Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
NL21.7602
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen - verweerder heeft terecht gesteld dat eiser zijn gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.7602


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Saglik).


Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.7603, plaatsgevonden op 3 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Okorie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1996. Hij heeft – samengevat weergegeven - aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest gedood te worden door de mensensmokkelaar (hierna: [A] ) die hem heeft geholpen naar Europa te komen. Eiser heeft van [A] geld geleend voor zijn reis naar Europa, waar eiser zou proberen een bokscarrière te starten. Eiser heeft het geld echter niet terugbetaald aan [A] , waardoor hij bij terugkeer naar Nigeria vreest voor de consequenties. Verder vreest eiser bij terugkeer naar Nigeria dat hij door zijn gemeenschap gedood zal worden vanwege problemen rond een stuk land dat eiser van zijn vader heeft geërfd. Na de dood van zijn vader, is het stuk grond door de gemeenschap afgepakt. De familie van eiser is vervolgens, vanwege het conflict over het stuk grond, bedreigd tot het moment dat eiser Nigeria verliet.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de gemeenschap;
- met hulp van [A] ( [A] ) naar Italië gebracht om daar te gaan boksen.

Verweerder heeft alle relevante elementen geloofwaardig geacht. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser de gestelde vrees voor de gemeenschap dan wel voor [A] niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank gaat hierna in op wat eiser heeft aangevoerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van zijn problemen met de gemeenschap en/of vanwege [A] . Ook is in geschil of eiser als slachtoffer van mensenhandel bij terugkeer naar Nigeria in een situatie komt die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De problemen met de gemeenschap

4.1.

Volgens eiser stelt verweerder ten onrechte dat hij bij terugkeer naar Nigeria geen problemen zal ondervinden met de gemeenschap. Gelet op de verklaringen van eiser over de bedreigingen in het verleden vanwege het stuk land van zijn vader, zal eiser problemen ondervinden als hij bij terugkeer in Nigeria het stuk land zal gaan bewerken.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de gemeenschap een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser heeft verklaard dat hij ondanks de bedreigingen van de gemeenschap jarenlang het land met zijn familie is blijven bewerken. Verweerder heeft dan ook mogen stellen dat niet valt in te zien waarom eiser bij terugkeer opeens te vrezen zou hebben dat hij door de gemeenschap zal worden gedood. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de vrees dat er nu andere mensen uit de gemeenschap het land bewerken en dat die eiser iets zullen willen aandoen, niet nader is geconcretiseerd. Verweerder heeft hierin dan ook terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel.

[A] en de bescherming in Nigeria

4.3.

Eiser voert aan dat hij te vrezen heeft voor [A] . Het enkele feit dat hij een aantal jaren niets van [A] heeft gehoord, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [A] geen gevaar meer vormt. De stilte vanuit [A] is ook te verklaren, aangezien eiser, en later ook zijn moeder en familie, Nigeria hebben ontvlucht. Het artikel van Ika Times Newspaper onderbouwt voorts dat [A] een gevaar vormt voor eiser. Dat het artikel vanwege spelfouten of vanwege de status van de krant en de journalisten niet als onderbouwing kan dienen, bestrijdt eiser. Verder voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet als slachtoffer van mensenhandel aanmerkt. Het is voor hem als mannelijk slachtoffer van mensenhandel onmogelijk om bescherming van de politie dan wel van ngo’s te krijgen. Eiser verwijst hiervoor naar een recent rapport van EASO en het Algemeen Ambtsbericht Nigeria.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege [A] een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder, anders dan eiser meent, van belang heeft mogen achten dat eiser sinds 2016 niets meer heeft vernomen van [A] . Zoals verweerder heeft gemotiveerd in het bestreden besluit, heeft eiser daarnaast verklaard dat ook zijn moeder sinds 2016 niets meer van [A] heeft gehoord. Dat eiser en zijn familie Nigeria zijn ontvlucht, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van eiser dat [A] nog altijd naar hem op zoek is, maar hem vanwege zijn vlucht niet heeft kunnen vinden, betreft een niet nader geconcretiseerd vermoeden van eiser.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet de waarde heeft hoeven hechten aan het artikel van Ika Times Newspaper uit 2016 die eiser daaraan gehecht wenst te zien. De rechtbank overweegt dat uit dit artikel uit 2016 niet valt af te leiden dat eiser op dit moment van [A] te vrezen heeft. Ook heeft verweerder het vreemd mogen achten dat eiser dankzij het artikel op de hoogte is geraakt van de aangifte die zijn moeder zou hebben gedaan tegen [A] , terwijl hij in die periode meermaals telefonisch contact had met zijn moeder.

4.5.

Ten aanzien van de verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht en het rapport van EASO, overweegt de rechtbank als volgt. Uit deze stukken blijkt dat mensenhandel een serieus probleem vormt in Nigeria en dat de geboden en beschikbare bescherming voor slachtoffers van mensenhandel niet geheel toereikend is. Nu eiser echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor [A] , dan wel dat hij anderszins bescherming nodig heeft, kan de verwijzing naar deze twee stukken niet tot het oordeel leiden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.


Verwijzing naar zienswijze

4.6

Ten aanzien van de verwijzing van eiser naar wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank tot slot dat verweerder hierop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom het bestreden besluit op die punten onjuist zou zijn. De beroepsgrond kan al hierom niet slagen.

Wat is de conclusie?

5. Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

6. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid vanmr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.