inbewaringneming in beslag was genomen, wil niet zonder meer zeggen dat eiser daardoor in bewijsnood verkeerde of dat verweerder daar dan wel de beschikking over zou hebben.

Overigens geldt, in navolging van de rechtbank in de uitspraak van 16 maart 2021, dat een doopakte niet een door de autoriteiten afgegeven, identificerend document is en daarmee ook geen begin van bewijs van minderjarigheid. Ook om die reden heeft verweerder hiernaar geen verder onderzoek hoeven doen.

6. Wat onder 4. hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is voorzien van een verwarrende en onvoldoende deugdelijke motivering. Eiser is door dat gebrek niet benadeeld omdat verweerder wel terecht heeft besloten om de aanvraag van eiser van 29 april 2021 niet in behandeling te nemen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

7. Het beroep zal ongegrond verklaard worden. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten

bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 534,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 534,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van

N.A. D’Hoore, griffier, op 25 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Documentcode: DSR15616384

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.