Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6556

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
NL20.1387
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ethiopië, authenticiteit document en aannames verweerder over inhoud, politieke activiteiten in NL, aard activiteiten, AAB vs door eiseres overgelegde info, aanvullend besluit, fundamentele politieke overtuiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.1387


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.C. van de Woning).


Procesverloop
Op 17 januari 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar asielaanvraag.

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. In het besluit is ook opgenomen dat een dwangsom van € 1442,- is verschuldigd en een rechterlijke dwangsom van € 15.000,-.

Op 27 november 2020 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen G.B. Hailu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].

Ten aanzien van het beroep gericht tegen het uitblijven van een besluit

2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank constateert dat niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres omdat haar asielaanvraag is afgewezen. Niet is echter gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij het beoordelen van het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen het afwijzen van de asielaanvraag

3. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep mede gericht tegen het aanvullend besluit van 27 november 2020.

4. Omdat verweerder na het nemen van het bestreden besluit heeft erkend dat er ten aanzien van de fundamentele politieke overtuiging een nadere motivering noodzakelijk is, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen. De aanvraag is daarom ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Reeds hierom is het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

5. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met de wijziging bij aanvullend besluit, in stand kunnen blijven.

6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. De door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. De door eiseres gestelde mishandeling en verkrachting in Ethiopië;

3. Het door eiseres gestelde dat zij in Nederland ondersteunende

activiteiten (heeft) verricht voor Ethiopische organisaties in Nederland;

4. Het door eiseres gestelde dat zij in de negatieve aandacht van de

Ethiopische autoriteiten is komen te staan vanwege een gestelde oproep

van de Ethiopische politie.

7. Verweerder heeft element 1, 2 en 3 geloofwaardig geacht maar element 4 niet. Verweerder meent verder dat de wel geloofwaardig geachte elementen geen aanleiding geven om aan te nemen dat eiseres te vrezen heeft voor vervolging of voor een risico op ernstige schade. Omdat eiseres zich niet direct bij aankomst heeft gemeld om asiel aan te vragen is de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

In het aanvullend besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij eiseres geen sprake is van een politiek fundamentele overtuiging ten aanzien van haar betrokkenheid bij

Ethiopian Community, Ethiopian Satellite Television (ESAT) en Addis Abeba Baladera. Verder is er volgens verweerder geen aanleiding voor de conclusie dat eiseres bij terugkeer in Ethiopië een gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het

Vluchtelingenverdrag.

8. Partijen waren het er ter zitting over eens dat element 4 gelezen moet worden als:

Eiseres heeft gesteld dat zij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat vanwege haar politieke activiteiten, wat zij met de oproep van de politie heeft onderbouwd.

9. Eiseres heeft de standpunten van verweerder uitgebreid gemotiveerd betwist. Voor zover van belang zal de rechtbank hierna op de aangevoerde gronden ingaan.

10. Verweerder heeft de oproep, die volgens de vertaling zou zijn verzonden op 15 november 2011, laten onderzoeken door Bureau Documenten. In een verklaring van dit Bureau van 3 oktober 2019 wordt over de oproep geconcludeerd dat vanwege het ontbreken van voldoende en betrouwbare vergelijkings- en referentiemateriaal geen uitspraak wordt gedaan over de echtheid, opmaak en afgifte van het document en dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.

11. Verweerder heeft element 4 ongeloofwaardig geacht ten eerste omdat de authenticiteit van de politieoproep niet kon worden vastgesteld. Ten tweede omdat vanwege de inhoudelijke beoordeling van het document daaraan geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend. Volgens verweerder bevat de oproep namelijk behalve de naam van eiseres geen identificerende kenmerken, zoals een geboortedatum en –plaats, en adresgegevens, terwijl algemeen wordt aangenomen dat een officiële brief van de politie minimaal voornoemde identificerende persoonsgegevens bevat. Tevens valt uit de algemene vermelding ‘Verdenking op: mensen oproepen verkeerde dingen te doen’ niet af te leiden van welk strafbaar feit eiseres wordt verdacht, waarom dit strafbaar is, en reden is om te worden gezocht. Niet valt in te zien dat bovengenoemde marginale ondersteunende activiteiten voor Baladera in Nederland hier aanleiding voor vormen. Het verband met het

gestelde relaas ontbreekt dan ook. De oproep van de politie bevat onvoldoende informatie om aan te nemen dat deze voor eiseres is bedoeld en dat er sprake is van een – al dan niet officieel bevoegde - aanklacht en vervolging. Ten derde omdat verweerder de gang van zaken rond de bezorging van de oproep bij familie bevreemdend en opmerkelijk acht en ten vierde omdat de wijze waarop eiseres het document heeft verkregen opmerkelijk is.

11.1

Verweerder kan zich ten aanzien van een document waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld niet enkel om die reden op het standpunt stellen dat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Verweerder zal, bijvoorbeeld op grond van de inhoud van het document, moeten beoordelen of er concrete twijfel bestaat over de authenticiteit van de documenten.1 Dat heeft verweerder in dit geval ook gedaan, maar de rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres in dit kader niet heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard of dat haar verklaringen niet zouden stroken met de inhoud van de oproep.

11.2

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de oproep uitgaat van niet onderbouwde aannames. Dit zijn dan de aannames dat oproepen van de Ethiopische politie de identificerende gegevens bevatten, zoals door verweerder genoemd, en dat in de oproepen wordt vermeld van welk strafbaar feit iemand wordt verdacht, waarom dit strafbaar is en waarom men wordt gezocht. In het licht van de conclusie van het documentenonderzoek door Bureau Documenten, dat wegens het ontbreken van referentiemateriaal geen uitspraak kan worden gedaan over de authenticiteit van de oproep, is deze stellingname van verweerder al opmerkelijk. Maar ook overigens zijn deze aannames niet nader onderbouwd, terwijl zij niet van dien aard zijn dat een nadere motivering achterwege kon blijven.2 De rechtbank volgt verweerder in zijn constatering dat de identificerende gegevens op de oproep summier zijn maar op de verklaringen die eiseres daarvoor heeft gegeven in de zienswijze is verweerder ten onrechte niet ingegaan. Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn constatering dat de beschrijving van de reden waarom eiseres een oproep heeft ontvangen nogal algemeen is. Maar wat eiseres aan activiteiten heeft verricht kan wel onder deze omschrijving worden gebracht.

11.3

Eiseres heeft met betrekking tot de bezorging van de oproep bij familieleden in de zienswijze uiteengezet waarom zij denkt dat de oproep bij de familie is bezorgd. Verweerder heeft in reactie daarop in het bestreden besluit overwogen dat de speculaties van eiseres dat de politie op de hoogte zou zijn van de activiteiten van eiseres en haar onder druk zouden hebben gezet door haar zus vast te zetten, niet afdoen aan het feit dat de oproep reeds niet geloofwaardig wordt geacht en de gestelde hechtenis van de zus niet is onderbouwd noch

aannemelijk is gemaakt. Verweerder gaat daarmee naar het oordeel van de rechtbank slechts in op een gedeelte van de verklaringen die eiseres naar voren heeft gebracht. Verder kan verweerders standpunt dat de oproep ongeloofwaardig is bevonden, daargelaten dat verweerder dit standpunt pas in het bestreden besluit inneemt, reeds gelet op wat in rechtsoverweging 11.1 en 11.2 is overwogen geen standhouden.

11.4

Eiseres heeft in de zienswijze ten aanzien van het verkrijgen van de oproep aangevoerd, onder verwijzing naar wat zij daarover in het nader gehoor heeft verklaard, dat van toeval geen sprake was en dat verweerders standpunt blijk geeft van een perverse logica en van vooringenomenheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hier ten onrechte niet op in is gegaan in het bestreden besluit.

11.5

De rechtbank concludeert op basis wat hiervoor is overwogen dat verweerder zijn standpunt dat element 4 ongeloofwaardig is niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

12. Alleen daarom al bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Uit oogpunt van proceseconomie zal de rechtbank ook nog ingaan op een aantal gronden die eiseres in het kader van element 3 heeft aangevoerd.

13. Verweerder heeft zich ten aanzien van element 3 op het standpunt gesteld dat de activiteiten van eiseres voor Ethiopian Community ondersteunend waren, voor het laatst in maart 2018 hebben plaatsgevonden en dat eiseres ten tijde van het voornemen niet meer actief was. Ook ontplooit eiseres voor ESAT geen activiteiten meer. Met een verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 2018 stelt verweerder zich op het standpunt dat deze organisaties niet (meer) in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan sinds de machtswisseling en het aantreden van premier Abiy. De bronnen waar eiseres naar verwijst, en waar een ander beeld uit naar voren zou komen, zijn bekend maar hebben niet tot een beleidswijziging geleid en de betrouwbaarheid, objectiviteit en onafhankelijkheid van deze bronnen wordt betwist. Om die laatste reden, maar ook omdat een onderbouwing met gezaghebbende bronnen ontbreekt, acht verweerder het ook niet aannemelijk dat de autoriteiten Baladera aanmerken als een oppositiebeweging of terroristische organisatie. Niet is dan ook aannemelijk dat al zouden de Ethiopische autoriteiten al op de hoogte raken van de activiteiten van eiseres, wat niet is gebleken, zij daardoor problemen zou ondervinden bij terugkeer, wat evenmin op een andere manier is gebleken. Daarbij weegt ook mee dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een prominent lid van de organisatie is. En anders dan eiseres stelt is niet gebleken dat de broer en zus van eiseres in Ethiopië vanwege hun betrokkenheid bij Baladera in de bijzondere aandacht van de autoriteiten staan.

13.1

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet eenduidig heeft verklaard over haar activiteiten voor Ethiopian Community (EC): zij stelt dat zij sinds de laatste demonstraties in 2018 niet meer actief is geweest3, later stelt zij dat zij nog wel actief is voor EC.4

Niet is echter in geschil dat eiseres nog voor Baladera actief is. Verweerder heeft evenmin betwist dat eiseres de activiteiten heeft verricht die zij stelt te hebben verricht. Wat ook zij van verweerders standpunt dat eiseres slechts marginale en ondersteunende activiteiten heeft verricht en dat zij geen prominent lid van de partij is, eiseres is met deze activiteiten wel, namens de partij, naar buiten getreden. Terecht wijst eiseres er verder op dat het ambtsbericht waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst gedateerd is en dat zij in de zienswijze informatie van nadien heeft overgelegd waaruit een ander beeld naar voren komt. Verweerders standpunt dat de betrouwbaarheid, objectiviteit en onafhankelijkheid van deze bronnen wordt betwist, valt moeilijk te rijmen met het feit dat de Minister van Buitenlandse Zaken voor zijn ambtsbericht ook gebruik heeft gemaakt van informatie die uit (een deel van) deze bronnen afkomstig is. Dit standpunt kan dan ook geen standhouden. Dat het in de (in de zienswijze) overgelegde stukken alleen gaat om vooraanstaande leden van Baladera die problemen zouden ondervinden vindt geen steun in die stukken, nu daarin ook wordt gesproken over activisten en leden van de Baladera die zouden zijn gearresteerd in 2019, ook nog in oktober van dat jaar.5 In het verweerschrift heeft verweerder verwezen naar het algemeen ambtsbericht van februari 2021, waarin staat dat de partij begin 2020 door de Ethiopische kiesraad als officiële politieke partij is geregistreerd en dat activiteiten van deze partij niet zijn verboden. Dat dit ook meebrengt dat niet meer wordt opgetreden tegen deze partij en haar leden niet langer worden gearresteerd, staat echter niet in het ambtsbericht. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

13.2

Voor wat betreft de vraag of de activiteiten van eiseres zijn ingegeven door een fundamentele politieke overtuiging heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe verweerder beoordeeld of van een fundamentele politieke overtuiging sprake is.6 Verweerder heeft bij het verweerschrift gevoegd de antwoorden op vragen die de Afdeling heeft gesteld in een zaak waarin de (fundamentele) politieke overtuiging ook een rol speelt, en waaruit blijkt op welke wijze verweerder dit beoordeelt. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op het oordeel van de Afdeling hierover en op dit moment anders te oordelen dan de meervoudige kamer van deze rechtbank heeft gedaan. Dat betekent dat verweerder het besluit ook in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd.

14. Gelet op wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 4, 11.5, 13.1 en 13.2 heeft geconcludeerd is het besluit, daaronder begrepen het aanvullend besluit, genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Zoals de rechtbank al in rechtsoverweging 12 heeft geoordeeld bestaat geen aanleiding de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Evenmin zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

15. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 1068,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 534,-; wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit van 2 maart 2020 en het aanvullend besluit van 17 november 2020 gegrond;

 vernietigt deze besluiten;

 draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1068,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.P. de Zwart, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 18 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3468.

2 Vgl. Afdeling15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3009.

3 Nader gehoor, p. 14 en 15.

4 Aanvullend gehoor, p. 11.

5 Zie punt 56 – 65 van de zienswijze en de daar genoemde bronnen.

6 20 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4634.