Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6739

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
AWB 20/7765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf ‘niet tijdelijk humanitair’. Mvv-vereiste. Artikel 8 EVRM-belangenafweging. Horen in bezwaar. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/7765

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Mauritaanse nationaliteit.

2. In 2001 is eiser Nederland ingereisd. Sindsdien heeft hij diverse verblijfsaanvragen ingediend, die niet tot het verlenen van rechtmatig verblijf hebben geleid.

3. Bij uitspraak van 30 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:6561) heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat aan eiser terecht geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire redenen’ is verleend. De rechtbank heeft geoordeeld dat eiser in november 2009 heeft geweigerd om mee te werken aan zijn vertrek en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij sindsdien het nodige in het werk heeft gesteld om alsnog in het bezit te komen van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit staat in rechte vast.

4. Op 24 oktober 2019 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire redenen’. Bij besluit van 3 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat er geen sprake is van familie- of privéleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft in dit besluit verder overwogen dat het eerder tegen eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod geldig blijft.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de aanvraag worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

7. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan vrijstelling van het mvv-vereiste plaatsvinden wanneer uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers familie- en privéleven in Nederland, voor zover aanwezig, is opgebouwd terwijl hij niet in het bezit was van een verblijfsstatus. Dit brengt met zich dat artikel 8 van het EVRM slechts onder exceptionele omstandigheden noopt tot verblijfsaanvaarding. Dit volgt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), bijvoorbeeld het arrest van 28 juni 2011 in de zaak Nunez (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709).

9. Niet in geschil is dat eiser al lang in Nederland verblijft en dat hij is geïntegreerd, zodat er sprake is van privéleven. Evenmin is in geschil dat eiser een affectieve relatie heeft met de Nederlandse mevrouw [naam 2] zodat tevens sprake is van familieleven. Eiser bestrijdt echter niet dat zijn banden met Nederland niet exceptioneel zijn omdat deze inherent zijn aan de duur van zijn verblijf.

10. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat er mogelijkheden zijn om het familie- en privéleven in Mauritanië uit te oefenen. Daarbij stelt hij dat hij in het verleden niet uitzetbaar is gebleken, dat hij kampt met psychische problemen en dat hij met zijn vriendin in een achtergestelde positie terecht zou komen. De rechtbank volgt eiser hierin niet.

11. Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat verweerder bij het maken van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onder meer meeweegt of er sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- of privéleven in het land van herkomst uit te oefenen. Het enkele feit dat eiser momenteel niet in het bezit is van een Mauritaans identiteitsdocument is niet als zodanig aan te merken, omdat daarmee nog niet aannemelijk is gemaakt dat hij niet tot Mauritanië zal worden toegelaten. Bovendien staat in rechte vast dat eiser in ieder geval tot 30 mei 2017 onvoldoende inspanningen heeft verricht om een Mauritaans document te verkrijgen. Eisers stelling dat hij dat sindsdien wel heeft gedaan, is op geen enkele manier onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat eiser op dit moment wordt behandeld voor psychische klachten en dat deze behandeling in Mauritanië niet aanwezig dan wel voor eiser niet toegankelijk is. Ook de stellingen dat eiser bij terugkeer zal worden gediscrimineerd en dat zijn vriendin als vrouw in een achtergestelde positie terecht zal komen, zijn niet van enige onderbouwing voorzien. Eiser heeft nog naar voren gebracht dat hij zich houdt aan zijn meldplicht en dat hij zich aldus niet aan het toezicht van verweerder onttrekt, maar dit ziet niet op de verblijfsmogelijkheden in Mauritanië.

12. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder gezien de gronden van bezwaar, gelezen in relatie tot het primaire besluit, heeft kunnen overwegen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is zodat mocht worden afgezien van horen in bezwaar op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 24 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.