Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6561

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/9273
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing aanvraag verblijf bij partner, geen duurzame en exclusieve relatie, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/9273

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. B. Kemalli-Aydin.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 november 2020 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die heeft deelgenomen aan de zitting via een beeldverbinding. Als tolk is verschenen A. Frimpong. Verder was aanwezig [partner eiser] , de partner van eiser.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1972 en de Ghanese nationaliteit te bezitten. Op 15 april 2020 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 3] ’. Op 19 juni 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, waarbij tevens een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat met de overgelegde stukken onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie die in voldoende mate op één lijn te stellen is met een huwelijk. Ook wekt het bevreemding dat eiser tijdens een hoorzitting op 6 november 2019, als onderdeel van een eerdere bezwaarprocedure over zijn relatie met mevrouw [naam 4] , niet heeft benoemd dat hij en mevrouw [naam 3] al enkele maanden een relatie hadden. Verder bestaat er geen aanleiding wegens bijzondere omstandigheden van de beleidsregels af te wijken en de aanvraag alsnog in te willigen (artikel 4:84 van de Awb1) en is er geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM.2 Het inreisverbod voor twee jaar is op juiste gronden opgelegd. Ten slotte stelt verweerder dat er geen aanleiding was om eiser te horen.

3. Eiser stelt dat hij en mevrouw [naam 3] wel degelijk een duurzame en exclusieve relatie hebben. Zij hebben hun relatie onderbouwd met hetgeen ter hunner beschikking staat. Zij konden niet bevroeden dat zij van elke stap die zij doen bewijsstukken zouden moeten overleggen. Zij zijn eenvoudige zielen en hebben nauwelijks onderwijs genoten. Verweerder is bij de beoordeling van de bewijsstukken onwelwillend en benadert de zaak negatief. Dat eiser geen melding heeft gemaakt van de relatie tijdens het gehoor betekent niet dat de relatie niet bestaat. Er is dan ook geen sprake van een redelijke beoordeling. Verder had verweerder, gezien de relatie, geen inreisverbod kunnen opleggen.

Op 9 april 2021 heeft eiser nog 11 foto’s en WhatsApp-gesprekken over de periode mei 2020 tot en met februari 2021 overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en mevrouw [naam 3] . Verweerder heeft de summiere WhatsApp-gesprekken, de foto’s die enkel momentopnamen zijn, en de summier beantwoorde vragenlijst onvoldoende overtuigend kunnen vinden om de groei, intensiteit en diepgang van de gestelde relatie aan te tonen. De verklaring van de kinderen van [naam 3] heeft verweerder ook niet tot de conclusie hoeven brengen dat de gestelde relatie tussen eiser en [naam 3] hiermee is onderbouwd. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat deze verklaring niet afkomstig is uit een objectieve bron en niet wordt ondersteund met objectieve gegevens en bescheiden. De rechtbank stelt vast dat eiser dat in de gronden van beroep niet als zodanig heeft bestreden. Enkel is in dat kader door eiser aangevoerd dat hij weinig onderwijs heeft genoten en dat verweerder de bewijsstukken onwelwillend benaderd, maar dat is niet nader onderbouwd en kan dan ook geen doel treffen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat het bevreemdend is dat eiser tijdens een hoorzitting in een andere bezwaarprocedure op 6 november 2019, niet heeft verklaard over zijn relatie met mevrouw [naam 3] . Dit geldt te meer nu er al sinds juli 2019 sprake zou zijn van die gestelde relatie, en de voorzitter hem tijdens de hoorzitting uitdrukkelijk heeft gevraagd of er nog feiten en/of omstandigheden waren die niet zijn meegenomen in het bestreden besluit zoals familie gerelateerde omstandigheden.3 Eiser heeft voor dit zwijgen geen verklaring gegeven. Tevens is tijdens deze hoorzitting uitgebreid aan de orde geweest dat het belangrijk was om een gestelde relatie met stukken te kunnen onderbouwen, zodat de stelling van eiser dat hij niet heeft kunnen bevroeden dat er van elke stap bewijsstukken zouden moeten worden overgelegd, evenmin op gaat.

5. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser wat in het bestreden besluit over artikel 4:84 van de Awb, artikel 8 van het EVRM, de hoorplicht en het inreisverbod, is overwogen, niet heeft betwist.

6. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook kunnen afwijzen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 23 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Algemene wet bestuursrecht.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Rapport verslag van gehoor van 6 november 2019, pagina 6.