Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6560

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB 21/400
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan, afgeleid verblijfsrecht, 8.12 Vb, Lounes, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/400

v-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1], eiseres,

gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. B. Kemalli-Aydin.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit en bepaald dat zij binnen 4 weken Nederland moet verlaten.

Bij besluit van 22 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig C.M.E. Begtel (tolk) en [Naam 2], de echtgenoot van eiseres (hierna: referent).

Overwegingen

1. Eiseres is afkomstig uit Peru en heeft de Spaanse nationaliteit. Referent is afkomstig uit Duitsland, heeft zich in 1987 in Nederland gevestigd en op 19 maart 1994 is hem het Nederlanderschap verleend. Eiseres en referent zijn op 16 juni 2019 in Spanje getrouwd en op 24 juni 2019 is eiseres bij referent in Nederland gaan wonen.

2. Naar aanleiding van een melding van de gemeente Tilburg dat eiseres en referent op 17 oktober 2019 een gezamenlijke bijstandsuitkering met ingang van 24 juni 2019 hebben aangevraagd, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het verblijf van eiseres in Nederland. Bij voornemen van 27 januari 2020 heeft verweerder eiseres hiervan op de hoogte gesteld en verzocht om informatie te verstrekken over haar verblijf in Nederland. Eiseres is gevraagd met stukken aan te tonen met welk doel zij in Nederland heeft verbleven. Bij brief van 10 februari 2020 heeft eiseres hierop gereageerd.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb). Eiseres heeft niet aangetoond dat zij in Nederland werkzaam is in loondienst of als zelfstandige danwel dat zij werkzoekende is en een reële kans heeft op werk. Verder is niet gebleken dat zij of referent genoeg middelen van bestaan heeft gehad om van te leven. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat het belang van de Nederlandse staat om eiseres te verwijderen uit Nederland zwaarder weegt dat het belang van haar om hier te blijven. Verweerder komt niet toe aan de vraag of sprake is van schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, omdat is vastgesteld dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar hiertegen kennelijk ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

4. Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat niet alleen zijzelf als burger van de Unie rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn1, maar ook als echtgenote van referent als begunstigde van de Verblijfsrichtlijn aanspraak kan maken op het recht op gezinshereniging. Door naturalisatie heeft referent weliswaar de Nederlandse nationaliteit verkregen, maar destijds heeft hij als Duits onderdaan gebruik gemaakt van zijn recht van vrij verkeer door zich van Duitsland naar Nederland te begeven en op grond van de Verblijfsrichtlijn hier te blijven. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof)2. Verder meent zij dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel. Tot slot beroept zij zich op schending van de hoorplicht.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Het toetsingskader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. De rechtbank stelt voorop dat artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn in het nationaal recht zijn geïmplementeerd in achtereenvolgens artikel 8.11, eerste lid, en artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Artikel 14, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.16, eerste lid, vierde zin, van het Vb. Daar waar in de richtlijnbepaling het woord 'verwijderingsmaatregel' wordt gebruikt, staat in de bepaling van het Vb 'beëindiging van het rechtmatig verblijf'.3

7. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiseres, een burger van de Unie, niet heeft voldaan aan de vereisten voor een verblijfsrecht als economisch actieve of economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Vaststaat dat eiseres vanaf 24 juni 2019 bij referent in Nederland verblijft en niet als werknemer of zelfstandige heeft gewerkt. Voor het vrijwilligerswerk ontvangt eiseres geen loon. Eiseres heeft evenmin met bewijsstukken aangetoond dat zij werk zoekt en een reële kans heeft op werk. Het betoog van eiseres dat zij niet op haar lauweren rust en er alles aan doet om aan het werk te komen, is niet nader geconcretiseerd. Datzelfde geldt voor de stelling dat het door de coronapandemie voor haar thans lastig is om aan werk te komen.

8. Ter beantwoording ligt vervolgens de vraag of eiseres als familielid van referent een afgeleid verblijfsrecht heeft, omdat referent voorafgaand aan zijn naturalisatie zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend en daarom ook rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn.

9. In de zaak Lounes oordeelde het Hof4dat richtlijn 2004/38 in die zin moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een burger van de Unie van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door zich naar een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, te begeven en op grond van art. 7 lid 1 of van art. 16 lid 1 van die richtlijn aldaar te verblijven, vervolgens de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven met behoud van zijn oorspronkelijke nationaliteit en verschillende jaren later is getrouwd met een staatsburger van een derde staat, met wie hij op het grondgebied van die lidstaat blijft wonen, laatstgenoemde staatsburger op grond van de bepalingen van die richtlijn geen afgeleid verblijfsrecht in de betrokken lidstaat geniet. Hij komt echter op grond van art. 21 lid 1 VWEU5 in aanmerking voor een dergelijk verblijfsrecht onder voorwaarden die niet strenger mogen zijn dan die welke in richtlijn 2004/38 zijn vastgesteld voor de toekenning van een dergelijk recht aan een staatsburger van een derde staat die familielid is van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

10. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat het verblijfsrecht van eiseres rechtstreeks voortvloeit uit artikel 21, eerste lid, van het VWEU, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden van de Verblijfsrichtlijn. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat referent niet meer als begunstigde van de Verblijfsrichtlijn wordt aangemerkt, maar dat de richtlijn analoog moet worden toegepast op de situatie van eiseres. Dat heeft verweerder gedaan. Daarbij heeft verweerder gekeken naar de vereisten voor het verblijfsrecht zoals deze zijn opgenomen in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Dat eiseres tevens familielid is van referent kan eiseres niet baten, nu daarmee nog niet is voldaan aan de vereisten voor het verblijfsrecht. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres ter zitting dat referent duurzaam verblijfsrecht geniet en dat dit recht niet is onderworpen aan de hiervoor genoemde vereisten6. Voor zover eiseres meent dat zij als familielid van referent eveneens duurzaam verblijfsrecht geniet, geldt de voorwaarde dat sprake moet zijn van een ononderbroken periode van vijf jaar legaal verblijf van eiseres in Nederland7. Nu eiseres vanaf 2019 in Nederland verblijft, faalt deze beroepsgrond.

11. Verweerder moet bij vaststelling dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad een belangenafweging maken, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden8. Verweerder heeft het belang van de Nederlandse staat afgewogen tegen de individuele belangen van eiseres en niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit laten vallen. Zo heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiseres relatief kort in Nederland verblijft en al na vier maanden verblijf een beroep heeft gedaan op de algemene middelen met ingang van de datum van aankomst alhier. Zij heeft in Nederland niet gewerkt en geen premies en belastingen afgedragen. Zij heeft hier nooit rechtmatig verblijf gehad als economisch actieve of als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij solliciteert en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen korte tijd een reële kans maakt op werk, zodat zij niet langer een bijstandsuitkering nodig heeft. Dat zij vanwege de coronapandemie moeite heeft om aan werk te komen, valt niet te rijmen met haar beroep op de algemene middelen nog vóór het uitbreken van corona. Verweerder heeft overwogen dat van haar mag worden verwacht dat zij de verantwoordelijkheid draagt voor de kosten van haar levensonderhoud en dat hierbij van haar een actieve houding wordt verwacht. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiseres in Spanje is opgegroeid en daar heeft gewoond tot haar komst naar Nederland. Zij heeft ook verklaard dat zij in Spanje heeft gewerkt. Verweerder heeft verder gekeken naar het gezinsleven van eiseres met referent. Niet is gebleken dat eiseres en referent hun gezinsleven niet elders zouden kunnen uitoefenen. De enkele stelling dat dit vanwege de leeftijd van referent geen optie is, is hiervoor onvoldoende. Eiseres heeft ook overigens niet nader geconcretiseerd waarom de belangenafweging niet juist zou zijn. Verweerder heeft eiseres ook kunnen wijzen op meer mogelijkheden om rechtmatig in Nederland te kunnen verblijven.

12. De door eiseres aangevoerde omstandigheden in het kader van artikel 8 van het EVRM9 heeft verweerder in de belangenafweging betrokken. Voor zover eiseres aanspraak wenst te maken op een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM heeft verweerder in het bestreden besluit gewezen op de mogelijkheid om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 23 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Verblijfsrichtlijn (PB 2004, L 158, met rectificatie in PB 2004, L 229)

Considerans

(16) Begunstigden van het verblijfsrecht mogen niet van het grondgebied worden verwijderd zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Een beroep op dat socialebijstandsstelsel mag bijgevolg niet automatisch aanleiding geven tot een verwijderingsmaatregel. Het gastland dient te onderzoeken of het gaat om tijdelijke problemen, en dient rekening te houden met de duur van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de al uitgekeerde steun, om te kunnen uitmaken of de begunstigde een onredelijke belasting is geworden voor zijn socialebijstandsstelsel en of tot verwijdering wordt overgegaan. Er kunnen in geen geval verwijderingsmaatregelen worden genomen tegen personen die onder de door het Hof van Justitie vastgestelde definitie van werknemer, zelfstandige of werkzoekende vallen, behalve om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

Artikel 6

1. Burgers van de Unie hebben het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

[…]

Artikel 7

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a. a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,

b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of

[…]

Artikel 14

1. Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht volgens artikel 6 zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland.

2. Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden.

In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag, of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 7, 12 en 13, kunnen de lidstaten zulks verifiëren. De verificatie geschiedt evenwel niet stelselmatig.

3. Een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van het gastland leidt niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.

4. In afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien:

a. a) de burgers van de Unie werknemer of zelfstandige zijn, of

b) de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 20

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

[…]

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 21

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

[…]

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 62

1. Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

[…]

Artikel 63

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, kan worden uitgezet.

[…]

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 8.7

1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

[…]

Artikel 8.11

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis, indien hij:

a. beschikt over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort; of

b. het bewijs van zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.

[…]

Artikel 8.12

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;

[…]

Artikel 8.16

1. Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23 eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.

2. Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid:

a. werknemer of zelfstandige is; of

b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf B10/2.2

In aanvulling op artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb beschouwt de IND een burger van de Unie als werknemer of zelfstandige als deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Hiervan is in ieder geval sprake als:

[…]

de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm; of

[…]

de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.

1 Richtlijn 2004/38

2 het arrest van 7 juli 1992, C-369/90, Micheletti (www.eur lex.europa.eu), het arrest van 2 oktober 2003, C-148/02, Garcia Avello (www.curia.europa.eu).Micheletti, Garca Avello, het arrest van 11 december 2007, C-291/05, Eind (ECLI:EU:C:2007:771), het arrest van 14 november 2017, C-165/16, Lounes (ECLI:EU:C:2017:862)

3 uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4584

4 Arrest Lounes, punt 62

5 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Rome

6 Artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn

7 Artikel 16, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn

8 zie hiervoor de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2018:3584 en 3585) en van 26 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2873)

9 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden