Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6587

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
NL21.6054
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Geen sprake van situatie als in het arrest Tarakhel. Artikel 17 van de Dublinverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.6054


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. F.F.M. van de Kamp).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.6055, plaatsgevonden op 20 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.D.O. Onwuegbuchu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Op 28 januari 2021 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.1 Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 februari 2017 in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Italië verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 16 maart 2021 heeft Italië het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening vaststaat.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als concrete aanwijzingen dat Italië haar internationale verplichtingen niet nakomt, benoemt eiser dat er een gebrek is aan psychische hulp, opvang en gratis juridische bijstand. Verder verwijst eiser in dit verband naar het AIDA-rapport van november 2020, het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 en een artikel van The European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 10 januari 2020. Tot slot verwijst eiser naar de e-mailcorrespondentie tussen VluchtelingenWerk Nederland en Maria Cristina Romano, een Italiaanse advocate.

5. Verweerder mag, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er in beginsel vanuit gaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hierin niet geslaagd. In verschillende uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.2 Dat er een periode kan bestaan tussen de aanmelding en de registratie van de asielaanvraag en dat in die tijd de vreemdeling mogelijk geen toegang heeft tot opvangvoorzieningen, betekent niet dat sprake is van een aan het systeem gerelateerd gebrek en een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Bij deze uitspraken heeft de Afdeling verschillende bronnen, zoals het AIDA-rapport van mei 2020 en het rapport van SFH/OSAR, betrokken. Eiser heeft verwezen naar het AIDA rapport van november 2020, maar ter zitting is duidelijk geworden dat hiermee het AIDA rapport van mei 2020 wordt bedoeld en waar de Afdeling dus al over heeft geoordeeld. Italië heeft met het claimakkoord van 16 maart 2021 haar verplichting erkend en geeft hiermee aan eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen, waaronder ook de Opvangrichtlijn.

Verder volgt ook uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 maart 2021 dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië.3 Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de overige door eiser aangehaalde stukken, het artikel van ECRE van 10 januari 2020 en e-mailberichten van mevrouw Romano, geen wezenlijk ander beeld naar voren dan de informatie waarop de Afdeling en het EHRM zich eerder hebben gebaseerd. Met de enkele stelling dat uit informatie die door Vluchtelingenwerk Nederland is opgevraagd bij een Italiaanse advocaat blijkt dat er weliswaar nieuwe wetgeving is, maar dat de situatie onveranderd is, maakt eiser niet aannemelijk dat hij helemaal geen opvang in Italië zal krijgen. Zou eiser bij terugkeer geen opvang krijgen, dan ligt het op zijn weg om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties.

6. Ook het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Eiser heeft in Italië een asielaanvraag kunnen indienen, waarop ook een beslissing is genomen, en heeft opvang gehad. Hij heeft ook verklaard bijstand te hebben gehad van een advocaat. Verder heeft hij aangifte kunnen doen bij de politie van de mishandeling door een jongen. De enkele stellingen omtrent de afwijzing van het asielverzoek in Italië, het (over)leven op straat nadat eiser geen recht meer op opvang had, de problematiek rondom de advocaat door wie hij niet of onvoldoende werd geholpen, de problemen met de Italiaanse autoriteiten en de inbewaringstelling zijn onvoldoende voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure structurele gebreken kent. Eiser heeft zijn stellingen op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als eiser toch problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang dan wel zich geconfronteerd ziet met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag hierover dient te klagen bij de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Italië hem niet zouden kunnen of willen helpen.

Bijzonder kwetsbare vreemdeling

7. Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat hij gelet op zijn medische situatie moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare vreemdeling als bedoeld in het arrest Tarakhel, waarvoor individuele garanties nodig zijn als bedoeld in dat arrest.4 Ter onderbouwing hiervan heeft hij een afschrift van verschillende verslagen van de spoedeisende hulp in Italië, een afschrift van zijn medisch dossier en een brief van zijn huisarts tezamen met een afschrift van zijn patiëntdossier overgelegd.

8. De rechtbank is met eiser van oordeel dat een situatie als voorkomend in het arrest Tarakhel niet uitputtend is voor het aannemen van bijzondere kwetsbaarheid, waarvoor individuele garanties nodig zijn. Bijzondere kwetsbaarheid uit het arrest Tarakhel is afhankelijk van de omstandigheden in iedere casus, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen mede van belang kunnen zijn en welke bijzondere bescherming deze dan behoeft.5 Echter is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare vreemdeling als bedoeld in het arrest Tarakhel. Uit de medische stukken blijkt dat eiser specialistische behandeling nodig heeft, maar er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Er kan op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook vanuit worden gegaan dat Italië dezelfde medische voorzieningen heeft als Nederland en daarom in staat moet worden geacht eventuele medische problemen goed te kunnen behandelen. Voorts is op geen enkele wijze gebleken dat een overdracht aan Italië onomkeerbare gevolgen voor de gezondheidssituatie van betrokkene zal hebben. Nu gelet op het vorenstaande geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid heeft verweerder geen individuele garanties hoeven te vragen aan Italië.

Artikel 17 van de Dublinverordening

9. Tot slot heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Italië van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Conclusie

10. Verweerder heeft gelet op het voorgaande eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen nu op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU), nr. 604/2013.

2 ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881.

3 EHRM 23 maart 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519.

4 EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

5 ABRvS 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.