Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6749

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
AWB 21/816
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis – opvolgende aanvraag - familierechtelijke relatie – brondocument – expert opinion - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/816

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.N. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 2] (referent) en A. Mohammedahli (tolk).

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Zij stelt verder de dochter te zijn van referent.

2. Ten behoeve van het verblijf van eiseres in Nederland heeft referent op 5 februari 2016 een eerste mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 22 maart 2017 afgewezen. Bij uitspraak van 20 december 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, is het beroep daartegen ongegrond verklaard.1 Het besluit van 22 maart 2017 staat daarmee in rechte vast.

3. Op 15 juli 2019 heeft referent namens eiseres de onderhavige, tweede mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 6 november 2020 (het primaire besluit) afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond en dat geen bewijsnood wordt aangenomen voor het overleggen van officiële familierechtelijke documenten. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 20 december 2018. Verder overweegt verweerder dat er geen substantiële indicatieve documenten inzake de familierechtelijke relatie zijn overgelegd en bestaat er reeds daarom geen noodzaak voor verweerder om nader onderzoek te doen. Tot slot overweegt verweerder dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt. Er is namelijk niet gebleken dat referent voldoende invulling heeft gegeven aan een feitelijke gezinsband met eiseres.

4. Eiseres voert daartegen aan dat met de overgelegde authentieke geboorteakte van eiseres de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent vaststaat. Eiseres stelt dat zij het brondocument niet kan overleggen, omdat het een intern document van de Eritrese autoriteiten betreft. Eiseres heeft daarbij verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea uit 2017, waarin staat dat wijzigingen in de burgerlijke staat van een gezinslid moeten worden geregistreerd in de familieregisters van de Kebabi-overheden. Ter nadere onderbouwing overlegt eiseres in beroep een expert opinion van Amanuel Yohannes Abraha, een voormalig Eritrese rechter in burgerlijke zaken. Deze deskundige concludeert dat het document waar de geboorteakte naar verwijst een letter of support is en dat het zeer waarschijnlijk is dat eiseres niet over dit document kan beschikken. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haar en referent. De band tussen eiseres en referent blijkt volgens eiseres uit het gegeven dat referent haar erkend heeft als zijn kind, waardoor referent zowel de biologische als de juridische vader van eiseres is. Daarnaast heeft referent eiseres in Eritrea ten minste één keer per maand bezocht, terwijl hij daarbij het gevaar liep om opgepakt te worden tijdens een razzia. Dat referent niet samenwoonde met de moeder van eiseres maakt niet dat er geen sprake kan zijn van hechte persoonlijke banden. Tot slot is ter zitting aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 20 december 2018 staat in rechte vast dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond met de tardief opgemaakte geboorteakte van eiseres, omdat het daarin genoemde brondocument niet is overgelegd en referent over dit document wisselende verklaringen heeft afgelegd. Het is aan eiseres om de familierechtelijke relatie in deze procedure alsnog aannemelijk te maken.

6. Daarin is eiseres niet geslaagd. Eiseres heeft het brondocument, waar haar geboorteakte naar verwijst, niet overgelegd. De verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea uit 2017 slaagt niet, nu de daarin opgenomen informatie niet ziet op brondocumenten van geboorteaktes en de eventuele onmogelijkheid om deze brondocumenten te overleggen. De informatie uit de overgelegde expert opinion over het ontbreken van het brondocument is veelal algemeen van aard en onvoldoende toegespitst op het specifieke geval van eiseres. Daarom is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres niet over het brondocument kan beschikken. Bovendien heeft eiseres met deze expert opinion geen uitleg gegeven over de wisselende verklaringen die referent tijdens de vorige procedure over het brondocument heeft afgelegd.

7. Nu de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt, heeft verweerder de aanvraag reeds om die reden kunnen afwijzen. De beroepsgronden die zien op het bestaan een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent behoeven daarom geen bespreking meer.

8. Uit deze uitspraak blijkt dat het meteen duidelijk was dat het bezwaar geen kans van slagen had. Verweerder heeft daarom mogen afzien van horen op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb2.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, op 24 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De rechter is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zaaknummer AWB 18/1980.

2 Algemene wet bestuursrecht.