Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6559

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB 21/1174
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf – regeling langeafstandsrelaties – corona – kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/1174

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1], eiseres

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 29 januari 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [Geb. datum] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar partner [Naam 2] in Nederland te bezoeken.

2. Bij besluit van 14 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, punt ii, en onder b, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 (Visumcode). Volgens verweerder heeft eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet aangetoond. Daarnaast bestaat er volgens verweerder twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten voor het verstrijken van het visum. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a) vi, van de Visumcode en artikel 2, eenentwintigste lid, van de Verordening (EU) 2016/399 (Schengengrenscode). Hieraan ligt ten grondslag dat eiseres niet in aanmerking komt voor een visum omdat door de coronapandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie ter bescherming van de volksgezondheid. Verweerder heeft verder overwogen dat de ‘regeling langeafstandsrelaties’ niet toegepast kan worden omdat deze regeling per 23 januari 2021 was opgeschort.

4. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank wijst er allereerst op dat zij in zaken als deze ex tunc moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank moet kijken naar de situatie zoals die was op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam. Feiten en omstandigheden die daarna zijn opgetreden kunnen in beginsel niet bij de beoordeling worden betrokken.

6.1

Eiseres voert aan dat er sprake is van onzorgvuldig handelen en van een onjuiste belangenafweging, omdat verweerder heeft nagelaten om de initiële weigeringsgronden te beoordelen. Daarbij stelt zij dat, indien verweerder zou hebben besloten dat zij aan de overige voorwaarden voldoet, bij een nieuwe aanvraag direct een visum zou kunnen krijgen. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder te algemeen heeft beoordeeld en dat een individuele belangenafweging nodig is om na te gaan of het individu in kwestie daadwerkelijk een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

6.2

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862) volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten, over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam, was er sprake van een gevaar voor de volksgezondheid als bedoeld in artikel 2, eenentwintigste lid, van de Schengengrenscode. Vanwege het doel van de visumaanvraag, bezoek aan partner, kon de reis niet worden aangemerkt als essentieel. Eiseres viel daarom niet onder de uitzonderingen op de Europese inreisbeperkingen. De ‘regeling langeafstandsrelaties’ was opgeschort. Ten tijde van het bestreden besluit kon eiseres dan ook niet worden toegelaten tot Nederland. Verweerder heeft alleen hierom al de afwijzing van de aanvraag van eiseres kunnen handhaven. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode moet het visum immers al worden geweigerd als één weigeringsgrond van toepassing is. Om die reden behoeven de andere weigeringsgronden geen beoordeling.

6.3

Gelet op de aard van de pandemie – zijnde een epidemie op wereldwijde schaal –, het besmettingsgevaar, de op dat moment geldende maatregelen en de snelle verspreiding van het virus, vormde eiseres als reiziger uit het buitenland een mogelijke bedreiging van de volksgezondheid. Verweerder was daarom ten tijde van het bestreden besluit bevoegd om deze afwijzingsgrond te hanteren zonder te beoordelen of eiseres als individu een specifiek gevaar vormde.

7.1

Eiseres voert verder aan dat verweerder niet had mogen beslissen ten tijde van de opschorting van de ‘regeling langeafstandsrelaties’ maar had moeten wachten met het nemen van een besluit gezien de snelle wisseling van de regelgeving en van de maatregelen omtrent de coronapandemie.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat er niet van een bestuursorgaan verwacht kan worden om te wachten op onzekere ontwikkelingen. Uit het dossier blijkt niet voorzienbaar was wanneer de ‘regeling langeafstandsrelaties’ weer in werking zou treden. Los van het feit dat verweerder binnen de wettelijk voorgeschreven termijn behoort te beslissen, bestond er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te wachten met het nemen van het bestreden besluit omdat het onduidelijk was of, wanneer en eventueel voor hoe lang de maatregelen, genomen vanwege de coronapandemie, verlengd zouden worden en voor welke landen de grenzen weer opengesteld zouden worden.

7.3.

Eiseres voert ook aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door niet te wachten met het nemen van het bestreden besluit in afwachting van de ontwikkelingen rondom de inreisbeperkingen. Eiseres wijst hierbij op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 december 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:4458). Gelet op het vaststaande beleid van verweerder om visumaanvragen categoraal af te wijzen, rechtvaardigt de afwijking van dit beleid in een incidenteel geval niet de conclusie dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door conform zijn beleid te handelen.

8. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder haar in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op wat hiervoor is overwogen bestond er redelijkerwijs geen twijfel over de conclusie dat het bezwaar van eiseres ongegrond was, waardoor verweerder van het horen van eiseres heeft kunnen afzien.

9. Het beroep is kennelijk ongegrond.

10. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.