Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6652

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
C/09/612056 / HA ZA 21-469
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschappelijke woning te Nederland na echtscheiding. Huwelijk gesloten te Marokko, partijen hebben (mede) de Marokkaanse nationaliteit. Rechtsmacht: Verordening Huwelijksvermogensstelsels of Brussel Ibis. Chelouche / Van Leer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/74.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/ 612056 / HA ZA 21-469

Vonnis van 23 juni 2021

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. R. Koelman te Den Haag,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats 2],

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 mei 2021, tegen de eerste rolzitting van 26 mei 2021, met twee bijlagen;

  • -

    het ter rolzitting van 26 mei 2021 tegen gedaagde verleende verstek;

  • -

    het B-6 formulier met als bijlage een uittreksel uit kadaster.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Voor de ingestelde vordering en de daartoe gestelde feiten verwijst de rechtbank, gelet op artikel 230 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kortheidshalve naar de aan dit verstekvonnis gehechte en gewaarmerkte kopie van de dagvaarding.

internationale zaak

De vordering betreft de verdeling van de gemeenschappelijke woning van partijen te Nederland. Partijen hebben mede de Marokkaanse nationaliteit en zijn in Marokko gehuwd. Gelet hierop heeft de zaak internationale aspecten. De rechtbank moet daarom ambtshalve onderzoeken of zij rechtsmacht heeft. Indien de rechtbank rechtsmacht heeft, moet zij ook ambtshalve nagaan naar welk materieel recht het gevorderde moet worden beoordeeld.

rechtsmacht

2.2.

De rechtbank heeft in deze zaak rechtsmacht voor zover deze valt onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (verder: de Brussel I bis-Verordening). In dat geval kan de rechtbank haar rechtsmacht immers baseren op artikel 4 Brussel I bis-Verordening (woonplaats gedaagde te Nederland).

2.3.

De rechtbank heeft in deze zaak eveneens rechtsmacht voor zover, zoals betoogd door eiseres, de internationale bevoegdheid wordt geregeld door de Verordening (EU) 2016/1103 van de raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, L183/1 (verder: Verordening Huwelijksvermogensstelsels). In dat geval kan de rechtbank haar rechtsmacht immers baseren op artikel 6 aanhef en onder a Verordening Huwelijksvermogensstelsels (gerecht land gewone verblijfplaats partijen ten tijde van dagvaarding).

2.4.

De rechtbank heeft daarom in deze zaak hoe dan ook rechtsmacht, ongeacht welke van deze twee verordeningen van toepassing is. De rechtbank hoeft hierover dus niet te beslissen.

toepasselijk recht

2.5.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag naar welk nationaal recht het gevorderde moet worden beoordeeld. Eiseres stelt dat het toepasselijke recht in deze zaak wordt geregeld door de Verordening Huwelijksvermogensstelsels. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In artikel 69 van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels is bepaald dat Hoofdstuk III van deze verordening slechts van toepassing is voor zover de echtgenoten na 29 januari 2019 in het huwelijk treden of zij na deze datum het op het huwelijksvermogensstelsel toepasselijke recht bepalen. Partijen zijn op 15 november 1988 en dus vóór 29 januari 2019 gehuwd. Gesteld noch gebleken is dat zij na 29 januari 2019 een rechtskeuze hebben gedaan wat betreft het op het huwelijksvermogensstelsel toepasselijke recht. Gelet hierop valt de zaak, voor zover het toepasselijke recht aan de orde is, buiten het temporele toepassingsbereik van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels. De vraag welk recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is, moet worden beantwoord aan de hand van de verwijzingsregels die zijn geformuleerd in het Chelouche/Van Leer-arrest (ECLI:NL:HR:1976:AE1063).

2.6.

In de dagvaarding is opgenomen dat partijen hun vermogensrechtelijke verhouding ten tijde van de huwelijkssluiting niet geregeld hebben door aan te wijzen aan welk recht deze is onderworpen. In die situatie is volgens de verwijzingsregels van Chelouche/Van Leer in beginsel het recht van toepassing van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting. Daarom is, zover partijen ten tijde van de huwelijkssluiting uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk hadden, in zoverre Marokkaans recht van toepassing. Naar Marokkaans huwelijksvermogensrecht ontstaat door het huwelijk als zodanig geen gemeenschappelijk vermogen. De woning staat echter wel op naam van beide partijen en is als zodanig hun gemeenschappelijk eigendom (een eenvoudige gemeenschap). In die situatie gelden de verwijzingsregels van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en moet het gevorderde ingevolge artikel 10:127 BW naar Nederlands recht worden beoordeeld. Verwezen wordt naar de conclusie van A-G mr. Strikwerda bij Hoge Raad 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1684, RvdW 2001/1423.

2.7.

Voor zover partijen ten tijde van de huwelijkssluiting beide (ook) de Nederlandse nationaliteit hadden, geldt op grond van de verwijzingsregels van Chelouche/Van Leer het huwelijksvermogensstelsel van het land van de eerste huwelijksdomicilie. In dat geval is hier het Nederlandse huwelijksvermogensstelsel van toepassing, aangezien de eerste huwelijksdomicilie van partijen te Nederland was. Ook in dat geval moet de vordering tot verdeling worden beoordeeld naar Nederlands recht.

2.8.

Dit leidt tot de conclusie dat de gevorderde verdeling naar Nederlands recht moet worden beoordeeld, ongeacht het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel. Over de vraag wat het hier toepasselijke huwelijksvermogensstelsel is, hoeft dus niet te worden beslist.

beoordeling

2.9.

De vordering komt de rechtbank naar toepasselijk Nederlands recht niet ongegrond of onrechtmatig voor. Het gevorderde wordt daarom toegewezen, op de wijze zoals in het dictum vermeld.

proceskosten

2.10.

In de omstandigheid dat partijen ex-echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

veroordeelt gedaagde om mee te werken aan de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats], door een door partijen aan te wijzen makelaar en mee te werken aan de verkoop en levering van deze woning;

3.2.

veroordeelt gedaagde om zonder nadere verrekening de hypothecaire lasten en de eigenaarslasten te voldoen tot aan de datum van levering van de woning;

3.3.

verklaart voor recht dat de verkoopopbrengst van de woning met aftrek van de hypotheekschuld en de kosten die gemoeid zijn met de makelaar en de notaris tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld;

3.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 3.1 tot en met 3.3 uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 23 juni 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: 2691 / 1769