Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6666

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 8186
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM - motiveringsgebrek - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/8186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.R. Bissessur),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Demoed-van Dongen en mr. K. van Iwaarden).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (referent) afgewezen.


Bij besluit van 24 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 19 februari 2019 (AWB 18/4615, niet gepubliceerd) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 30 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M. Demoed-van Dongen. Ook is verschenen referent, de echtgenoot van eiseres.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiseres in de gelegenheid gesteld om onder meer de actuele medische situatie van referent met stukken te onderbouwen.

Op 4 augustus 2020 heeft de rechtbank van eiseres stukken ontvangen. Op
4 september 2020 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiseres heeft aangegeven dat zij behoefte heeft aan een nadere zitting.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K. van Iwaarden. Ook zijn verschenen referent en [A] ondersteuner van eiseres en referent vanuit MEE ZHN.

Overwegingen

1.
Eiseres heeft de Indonesische nationaliteit en is geboren op 16 april 1959. Zij beoogt verblijf bij haar echtgenoot, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiseres heeft haar aanvraag op 6 februari 2018 ingediend.

2.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en evenmin op grond van de hardheidsclausule.

3.
Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere feiten en omstandigheden van het geval. Referent is ernstig ziek. Referent heeft een erfelijke en chronische oogziekte waardoor hij op korte termijn volledig blind zal zijn. In combinatie met zijn ernstige darmproblemen is hij volledig afhankelijk van eiseres. Het beroep is ook eerder gegrond verklaard vanwege de medische verslechtering.

4.
In het kader van artikel 8 van het EVRM dient verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging te betrekken en dient hij een 'fair balance' te maken tussen enerzijds het belang van eiseres bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

5. Eiseres en referent zijn in 2014 in Nederland getrouwd, waarna zij naar Indonesië zijn vertrokken om daar hun leven voort te zetten. Referent was daar werkzaam. Begin 2017 is referent in Indonesië geopereerd aan een blindedarm ontsteking. Daarna is referent naar Nederland gegaan om zich nader te laten onderzoeken. Hij bleek een infectie te hebben. Verder heeft referent ernstige oogproblemen gekregen als gevolg van een erfelijke oogziekte. Aan een oog is hij blind en aan het andere oog zeer slechtziend. Zijn gezichtsvermogen verslechtert verder. Eiseres is in verband met het overlijden van haar schoonmoeder en de medische achteruitgang van referent met een visum naar Nederland gekomen. Het was de bedoeling dat eiseres en referent na herstel van referent zouden terugkeren naar Indonesië.

Op 6 februari 2018 heeft eiseres deze mvv-aanvraag ingediend. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de medische toestand van referent in korte tijd snel achteruit ging, er onzekerheid was wanneer zijn situatie weer zou verbeteren en bij de laatste inreis na contact met de Marechaussee bleek dat het visum niet meer geldig was. Inmiddels is de medische situatie van referent ernstig verslechterd en betoogt eiseres dat daardoor sprake is van een grote emotionele band en dat referent afhankelijk is van haar zorg.

6. De rechtbank overweegt met betrekking tot artikel 8 van het EVRM het volgende.

6.1

Verweerder heeft voor de belangenafweging overwegend verwezen naar het primaire besluit van 14 maart 2018. Verweerder weegt in het nadeel van eiseres mee:

-dat ze in Nederland gezinsleven is gaan uitoefenen met referent zonder dat ze hier mocht verblijven;

-dat eiseres oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het visum;

-dat referent thans geen inkomen uit arbeid heeft;

-dat eiseres en referent familieleven in Indonesië kunnen uitoefenen en dat niet aannemelijk is dat behandeling daar niet mogelijk is.

6.2

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van deze zaak, de door verweerder genoemde onderdelen die ten nadele van eiseres zijn meegewogen een groot gewicht toekomt.

Verwezen wordt naar de feiten en omstandigheden die onder 5 zijn weergegeven. De rechtbank acht hierbij van belang dat er aanwijsbare redenen zijn die onderbouwen dat het de bedoeling was dat eiseres tijdelijk naar Nederland zou komen vanwege het overlijden van haar schoonmoeder en dat zij door de medische verslechtering van referent langer is gebleven dan het plan was en uiteindelijk nog hier aanwezig is.

6.3

Verder blijkt uit de medische stukken dat referent lijdt aan een ernstige chronische oogziekte met een zeer slechte prognose en andere ernstige pijnklachten heeft. Niet alleen is referent hulpbehoevend en ligt het voor de hand dat hij de steun van eiseres nodig heeft. Maar ook is in deze omstandigheden sprake van een grote emotionele band tussen referent en eiseres. Daarbij komt dat referent de Nederlandse nationaliteit heeft en dat eiseres en referent al geruime tijd getrouwd zijn en samenleven. Gezien de medische toestand valt niet zonder meer in te zien dat eiseres met referent ook in Indonesië familieleven kan uitoefenen. In dit licht bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan het belang van eiseres om hier in Nederland te verblijven geen groter gewicht toekomt.

6.4

Gelet hierop kan niet zonder meer worden geoordeeld dat sprake is van een fair balance in de belangenafweging van verweerder. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met een deugdelijke motivering.

7.
Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verweerder om de belangenafweging te maken en kan de rechtbank alleen enigszins terughoudend toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aan het belang van de Staat meer gewicht toekomt. De rechtbank kan daar niet een zelfstandig oordeel over geven en zal daarom niet zelfstandig in de zaak voorzien. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld, zal verweerder de belangenafweging in ieder geval opnieuw moeten maken, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor zes weken de tijd. De termijn gaat lopen zodra deze uitspraak is verzonden.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 534,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2019;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.